Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1644

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-03-2018
Datum publicatie
28-05-2018
Zaaknummer
23-000520-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkrachting in vereniging, begaan tegen een persoon beneden de leeftijd van 18 jaar met misbruik van een kwetsbare positie. Betrouwbaarheid verklaringen. Medeplegen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan verkrachting van een vijftienjarig meisje. Hij en zijn mededaders hebben het meisje gedwongen seksueel gemeenschap met hem en zijn mededader te hebben en hen oraal bevredigen door haar te dreigen met het verspreiden van naaktfoto’s van haar. Zij zijn met zijn vieren naar een afgelegen plek gereden en het slachtoffer heeft door toedoen van de verdachte en zijn mededader verdovende middelen geslikt, waardoor sprake was van bedwelming van het slachtoffer. De verdachte en zijn mededaders hebben misbruik gemaakt van de afhankelijke situatie waarin het slachtoffer zich bevond, nu zij nog een uiterst jong en om die reden kwetsbaar meisje was en van de sfeer van intimidatie en dreiging waarin zij ten tijde van de verkrachting mede door toedoen van de verdachte was komen te verkeren. Het hof neemt de verdachte zijn handelen extra kwalijk vanwege het evident grote leeftijdsverschil tussen hem en het slachtoffer. De verdachte heeft zijn lustgevoelens gesteld boven het belang van het slachtoffer en zich daarbij niet bekommerd om haar gevoelens en op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het kan niet anders dan dat de verkrachting voor haar een vernederende, kwetsende en beangstigende ervaring is geweest. Zij was alleen met drie oudere jongens en zat op de achterbank van een tweedeurs auto waaruit ze niet zomaar weg kon op een afgelegen, haar niet goed bekende plaats. Het slachtoffer heeft nog lange tijd de enorme psychische gevolgen ondervonden van deze gebeurtenis en ondervindt deze nog steeds, zoals blijkt uit haar schriftelijke slachtofferverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000520-17

Datum uitspraak: 5 maart 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-669210-15 tegen

[verdachte] ,

(voorheen geheten en in eerste aanleg berecht onder de naam: [verdachte] )

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2018 en 19 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair:

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 29 augustus 2015 te Amsterdam of in Spaarnwoude, gemeente Haarlemmerliede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of (telkens) door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid [benadeelde] (geboren op 2 januari 2000 en welke zich in een kwetsbare positie bevond) één- of meermalen heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (telkens) (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , hebbende verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) die [benadeelde] (telkens) gedwongen te dulden

- dat verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) het hoofd van die [benadeelde] naar zijn/hun penis duwde(n) en/of (vervolgens) zijn/hun penis(sen) in de mond van die [benadeelde] duwde(n) en/of bracht(en), in elk geval dat die [benadeelde] verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) moest pijpen en/of

- dat verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) zijn/hun penis(sen) in de vagina van die [benadeelde] duwde(n) en/of bracht(en)

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- ( door middel van whatsapp) tegen die [benadeelde] heeft/hebben gezegd dat zij naar hem, verdachte, en/of naar (een of meer van ) zijn mededader(s) moest komen en/of dat als zij niet zou komen er wat met haar zou gebeuren en/of dat hij en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (naakt)foto's van die [benadeelde] in de brievenbus van de moeder van die [benadeelde] zou doen en/of

- tegen die [benadeelde] heeft/hebben gezegd dat ze in een auto moest stappen en/of - die [benadeelde] heeft/hebben gedwongen een of meermalen cocaïne te snuiven en/of

een (halve blauwe) pil te slikken (waardoor die [benadeelde] zich slecht begon te voelen) door tegen die [benadeelde] te zeggen dat ze wist wat er zou gebeuren als die [benadeelde] dat niet zou doen

terwijl voornoemde handeling(en) (telkens) plaatsvonden op de achterbank van een kleine (twee deurs) auto waarbij steeds verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) aanwezig was/waren en/of (aldus) voor die [benadeelde] een bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 29 augustus 2015 te Amsterdam of in Spaarnwoude, gemeente Haarlemmerliede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [benadeelde] , geboren op 2 januari 2000, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, één- of meermalen, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die (telkens) (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

- het hoofd van die [benadeelde] naar zijn/hun penis(sen) geduwd en/of zijn/hun penis(sen) in de mond van die [benadeelde] geduwd en/of gebracht, in elk geval heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) zich door die [benadeelde] laten pijpen en/of

