Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1634

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-02-2018
Datum publicatie
28-05-2018
Zaaknummer
23-002120-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Medeplegen van wegmaken van een pet en openlijk geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002120-17

datum uitspraak: 15 februari 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland van 6 juni 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-143006-16 (hierna: zaak A), 15-245113-16 (hierna: zaak B) en 15-052282-17 (hierna: zaak C) en tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak C is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 oktober 2017 en 1 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dat:

Zaak A:
hij op of omstreeks 30 april 2016 te Heerhugowaard tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een petje, althans hoofddeksel (Merk: DEUS, kleur: ZWART), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft weggemaakt door dit petje van het hoofd van die [slachtoffer 1] te pakken en over en weer aan zijn mededader(s) (terug) te geven.

Zaak B:
hij op of omstreeks 29 oktober 2016 te Obdam, gemeente Koggenland, openlijk, op een voor publiek toegankelijke plaats, te weten op het perron van het station in Obdam, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het vastpakken en/of meerdere malen slaan en/of schoppen (terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof in zaak A tot een andere bewezenverklaring komt dan de kinderrechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A:
hij op 30 april 2016 te Heerhugowaard tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een petje, merk: Deus, kleur: zwart, toebehorende aan [slachtoffer 1], heeft weggemaakt door dit petje van het hoofd van die [slachtoffer 1] te pakken en aan zijn mededaders te geven.

Zaak B:
hij op 29 oktober 2016 te Obdam, gemeente Koggenland, openlijk, op een voor publiek toegankelijke plaats, te weten op het perron van het station in Obdam, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het slaan en schoppen terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag.

Hetgeen in zaak A en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, wegmaken.

Het in zaak B bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

Vonnis van de kinderrechter en standpunten van partijen

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A en zaak B bewezen verklaarde veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde een meldplicht en toezicht en begeleiding.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A en zaak B ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 50 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De raadsman heeft verzocht dat een lagere straf wordt opgelegd dan de door de kinderrechter opgelegde straf.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft de pet van een andere minderjarige kwijtgemaakt. Dat is een vervelend en hinderlijk feit.

De verdachte heeft zich daarnaast samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De verdachte, toen zestien jaar oud, heeft samen met leeftijdgenoten op een treinperron het slachtoffer, een man van 47 jaar oud, geschopt en geslagen terwijl die op de grond lag. Het slachtoffer heeft daarbij letsel opgelopen in de vorm van onder meer schaafplekken en zwellingen op zijn beide armen en benen. Dat is een ernstig feit, waarmee de verdachte op uiterst grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 januari 2018 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld, zodat het hof hem als zogeheten first offender aanmerkt.

Bij het bepalen van de straf heeft het hof acht geslagen op het over de verdachte opgemaakte rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 26 mei 2017 en op hetgeen overigens ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is gebleken, onder meer verwoord door de vertegenwoordigster van de Jeugd- en Gezinsbeschermers. Daaruit is naar voren gekomen dat de verdachte geen opleiding volgt en geen werk heeft. Zijn respectloze houding is zorgelijk. Wel komt de verdachte zijn afspraken met de reclassering na en heeft hij de eerste fase van het project Turnover, een traject waarbij sport centraal staat en jongeren onder meer naar werk worden begeleid, succesvol afgerond. De vertegenwoordigster heeft verklaard zich aan te sluiten bij het advies van de Raad voor de Kinderbescherming om een gedeeltelijk voorwaardelijke werkstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een meldplicht.

Het hof heeft bij het bepalen van de strafmaat voorts rekening gehouden met het feit dat het slachtoffer zich bij de openlijke geweldpleging niet onbetuigd heeft gelaten en dat de verdachte zelf ook bij de openlijke geweldpleging gewond is geraakt. Evenwel is het hof van oordeel dat het door de verdachte en zijn mededaders gebruikte geweld een werkstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigt. Bij het bepalen van de hoogte van de werkstraf heeft het hof ook de nonchalante en weinig respectvolle houding van verdachte ter terechtzitting betrokken, waaruit de indruk ontstaat dat hij de ernst van de feiten en van de strafvervolging niet inziet. Tot slot heeft het hof bij de oplegging van de straf acht geslagen op de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd. Het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen werkstraf zal vanwege de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte hoger uitvallen dan is gevorderd door de advocaat-generaal en door de kinderrechter is opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke werkstraf van na te melden duur, en met als bijzondere voorwaarde een meldplicht met toezicht en begeleiding, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 29,99. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Nu het hof de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk houdt voor het in zaak A bewezen geachte feit, is daarmee de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor de daaruit rechtstreeks voortvloeiende schade gegeven. De gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij zijn door de verdediging niet betwist. De verdachte is, samen met zijn mededaders, tot vergoeding van de schade gehouden, zodat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak C (met parketnummer 15-052282-17) ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A (met parketnummer 15-143006-16) en in zaak B (met parketnummer 15-245113-16) ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A (met parketnummer 15-143006-16) en in zaak B (met parketnummer 15-245113-16) bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte verplicht is zich gedurende de proeftijd te melden bij De Jeugd- & Gezinsbeschermers, afdeling Jeugdreclassering, werkzaam in opdracht van de gemeente Haarlem, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen zo vaak en zolang deze instelling dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Haarlem, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in zaak A (met parketnummer 15-143006-16) bewezen verklaarde tot het bedrag van € 29,99 (negenentwintig euro en negenennegentig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het in de zaak A (met parketnummer 15-143006-16) bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 29,99 (negenentwintig euro en negenennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 april 2016.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. F.G. Hijink, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 februari 2018.

Mr. N.R.A. Meerbeek is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]