Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1620

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
28-05-2018
Zaaknummer
23-00189-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor r medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0467
JERF 2018/222
JERF 2018/218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001839-17

datum uitspraak: 17 mei 2018

TEGENSPRAAK (raadsvrouw gemachtigd)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers

13-528176-09 (zaak A) en 13-706119-17 (zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 en 6 april 2018 en 7 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis ten aanzien van zaak B is door verdachte hoger beroep ingesteld. Het openbaar ministerie heeft zijn hoger beroep tegen het vonnis ten aanzien van zaak A op 29 maart 2018 ingetrokken.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

Zaak B
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 februari 2009 tot en met 24 februari 2009 te Rotterdam en/of Mijdrecht en/of Amsterdam en/of Diemen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van voornoemde [slachtoffer] te verhelen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

- het lijk van voornoemde [slachtoffer] in één of meer stukken gedeeld en/of

- het lijk, althans een of meer delen van het lijk, van voornoemde [slachtoffer] in plastic en/of een sprei en/of een (hoes)laken en/of een dekbedovertrek en/of een handdoek gewikkeld en/of

- het lijk, althans een of meer delen van het lijk, van voornoemde [slachtoffer] in een koffer en/of (plastic) tas(sen) en/of vuilniszak(ken) gestopt en/of

- voornoemde koffer en/of (plastic) tas en/of vuilniszak (met daarin een of meer delen van het lijk van voornoemde [slachtoffer] ) verplaatst en/of in (de achterbak van) een motorvoertuig gelegd en/of

- voornoemde koffer en/of (plastic) tas en/of vuilniszak (met daarin een of meer delen van het lijk van voornoemde [slachtoffer] ) naar Amsterdam en/of Diemen vervoerd en/of

- voornoemde koffer en/of (plastic) tas en/of vuilniszak (met daarin een of meer delen van het lijk van voornoemde [slachtoffer] ) in het water gelaten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. Verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van zaak B een andere bewijsconstructie hanteert en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij tot een andere beslissing komt.

Bewijsoverwegingen

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bij pleidooi – samengevat weergegeven – aangevoerd dat verdachte geen van de handelingen zoals gespecificeerd onder de zes gedachtestreepjes in de tenlastelegging zelf heeft verricht en hij aldus geen uitvoeringshandelingen heeft verricht. Er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, aldus de raadsvrouw, zodat vrijspraak dient te volgen.

Overwegingen van het hof

Inleiding 1

Op 24 februari 2009 zijn lichaamsdelen van een jonge man aangetroffen in het water van het IJ-meer aan de Diemerzeedijk te Amsterdam2. Het bleek te gaan om een 29-jarige Ierse man genaamd [slachtoffer]3. Uit onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] op 17 februari 2009 door messteken om het leven is gebracht in een appartement aan de [adres] te Rotterdam (hierna: het appartement in Rotterdam) en dat, op enig moment in de daarop volgende dagen, zijn lichaam met een kettingzaag in stukken is gedeeld die vervolgens zijn verpakt en in het water van het IJ-meer te Amsterdam zijn gelaten4. Aan verdachte wordt kort gezegd verweten het (met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) medeplegen van het onttrekken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aan nasporing.

Beoordelingskader
Medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële of intellectuele bijdrage van verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Redengevende feiten en omstandigheden
Verdachte heeft verklaard dat hij na de gewelddadige dood van [slachtoffer] op 17 februari 2009 een laken over diens lichaam heeft gelegd. Verdachte en zijn beide medeverdachten konden de politie niet bellen omdat zij alle drie op de vlucht waren voor de politie. Verdachte heeft tegen zijn medeverdachten gezegd dat het lichaam van [slachtoffer] niet kon blijven in het appartement in Rotterdam5. Verdachte heeft besloten om die nacht met de medeverdachten naar de woning van [slachtoffer] in Mijdrecht te vertrekken. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren daar volgens verdachte nooit eerder geweest6. Verdachte heeft de sleutel van de woning van [slachtoffer] in Mijdrecht van diens sleutelbos gehaald7. Die sleutels zaten aan de autosleutels van [slachtoffer]8. Gedrieën zijn ze in de vroege ochtend van 18 februari 2009 met twee auto’s naar Mijdrecht gereden: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de Volkswagen Polo van [slachtoffer] en verdachte in zijn eigen Audi A49. Deze verklaring van [getuige 1] wordt ondersteund door de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer in gebruik bij [getuige 1] (*2759) en het nummer dat in gebruik was bij de medeverdachten (*6271)10. Daaruit blijkt dat deze telefoons in de late avond van 17 februari 2009 en in de vroege ochtend van 18 februari 2009 op diverse tijdstippen een zendmast in de omgeving van het appartement in Rotterdam aanstralen en zich vervolgens richting Mijdrecht verplaatsen11.