- zijn/hun penis(sen) in de vagina van die [benadeelde] geduwd/gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Het hof begrijpt het verweer van de raadsman als volgt. De verklaringen van [benadeelde] , die het slachtoffer zou zijn van de ten laste gelegde verkrachting (waarvan haar moeder aangifte heeft gedaan), vormen het voornaamste bewijs. De verklaringen van [benadeelde] zijn niet betrouwbaar en kunnen dan ook niet voor het bewijs worden gebezigd. [benadeelde] had – betoogt de raadsman – voorafgaand aan het incident al problemen, aangezien zich een jaar eerder een soortgelijke gebeurtenis had voorgedaan. Zij was dus een probleemkind. [benadeelde] werd niet gedwongen tot het gebruik van drugs, maar gebruikte cocaïne omdat zij dat lekker vond, getuige ook het feit dat zij breed lachend te zien is op de foto in de auto met de verdachte op die bewuste dag. Door die cocaïne gingen alle remmen los en nam zij vrijwillig het initiatief tot seksuele handelingen.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat geen sprake was van medeplegen. Zo er al sprake was van bedreiging met foto’s, dan heeft de verdachte daar niet van geweten. Uit de verklaring van de verdachte blijkt dat de verdachte met [benadeelde] en de medeverdachten naar het park is gegaan met de intentie om samen te gaan chillen, en nadat [benadeelde] avances maakte, begon op spontane wijze het seksueel contact tussen hem en [benadeelde] . Onder die omstandigheden kan niet worden gesteld dat sprake was van medeplegen van dwang, zo begrijpt het hof de raadsman.

Oordeel van het hof

Betrouwbaarheid van de door de verdachte afgelegde verklaring

De verdachte heeft – kort samengevat – het volgende verklaard. Medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna verder: [medeverdachte 1] ) had die dag het initiatief genomen om elkaar te ontmoeten. Het was de bedoeling om die dag een beetje rond te rijden in de auto en naar het park te gaan, aangezien het mooi weer was. [benadeelde] nam toen het initiatief tot seks, door hem te kussen en zijn broekriem te openen. De verdachte had nog tegen haar gezegd dat hij getrouwd was en dat zij dat niet hoefde te doen, maar zij had gezegd dat het geen probleem was.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. De verdachte heeft op 29 augustus 2015, voorafgaand aan de ontmoeting, via Whatsapp contact gehad met [medeverdachte 1] , waarbij de verdachte heeft gevraagd: ‘gaan we de Turkse neuken?’ en [medeverdachte 1] heeft geantwoord ‘Ja hoor. 1 uur’. De stelling van de verdachte dat dit niet zou zien op [benadeelde] , maar op een andere vrouw, schuift het hof als ongeloofwaardig terzijde, nu uit de verklaring van [benadeelde] (die van Turkse komaf is) blijkt dat ze op die dag om 13.00 uur ’s middags op het Mercatorplein moest zijn. Uit deze berichten en bewoordingen blijkt dat de verdachte het gezamenlijk verrichten van seksuele handelingen met [benadeelde] al gepland had, voordat hij haar op 29 augustus 2015 had ontmoet. Het hof acht dan ook de verklaring van de verdachte dat de seks spontaan, op initiatief van [benadeelde] zou hebben plaatsgevonden, en daarmee vrijwillig zou zijn geweest, ongeloofwaardig.

Betrouwbaarheid van de door [benadeelde] afgelegde verklaringen

De verklaring van [benadeelde] dat zij, op momenten dat zij eigenlijk wilde weigeren in te gaan op verzoeken om bepaalde (seksuele) handelingen te verrichten, door [medeverdachte 1] werd bedreigd met het sturen van (compromitterende) foto’s, vindt steun in WhatsApp-berichten tussen [medeverdachte 1] en [benadeelde] die zich in het dossier bevinden. De verklaring vindt bovendien steun in de verklaringen van de twee andere aanwezigen bij de gebeurtenissen op 29 augustus 2015, de medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna verder: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft verklaard tegen [benadeelde] te hebben gezegd dat ze moest komen, omdat hij anders foto’s zou sturen. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [benadeelde] constant in hun aanwezigheid onder druk werd gezet om seks te hebben met de medeverdachten, door haar te bedreigen met het sturen van foto’s naar haar moeder. Het hof acht de verklaringen van [benadeelde] op dit punt dan ook betrouwbaar.

