Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1656

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2018
Datum publicatie
25-05-2018
Zaaknummer
23-004034-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging ISD-maatregel; tussentijdse toetsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004034-17

datum uitspraak: 18 mei 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 13 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-820360-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in [gedetineerd] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

9 januari 2018, 14 maart 2018, 4 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de kwalificatie van het bewezen verklaarde feit aanvult.

Kwalificatie van het strafbare feit

Het hof overweegt dat in het vonnis van de rechtbank onder rechtsoverweging 4 kennelijk abusievelijk de kwalificatie van het strafbare feit is weggevallen en vult deze kennelijke omissie als na te melden aan:

Het bewezenverklaarde levert op:

Diefstal.

Oplegging van de ISD-maatregel

De rechtbank Noord-Holland heeft aan de verdachte ter zake het in eerste aanleg bewezen verklaarde feit de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren opgelegd, en heeft verder bepaald dat de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel getoetst zal worden na ommekomst van één jaar - te rekenen vanaf de feitelijke ingangsdatum van de maatregel door de rechtbank.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft namens de verdachte primair bepleit een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken aan de verdachte op te leggen. Subsidiair heeft de raadsman bepleit, indien een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte wordt opgelegd, om het voorarrest van deze maatregel af te trekken en een tussentijdse toetsing na zes maanden te laten uitvoeren.

Oordeel van het hof

Het hof zal de ISD-maatregel opleggen en overweegt daartoe als volgt.

Het hof heeft zich bij zijn oordeel laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Een hinderlijk feit, waarvan vooral winkeliers veel overlast en schade ondervinden. Winkelbedrijven die slachtoffer worden van dit soort feiten, worden genoodzaakt extra beveiligingsmaatregelen te nemen, waarvan de kosten worden doorberekend in de goederen die zij verkopen. Aldus is de maatschappij als geheel de dupe van dit soort feiten.

Uit het omvangrijke strafblad van de verdachte van 23 april 2018 blijkt dat hij veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke diefstallen en dat hij alleen al in 2017 drie maal wegens winkeldiefstal onherroepelijk is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen, en dat deze veroordelingen hebben plaatsgevonden en de daarbij opgelegde gevangenisstraffen zijn tenuitvoergelegd voor 23 juli 2017. De gevangenisstraffen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw een diefstal te plegen.

Met het opnieuw opleggen van een gevangenisstraf, al dan niet in voorwaardelijke zin zoals door de verdediging bepleit, kan niet meer worden volstaan.

Het hof heeft kennis genomen van een met redenen omkleed rapport van Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering over de verdachte ter zake de eventuele wenselijkheid en noodzakelijkheid van de ISD-maatregel van 26 september 2017. In dit rapport wordt de oplegging van een ISD-maatregel geadviseerd, uit te voeren in Veenhuizen.

Uit het advies van de reclassering blijkt dat verdachte geweigerd heeft zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een rapportage. Er is ten aanzien van verdachte sprake van zeer geregelde recidive en ernstige problematiek, waarbij hij zorg mijdt. Verdachte heeft geen verblijfsstatus. Ten aanzien van een mogelijke terugkeer naar Somalië merkt de reclassering het volgende op: “De IND heeft aangegeven dat de verblijfsvergunning van verdachte is ingetrokken. Een vrijwillige terugkeer naar Somalië is mogelijk. Op de site van de dienst terugkeer en vertrek van de IND staat dat een gedwongen terugkeer mogelijk is naar gebieden die niet vallen onder de controle van [naam] .”

Bestraffing in de vorm van gevangenisstraf heeft tot nu toe niet geleid tot het voorkomen van recidive of terugkeer naar het land van herkomst. Omdat verdachte tot ongewenst vreemdeling is verklaard, kan ook geen invulling gegeven worden aan een toezichtkader en heeft de verdachte geen toegang tot sociale voorzieningen. De reclassering heeft in haar rapport de verschillende opties voor advies besproken, waaronder het advies om aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Het hof begrijpt het rapport aldus dat de reclassering de alternatieven voor een ISD-maatregel niet zinvol of niet haalbaar acht om de voortdurende recidive van de verdachte te beëindigen.

De ISD-maatregel zal mede gericht zijn op terugkeer naar Somalië, het land van herkomst van de verdachte, maar voorkomt ook het herhaaldelijk strafbare gedrag en biedt met name de gelegenheid structuur en zorg aan de verdachte te bieden, hetgeen de verdachte kan helpen om zijn maatschappelijke positie voor zover mogelijk te verbeteren.

Het hof is gelet op al het voorgaande van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders dient te worden opgelegd. Aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, omdat het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, de verdachte in de afgelopen vijf jaren driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen of maatregelen, het onderhavige feit is begaan na tenuitvoerlegging hiervan, er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van goederen het opleggen van de maatregel eist. Ter terechtzitting heeft de raadsman verwezen naar meerdere uitspraken, waaruit zou voortvloeien dat geen ISD-maatregel behoort te worden opgelegd. De door de raadsman overgelegde uitspraken maken het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden echter niet anders.

Het hof zal bepalen dat de maatregel na ommekomst van één jaar getoetst zal worden.

Het hof ziet in de onderhavige zaak, gelet op de lange tijd waarin de verdachte al in voorarrest heeft verbleven, de bijzondere inhoud van het dossier en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, aanleiding om bij de bepaling van de duur van de maatregel ten voordele van de verdachte af te wijken van de gebruikelijke periode van twee jaren en zal een periode opleggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Het hof bepaalt dat het openbaar ministerie binnen één jaar na het onherroepelijk worden van het arrest zal berichten over de wenselijkheid en de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.H.C. van Ginhoven, mr. M.J.A. Duker en mr. W.A.F. Damen, in tegenwoordigheid van

mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

18 mei 2018.

Mr. W.A.F. Damen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]