Verdachte heeft verder verklaard dat [medeverdachte 2] hem heeft verteld dat hij, [medeverdachte 2] , het lichaam van [slachtoffer] met een kettingzaag heeft gedeeld12. Dit vindt bevestiging in het feit dat in de bemonstering van de stekker van een aangetroffen kettingzaag een DNA-mengprofiel is gevonden waarvan [medeverdachte 2] en [slachtoffer] hoogstwaarschijnlijk twee donoren zijn13. Verder zijn er DNA-sporen van [slachtoffer] , vermoedelijk vetweefsel, op de kettingzaag aangetroffen evenals sporen van textiel die overeenkomen met de stoffen waarin de lichaamsdelen van [slachtoffer] waren gewikkeld. Op een van de textielsporen is bovendien bloed van [slachtoffer] gevonden14.

Volgens [getuige 1] heeft [medeverdachte 1] hem verteld dat de lichaamsdelen van [slachtoffer] zich hebben bevonden in de Volkswagen Polo van [slachtoffer] die buiten voor de woning in Mijdrecht stond geparkeerd15. Verdachte is samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar het appartement in Rotterdam gegaan om schoon te maken. Verdachte heeft daar bloed verwijderd16. Ook is schoonmaakmateriaal zoals doeken, handschoenen en handdoeken weggegooid en voorts hebben zij persoonlijke bezittingen van [slachtoffer] en een TV meegenomen en verkocht17. Deze verklaring van [getuige 1] wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 2] die bevestigt dat hij elektronische apparatuur heeft gekocht van Engelssprekende mannen in een Audi18.

In de avond van 23 februari 2009 zijn verdachte - nog steeds volgens zijn eigen verklaringen - en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit de woning van [slachtoffer] in Mijdrecht vertrokken en rondom Amsterdam gaan rijden op zoek naar een rivier om de lichaamsdelen van [slachtoffer] , die zich in de VW Polo bevonden, weg te maken. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] reden in de Polo met daarin het stoffelijk overschot van [slachtoffer] en verdachte reed achter ze aan in zijn Audi. Terwijl de lichaamsdelen van [slachtoffer] door de medeverdachten in het water werden gelaten stond verdachte op de vluchtstrook bij een oprit van een snelweg op de uitkijk. Verdachte kon aldus de politie afleiden in geval er politie zou verschijnen19. Direct na het te water laten van de lichaamsdelen van [slachtoffer] zijn verdachte en zijn medeverdachten via Frankrijk naar Engeland gereden met de Audi van verdachte, nadat de VW Polo van [slachtoffer] in Amsterdam is geparkeerd en achtergelaten20.

Uit de historische verkeergegevens blijkt dat er op diverse momenten in de periode tussen 17 en 24 februari 2009 telefonisch contact is geweest tussen [getuige 1] (*2759) en het nummer dat in gebruik was bij de medeverdachten (*6271), zo ook in de avond van 23 februari 2009. Beide nummers bevonden zich mede in de buurt van de locatie waar de stoffelijke resten van [slachtoffer] in het water zijn gebracht21. Voorts valt uit die gegevens af te leiden dat de door de verdachten gebruikte telefoons op 17, 18 en 23 februari 2009 met grote regelmaat in elkaars buurt uitpeilen en overeenkomende reisbewegingen laten zien22.

Beoordeling door het hof
Op grond van voornoemde en navolgende feiten en omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten in de periode van 17 tot en met 23 februari 2009 erop gericht waren om gezamenlijk het lichaam van [slachtoffer] te verbergen, weg te voeren en weg te maken, dit alles met het oogmerk om het overlijden van [slachtoffer] en/of de gewelddadige doodsoorzaak te verhelen en om aan strafvervolging te ontkomen. Het hof overweegt daarbij dat alle drie de verdachten bewust niet de autoriteiten hebben ingelicht en daarmee het door artikel 151 Sr beschermde belang hebben geschonden.