Redengevende feiten en omstandigheden

Op basis van de verklaringen van [benadeelde] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de WhatsApp-berichten die zich in het dossier bevinden, gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden:

[medeverdachte 1] en de verdachte hebben op 29 augustus 2015 met elkaar besproken dat zij die middag om één uur seks zouden hebben met [benadeelde] . De verdachte is samen met [medeverdachte 2] in een auto naar het Mercatorplein gereden en [medeverdachte 1] is op enig moment ingestapt. [benadeelde] was door [medeverdachte 1] benaderd om om één uur ’s middags naar het Mercatorplein te komen. [medeverdachte 1] heeft [benadeelde] medegedeeld dat zij naar het plein moest komen en dat er wat met haar zou gebeuren én hij (naakt)foto’s naar haar moeder zou sturen als zij niet zou komen. [medeverdachte 1] heeft tegen de verdachte en [medeverdachte 2] gezegd dat zij seks met haar konden hebben. [benadeelde] is vervolgens op het Mercatorplein bij de drie mannen in de auto gestapt. Zij zijn richting een afgelegen park gereden. De verdachte bestuurde de auto. Uit de verklaringen blijkt dat [benadeelde] in de auto de door de verdachte voorbereide cocaïne moest snuiven, anders zou [medeverdachte 1] de eerder genoemde foto’s sturen naar haar moeder. [medeverdachte 2] en [benadeelde] hebben verklaard dat de verdachte haar een (halve) xtc-pil heeft gegeven in de auto. [benadeelde] heeft verklaard dat zij ook de xtc-pil niet wilde innemen, maar dat [medeverdachte 1] haar aankeek en zei: “Denk aan de foto’s”. In de (tweedeurs) auto heeft [medeverdachte 1] tegen [benadeelde] , die op de achterbank zat, gezegd dat zij zich uit moest kleden en seks moest hebben met de jongen en dat hij anders de foto’s zou opsturen. Vervolgens heeft zij achtereenvolgens zowel orale als vaginale seks met de verdachte en [medeverdachte 2] gehad. Daarna zijn de verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [benadeelde] teruggereden. Zij hebben [benadeelde] afgezet op het Mercatorplein.

Medeplegen

Het hof stelt vast dat, voorafgaand aan de ontmoeting met [benadeelde] , de verdachte samen met [medeverdachte 1] reeds het plan had om seksuele handelingen met [benadeelde] uit te voeren. [medeverdachte 1] heeft [benadeelde] voorafgaand aan de ontmoeting, in bijzijn van verdachte en [medeverdachte 2] , bedreigd met het sturen van foto’s indien zij niet naar hem toekwam. Vervolgens is [benadeelde] andermaal bedreigd met het sturen van foto’s om drugs te gebruiken en seks te hebben met [medeverdachte 2] en de verdachte. Die bedreigingen zijn geuit in het bijzijn van de verdachte en [medeverdachte 2] in een kleine auto. De stelling van de verdachte dat hij – voorafgaand aan het moment dat hij seks met [benadeelde] had – niet heeft geweten van deze bedreigingen, schuift het hof daarom als ongeloofwaardig terzijde. [medeverdachte 2] , die ook in de auto zat, heeft immers verklaard dat hij de bedreigingen wel heeft gehoord en dat [benadeelde] constant onder druk werd gezet. Daarbij heeft [benadeelde] verklaard dat zij wegschoof van de verdachte toen hij haar wilde uitkleden en nee zei. [medeverdachte 1] zei echter dat het moest, waarna de verdachte seks met haar had en vervolgens [medeverdachte 2] ook. [benadeelde] verklaarde: “De bestuurder wilde me uitkleden, maar ik zei: nee, schoof weg en toen kwam hij weer dichterbij en [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) zei me dat ik moest en toen heb ik me zelf maar uitgekleed. De bestuurder ging toen op me liggen.”

De verdachte wist van de geuite bedreigingen en is desondanks overgegaan tot het aanbieden van een XTC-pil aan [benadeelde] , het voor haar voorbereiden van de cocaïne en tot de ten laste gelegde seksuele handelingen. De verdachte heeft daarmee een significante bijdrage geleverd aan het ten laste gelegde feit. Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Het hof verwerpt de verweren van de raadsman.

Bespreking van een voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft gesteld dat het hof de verklaringen van [benadeelde] niet kan gebruiken, nu deze verklaringen onbetrouwbaar zijn. De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het doen uitvoeren van een onderzoek naar [benadeelde] door een deskundige, indien het hof de verklaringen van [benadeelde] wel betrouwbaar acht en gebruikt. [benadeelde] kampt met veel problemen en er moet uitgezocht worden wat haar problemen zijn, hoe die zijn ontstaan, en wat voor gevolgen dat heeft voor haar psyche en haar betrouwbaarheid, aldus de raadsman.

Het hof wijst het verzoek van de raadsman af, nu de noodzaak van het gevraagde onderzoek niet is gebleken. Zoals uit het hiervoor overwogene en uit de bewijsmiddelen blijkt, wordt de verklaring van [benadeelde] , zowel wat betreft de seksuele handelingen als wat betreft de uitgeoefende dwang, ondersteund door de verklaringen van beide medeverdachten en door aangetroffen WhatsApp-berichten. De betrouwbaarheid van dat steunbewijs is door de raadsman niet betwist. Een onderzoek zoals door de raadsman verzocht is dan ook niet noodzakelijk.

Bewijsmiddelen

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2018.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik heb mijn naam gewijzigd van [verdachte] naar [medeverdachte 1] .

Op 29 augustus 2015 bestuurde ik een auto, waarin ook zaten [benadeelde] (het hof begrijpt hier en verder: [benadeelde]), [medeverdachte 2] (het hof begrijpt hier en verder: de medeverdachte [medeverdachte 2]) en [medeverdachte 1] (het hof begrijpt hier en verder: de medeverdachte [zoon van]). [benadeelde] en ik gingen achterin zitten. Het klopt dat [benadeelde] en ik hebben geneukt.

2. Een proces-verbaal met nummer 2015195011-2 van 30 augustus 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 1 01 tot 1 05).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [benadeelde] , geboren op 2 januari 2000, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ozcan vertelde dat hij foto’s had van mij. Ik denk dat het naaktfoto’s waren. Ik heb met [medeverdachte 1] afgesproken om 13.00 uur (het hof begrijpt: op 29 augustus 2015). Ik zag dat hij 2 vrienden bij zich had. Ze waren in een kleine grijze auto met 2 deuren.

We zijn naar verschillende plekken gegaan. Uiteindelijk zijn we naar een park gereden. Ik weet de naam van het park niet maar het kan Spaarnwoude zijn. [medeverdachte 1] vroeg namelijk of ik het park herkende van de vorige keer, en over die keer had hij gezegd dat het Spaarnwoude was.
Ik heb ook vaginale seks met die twee jongens gehad. Niet met [medeverdachte 1] . Het gebeurde na het pijpen, toen we in het park waren.

3. Een proces-verbaal met nummer 2015195011 van 31 augustus 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (doorgenummerde pag. 2 01 tot 2 13).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [benadeelde] , geboren op 2 januari 2000, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Zaterdag 29 augustus 2015 appte hij: “Om 13.00 uur zie ik je bij Mercator”. Ik zei: “Vandaag kan het niet, ik kan het huis niet uit”. Hij zei: “Hoe vaak moet ik het je nog zeggen, wat ik zeg dat gebeurt en anders gebeurt er iets met jou”. Anders zou hij die foto’s zogenaamd in de brievenbus gaan doen.

Hij zei dat het die foto’s waren van die ene nacht.

Ik ben toen toch het huis uit gegaan naar Mercatorplein in Amsterdam. Hij kwam toen weer met de auto met twee vrienden van hem. Hij stapte uit de auto. Hij zei tegen mij “Stap in de auto”. Ik vroeg waar we heen gingen en hij zei dat ik dat vanzelf wel zou zien. Toen stapte ik in de auto. Toen gingen we naar het park rijden. Toen gingen we ergens stoppen op een plek waar wel wat auto’s achterlangs kwamen, maar er zat riet voor enzo dus het was wel een beetje ongezien.

[medeverdachte 1] en één van die andere jongens gingen de auto uitstappen en toen kwam [medeverdachte 1] terug en

hadden ze poeder en dat gingen ze opsnuiven. Hij keek me aan en ik zei “Nee ik wil dat niet”. Hij keek boos dus vervolgens heb ik het toch gedaan. Die ene jongen die aan het stuur was, gaf me een halve blauwe pil. Ik ging een beetje dwingen van ‘nee, nee’, omdat ik het niet wilde. Toen ging hij [medeverdachte 1] roepen en zei [medeverdachte 1] tegen hem, ze wil het niet. Vervolgens zei hij in mijn oor “Doe niet moeilijk want dan weet je wat er gaat gebeuren”. Toen ging ik die pil innemen. Daarna werd ik slecht, ik was buitengesloten. Ik hoorde ze wel maar ik luisterde niet echt naar ze. Ik was een beetje moe. Die jongen die achter het stuur zat kwam toen achterin bij mij zitten. [medeverdachte 1] en die andere jongen zaten voor. Hij ging zijn T-shirt uitkleden en begon hij hier aan me te zitten (wijst naar schouder/borst).

Toen wilde die jongen mijn T-shirt uitdoen, ik zei nee en toen keek [medeverdachte 1] me boos aan. Eerst moest ik hem pijpen en vervolgens moest ik seks met hem hebben.

Toen was hij klaar en ging hij de auto uitstappen. Hij zei tegen mij: “Lig maar”, want ik voelde me niet goed. Toen kwam die andere jongen naast me zitten en moest ik precies hetzelfde met hem doen: pijpen en seks met hem hebben.

Toen hebben ze me afgezet op Mercatorplein.

Hij had mij ook een spraakbericht gestuurd met “kankervieze slet, ik zei dat je om één uur hier

moest zijn”.

Toen hij zei over die foto’s werd ik bang.

4. Een proces-verbaal met nummer 2015195011 van 22 oktober 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (doorgenummerde pag. 2 15 tot 2 19).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [benadeelde] , geboren op 2 januari 2000, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ozcan belde dat ik moest komen (het hof begrijpt: op zaterdag 29 augustus 2015). Hij zei me: ‘kom maar hier’. Dat is het Mercatorplein. Daar kwam [medeverdachte 1] met een auto met twee mannen. We zijn een keer een snelweg opgegaan en toen gingen we een park in. Daar gingen ze parkeren. Toen kwam de bestuurder bij me achterin zitten. De bestuurder ging aan me zitten. De bestuurder wilde me uitkleden, maar ik zei: nee. Ik schoof weg en toen kwam hij weer dichterbij en [medeverdachte 1] zei me dat ik moest en toen heb ik mezelf uitgekleed. Die bestuurder ging toen op me liggen.

5. Een proces-verbaal met nummer 2015195011 van 5 november 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (doorgenummerde pag. 5 123 tot 5 131).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] , voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

A: [verdachte] en ik waren samen in een kleine wagen met twee deuren op het Mercatorplein. [medeverdachte 1] heeft [verdachte] geroepen om daar te praten. We hebben op het Mercatorplein met [medeverdachte 1] gesproken. [medeverdachte 1] was daar lopend en alleen. Hij heeft gezegd dat daar een meisje was. Hij zei dat het meisje bereid was om te geven.
V: Ik zal je nog een keer een foto laten zien.
A: Ja, dat is hem, dat is de jongen die mij heeft geroepen op de dag van de seks. Het kan dat het 29 augustus was.

[medeverdachte 1] had gezegd “Er is een meisje die kan geneukt worden.” [verdachte] (het hof begrijpt hier en verder: de verdachte) en ik waren samen in een kleine auto met twee deuren. [medeverdachte 1] zegt tegen [verdachte] “Er is een Turks meisje.” We hebben op het Mercatorplein met hem gesproken. Hij heeft gezegd dat daar een meisje was. Hij zei dat dat meisje bereid was om te geven.

V: Waar zat jij in de auto?

A: Ik zat voorin de auto naast [verdachte] . [verdachte] stuurde de auto.

A: Ik hoorde dat [medeverdachte 1] heeft het meisje gebeld, in de auto. [medeverdachte 1] spreekt met dat meisje in het Turks. Dat gesprek ging over of we elkaar zullen ontmoeten.

A: [medeverdachte 1] heeft gezegd: Als je niet komt. dan zal ik de fotos naar je moeder sturen.”

A: Dat meisje werd gebeld en haar werd gezegd: “We willen jou neuken.” [medeverdachte 1] zegt tegen [verdachte] , voordat hij gebeld heeft: “Er zal een meisje aankomen. Kijk, dat meisje zal komen voor seks.”

A: [medeverdachte 1] zegt “We zullen dit meisje meenemen. We zullen dichtbij het water gaan en we zullen het doen. We zullen seks hebben.” Ik wist dat er een meisje zou komen om seks mee te hebben. [verdachte] zou seks met haar hebben en [medeverdachte 1] ook. [medeverdachte 1] is de verkoper van dit meisje. Dat meisje wordt constant onder druk gezet om seks te hebben. [medeverdachte 1] heeft in onze aanwezigheid het meisje onder druk gezet. [medeverdachte 1] zei: “Je moet met deze jongen seks hebben anders stuur ik de foto’s naar je moeder.”

Hij heeft haar met de foto’s bedreigd. Het is niet verkopen maar iets wat daar op lijkt. Het was een beetje onder druk zetten. [verdachte] heeft cocaïne gegeven aan [medeverdachte 1] in ruil voor de seks.

A: [verdachte] zat achter het stuur, ik zat achterin en [medeverdachte 1] zat naast de bestuurder. Ik zat achter [verdachte] en het meisje zat naast mij.
Dat meisje heeft ook verdovende middelen gebruikt. [verdachte] heeft iets voorbereid voor haar en [medeverdachte 1] heeft gezegd tegen [benadeelde] : Of je gaat dit opsnuiven of ik laat de foto’s aan je moeder zien.” Het meisje was niet blij.

A: [verdachte] heeft cokedingetjes voorbereid. Hij heeft twee lijntjes gemaakt. Een voor zichzelf en eentje voor [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] zei tegen [verdachte] : “Maak er ook eentje voor het meisje die moet ook snuiven." Dat is het eerste dat er gebeurde toen we bij het water aankwamen. Ze deden dit door het met een opgerold bankbiljet op te snuiven. Het meisje heeft zelf niet gevraagd om cocaïne. [medeverdachte 1] heeft haar gedwongen om te gebruiken. Het meisje zei: “Nee. ik wil dit niet snuiven.” [medeverdachte 1] zei: “Je moet snuiven anders stuur ik de foto’s naar je moeder.”

Ik heb seks gehad met dit meisje. Ik heb haar geneukt. Ze heeft mij gepijpt. Ik ben drie keer met mijn penis binnen gegaan. Op de achterbank heb ik seks met haar gehad. Tijdens het neuken heeft [verdachte] haar extacy gegeven. Een halve pil. Dat heeft hij me verteld.

6. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2015195011 van 13 oktober 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , doorgenummerde pag. 3 4 – 3 11.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 29 augustus 2015 werd de mobiele telefoon van [benadeelde] , geboren op 2 januari 2000, in beslag genomen. Uit het onderzoek naar de inhoud kwam onder andere naar voren dat er WhatsApp berichten in de vorm van foto’s waren opgeslagen. Een deel van deze berichten was afkomstig van een persoon die in de telefoon stond opgeslagen onder de naam Xx en die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] , op naam van [naam] , [adres 2] te Amsterdam. Op dit adres is tevens ingeschreven de zoon van [naam] , [zoon van] (roepnaam [medeverdachte 1] ) [medeverdachte 1] , geboren op 21 september 1997. Gezien de verklaring van [benadeelde] en de inhoud van de WhatsApp-berichten is [medeverdachte 1] vermoedelijk de gebruiker van voornoemd telefoonnummer. Omdat er van de gesprekken een screenshot is gemaakt, is daarvan niet te achterhalen op welke datum ze zijn gevoerd. De berichten zijn in de volgorde weergegeven zoals ze in de telefoon van Ece [benadeelde] zijn aangetroffen.

Vanaf het nummer toegeschreven aan [medeverdachte 1] : Je moet mij niet zeggen ‘als ik naar buiten kan’. Ik neuk je in de kut, speel je met mij een spelletje. Wat heb je gisteren tegen mij gezegd. nu heb ik je, je zult zien waar ik je foto’s achter ga laten. Ik gooi je foto’s in je post. Ik meen het echt, dan doe ik al je foto’s op de post.

7. Een proces-verbaal met nummer 2015195011 van 15 oktober 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 8] (doorgenummerde pag. 5 29).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] , voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik was met [verdachte] in de auto. Ik zei tegen [verdachte] dat [benadeelde] niet wilde komen. Dat was de afspraak die ik met [verdachte] had. Toen we naar Spaarnwoude gingen. Toen heeft hij me tips gegeven en alles wat hij zei heb ik geappt naar haar. [verdachte] wist van vroeger dat ik fotos had gemaakt, die heb ik vroeger aan [verdachte] laten zien.

8. Een proces-verbaal onderzoek telefoon met nummer 2015195011 van 5 november 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , doorgenummerde pag. 3 32 – 3 34.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

De inhoud van de telefoon van verdachte [medeverdachte 1] is veiliggesteld en door mij bekeken. Ik zag dat in de contactenlijst de naam “ [benadeelde] ” was opgeslagen. Het opgeslagen nummer herkende ik als het bij de politie bekende nummer van [benadeelde] Verder trof ik de naam “ [verdachte] ” aan in zijn contactenlijst. [verdachte] is de bijnaam van verdachte [verdachte] (noot hof: die inmiddels [medeverdachte 1] heet). Ik trof een WhatsApp gesprek aan tussen verdachte en [verdachte] . In het gesprek van 29 augustus 2015 vond het volgende gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] (O) en [verdachte] (M):

M: Ok. Gaat het lukken?

O: Ja hoor. Veel gaat lukken. We gaan centjes met haar verdienen.

M: Met ze… gaan we de Turkse neuken?

O: Ja hoor. 1 uur.

9. Een proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2017 in de zaak van [medeverdachte 1] (parketnummer 13/665500-15).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als de ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte [medeverdachte 1] :

U vraagt mij naar het in zaak A onder 2 ten laste gelegde (het hof begrijpt: de gebeurtenissen op 29 augustus 2015). We mochten van [verdachte] cocaïne gebruiken. Die vrienden van me hebben mij gebruikt om [benadeelde] te regelen. Ik had haar geregeld met bedreigingen, door die foto’s en toen kwam ze mee. U vraagt mij of ik denk dat ik het voor [verdachte] en [medeverdachte 2] gemakkelijk heb gemaakt seks met [benadeelde] te hebben. Dat denk ik wel.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:
hij op 29 augustus 2015 te Amsterdam en in Spaarnwoude, tezamen en in vereniging met anderen, door feitelijkheden en door bedreiging met een feitelijkheid E. [benadeelde] , geboren op 2 januari 2000 en welke zich in een kwetsbare positie bevond, meermalen heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , hebbende verdachte en zijn mededaders die [benadeelde] telkens gedwongen te dulden

- dat die [benadeelde] verdachte en een van zijn mededaders moest pijpen en

- dat verdachte en een van zijn mededaders hun penissen in de vagina van die [benadeelde] brachten

en bestaande die feitelijkheden en die bedreiging met die feitelijkheid hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- tegen die [benadeelde] heeft gezegd dat zij naar hem, verdachte, en zijn mededaders moest komen en dat als zij niet zou komen er wat met haar zou gebeuren en een van zijn mededaders naaktfoto's van die [benadeelde] in de brievenbus van de moeder van die [benadeelde] zou doen en

- tegen die [benadeelde] heeft gezegd dat ze in een auto moest stappen en

- die [benadeelde] hebben gedwongen cocaïne te snuiven en

een halve blauwe pil te slikken, waardoor die [benadeelde] zich slecht begon te voelen, door tegen die [benadeelde] te zeggen dat ze wist wat er zou gebeuren als die [benadeelde] dat niet zou doen

terwijl voornoemde handelingen plaatsvonden op de achterbank van een kleine tweedeurs auto waarbij steeds verdachte en/of zijn mededaders aanwezig waren en aldus voor die [benadeelde] een bedreigende situatie hebben doen ontstaan.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

verkrachting, gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een persoon beneden de leeftijd van 18 jaar bij wie misbruik van een kwetsbare positie wordt gemaakt.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

Oordeel van de rechtbank en standpunten van partijen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan drie voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, zonder bijzondere voorwaarden.

De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte – voor het subsidiair ten laste gelegde, gelet op de bepleite vrijspraak voor het primair ten laste gelegde – geen hogere straf wordt opgelegd dan een vrijheidsstraf gelijk aan het voorarrest.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan verkrachting van een vijftienjarig meisje. Hij en zijn mededaders hebben het meisje gedwongen seksueel gemeenschap met hem en zijn mededader te hebben en hen oraal bevredigen door haar te dreigen met het verspreiden van naaktfoto’s van haar. Zij zijn met zijn vieren naar een afgelegen plek gereden en het slachtoffer heeft door toedoen van de verdachte en zijn mededader verdovende middelen geslikt, waardoor sprake was van bedwelming van het slachtoffer. De verdachte en zijn mededaders hebben misbruik gemaakt van de afhankelijke situatie waarin het slachtoffer zich bevond, nu zij nog een uiterst jong en om die reden kwetsbaar meisje was en van de sfeer van intimidatie en dreiging waarin zij ten tijde van de verkrachting mede door toedoen van de verdachte was komen te verkeren. Het hof neemt de verdachte zijn handelen extra kwalijk vanwege het evident grote leeftijdsverschil tussen hem en het slachtoffer. De verdachte heeft zijn lustgevoelens gesteld boven het belang van het slachtoffer en zich daarbij niet bekommerd om haar gevoelens en op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het kan niet anders dan dat de verkrachting voor haar een vernederende, kwetsende en beangstigende ervaring is geweest. Zij was alleen met drie oudere jongens en zat op de achterbank van een tweedeurs auto waaruit ze niet zomaar weg kon op een afgelegen, haar niet goed bekende plaats. Het slachtoffer heeft nog lange tijd de enorme psychische gevolgen ondervonden van deze gebeurtenis en ondervindt deze nog steeds, zoals blijkt uit haar schriftelijke slachtofferverklaring.

In het nadeel van verdachte weegt het hof mee dat de verdachte op geen enkel moment, ook niet ter terechtzitting, er blijk van heeft gegeven zich te realiseren wat hij het slachtoffer heeft aangedaan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 januari 2018 is hij eerder voor andersoortige strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld.

Vanwege de bijzondere ernst van het feit kan niet worden volstaan met een andere straf dan met een vrijheidsstraf met een onvoorwaardelijk deel van fikse duur. Daarbij heeft het hof acht geslagen op het LOVS oriëntatiepunt voor verkrachting, te weten 24 maanden gevangenisstraf. In dit geval zijn er verschillende strafverzwarende omstandigheden van toepassing, waaronder de jonge leeftijd van het slachtoffer en de omstandigheid dat er meer daders waren. Het hof acht de totale duur van de door de advocaat-generaal gevorderde straf, 36 maanden, passend. Het hof zal een deel van die straf in voorwaardelijke vorm opleggen, om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten, meer in het bijzonder zedendelicten, te plegen. Het hof zal, gelet op de ernst van het feit, een groter deel van de totaal op te leggen straf in onvoorwaardelijke vorm opleggen dan door de advocaat-generaal gevorderd.

Het hof ziet, anders dan de rechtbank en anders dan geadviseerd door de reclassering, geen aanleiding om bijzondere voorwaarden op te leggen. Daarbij weegt het hof mee dat ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte hier absoluut niet voor gemotiveerd is.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De vordering

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.272,00, bestaande uit € 9.000,00 immateriële schade en € 272,00 materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.272,00, bestaande uit € 3.000,00 immateriële schade en € 272,00 materiële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Gebleken is dat de gehele vordering in gelijke omvang tevens is ingediend in de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 2] en in de strafzaak tegen een verdachte met betrekking tot de beschuldiging van een zedendelict op 28 augustus 2015.

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het primair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Deze vordering van € 272,00, is onderbouwd met stukken. Het hof relateert de kosten van € 272,00 voor twee derde deel aan het onderhavige strafbare feit, en zal daarom een bedrag van € 181,33 toekennen, hoofdelijk op te leggen en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, zijnde 29 augustus 2015. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de materiële vordering niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Niet betwist is dat aan de benadeelde partij door het primair bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Er is sprake geweest van een ernstige inbreuk op haar lichamelijke integriteit. De benadeelde partij heeft voldoende concrete en objectieve gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat ten gevolge van het strafbare feit psychisch leed bij haar is ontstaan, waarvoor zij professionele behandeling heeft gekregen, te weten traumagerichte cognitieve gedragstherapie. Het hof begroot de immateriële schade die rechtstreeks door verdachte in vereniging met zijn mededaders is toegebracht aan de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit gepleegd op 29 augustus 2015, voor zover op basis van de thans beschikbare gegevens vast te stellen, naar billijkheid op € 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, hoofdelijk op te leggen.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor het deel dat € 3.000,00 overschrijdt, een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Kosten rechtsbijstand

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg verzocht een bedrag van € 3.811,50 aan kosten voor rechtsbijstand te vergoeden. De rechtbank heeft, conform het liquidatietarief in civiele zaken, voor het opstellen van een vordering en het bijwonen van de behandeling ter terechtzitting twee punten toegekend ad € 384,00 per punt. In totaal heeft de rechtbank de rechtsbijstandskosten daarom voor een bedrag van € 768,00 toegekend.

In hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij meegedeeld dat zij instemt met de toepassing van het liquidatietarief. Zij heeft daarnaast meegedeeld dat zij de benadeelde partij in hoger beroep op toevoeging bijstaat, zodat zij alleen de proceskosten voor de procedure in eerste aanleg vordert.

Het hof begroot de kosten voor rechtsbijstand daarom op een bedrag van € 768,00.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63, 242 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.181,33 (drieduizend honderdeenentachtig euro en drieëndertig cent) bestaande uit € 181,33 (honderdeenentachtig euro en drieëndertig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 768,00 (zevenhonderdachtenzestig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.181,33 (drieduizend honderdeenentachtig euro en drieëndertig cent) bestaande uit € 181,33 (honderdeenentachtig euro en drieëndertig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 41 (eenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op

29 augustus 2015.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. P.F.E. Geerlings en mr. F.G. Hijink, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 maart 2018.

=========================================================================

[…]