Aan de overige ten laste gelegde gedragingen heeft verdachte, bezien vanuit het hiervoor omschreven vertrekpunt dat hij bewust geen melding van het overlijden en de doodsoorzaak heeft gemaakt, een materiële en intellectuele bijdrage geleverd die naar het oordeel van het hof van voldoende gewicht is om van medeplegen te spreken. Verdachte en zijn medeverdachten hebben het stoffelijk overschot van [slachtoffer] geruime tijd, zes dagen lang, verborgen gehouden. In die dagen zijn de verdachten vaak bij elkaar geweest en hebben zij in nauw (telefonisch) contact met elkaar gestaan. Het was verdachte die tegen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] had gezegd dat het lichaam van [slachtoffer] niet in Rotterdam kon blijven. Verdachte heeft zijn medeverdachten de avond nadat [slachtoffer] was omgebracht meegenomen naar het appartement van [slachtoffer] in Mijdrecht, waar de medeverdachten nooit eerder waren geweest. Hij heeft aan hen de beschikking gegeven over de auto van [slachtoffer] waarin later, naar verdachte wist, de lichaamsdelen van [slachtoffer] werden verborgen en vervoerd. Ze zijn gedrieën naar Rotterdam gegaan om het appartement in Rotterdam schoon te maken en om spullen van [slachtoffer] te verkopen. Verdachte heeft actief geholpen met het schoonmaken van het appartement waar [slachtoffer] om het leven is gebracht, waarbij schoonmaakmateriaal is weggegooid. Hij is met zijn medeverdachten naar de plaats gereden waar het lichaam van [slachtoffer] uiteindelijk is gedumpt en hij heeft ook daaraan een wezenlijke bijdrage geleverd. Uit de telefonische contacten die hebben plaatsgevonden in de periode tussen 17 en 24 februari 2009 tussen verdachte en zijn medeverdachten leidt het hof af dat er overleg heeft plaatsgevonden over hun voorgenomen vlucht naar Engeland en over het, vóórdat die vlucht kon plaatsvinden, verbergen, wegvoeren en wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] en diens auto en over de locaties waar dat zou dienen te geschieden. Op grond van al deze feiten en omstandigheden merkt het hof verdachte als medepleger aan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


Zaak B
hij in de periode van 17 februari 2009 tot en met 23 februari 2009 te Rotterdam en/of Mijdrecht en/of Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen, weggevoerd en weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] te verhelen, immers hebben verdachte en zijn mededaders,

- het lijk van [slachtoffer] in stukken gedeeld en

- delen van het lijk van [slachtoffer] in plastic, een sprei, een hoeslaken, een dekbedovertrek en een handdoek gewikkeld en

- delen van het lijk van [slachtoffer] in een koffer, plastic tassen en vuilniszakken gestopt en

- voornoemde koffer, plastic tas en vuilniszak met daarin delen van het lijk van [slachtoffer] verplaatst en in de achterbak van een motorvoertuig gelegd en

- voornoemde koffer, plastic tas en vuilniszak met daarin delen van het lijk van [slachtoffer] naar Amsterdam vervoerd en

- voornoemde koffer, plastic tas en vuilniszak met daarin delen van het lijk van [slachtoffer] in het water gelaten.

Hetgeen in zaak B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak B bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak B bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de straftoemeting door de rechtbank te bevestigen.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat indien het hof tot een bewezenverklaring in zaak B komt, de verdachte een andere (kleinere) rol heeft gehad dan zijn medeverdachten. Daarnaast heeft de verdachte als enige verdachte openheid van zaken gegeven en zijn wetenschap van en aanwezigheid bij het wegmaken van het lichaam bekend. Het voorgaande dient volgens de raadsvrouw in matigende zin tot uitdrukking te komen in de strafmaat.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Op 17 februari 2009 is [slachtoffer] , toen nog maar 29 jaar oud, door messteken om het leven gebracht. De verdachte heeft enige tijd later met zijn mededaders, om ontdekking van deze levensberoving te voorkomen en om de oorzaak daarvan te verhelen, het lichaam van [slachtoffer] eerst verborgen gehouden in het appartement waar [slachtoffer] om het leven is gebracht en diens lichaam vervolgens weggemaakt door het stoffelijk overschot in stukken te delen en de lichaamsdelen, verpakt in een koffer en plastic zakken, in het IJ-meer te Amsterdam te laten. Daar zijn de lijkdelen uiteindelijk op 24 februari 2009 aangetroffen. De verdachte is daarmee op een gruwelijke en respectloze wijze omgegaan met het lichaam van [slachtoffer] . Dit is in de eerste plaats uitermate schokkend geweest voor de nabestaanden. Maar niet alleen voor hen: voor eenieder die hiervan op enigerlei wijze kennis heeft genomen betreffen dit afschuwelijke feiten. De onschendbaarheid van het lichaam, ook dat van een overledene, is een belangrijk rechtsgoed. De verdachte heeft hier in zeer ernstige mate inbreuk op gemaakt.

Door het verborgen houden en vervolgens wegmaken en het verminken van diens lichaam en de nabestaanden van het slachtoffer in onzekerheid te laten over waar het slachtoffer was, heeft de verdachte onherstelbaar leed, verdriet en pijn toegebracht aan de familieleden en andere naasten van het slachtoffer. Dat is ook gebleken uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen verklaring van de vader van het slachtoffer, waaruit blijkt dat de familie van het slachtoffer nog dagelijks kampt met de gevolgen van deze vreselijke misdaad. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de ouders van het slachtoffer bovendien naar voren gebracht dat de Ierse media grote belangstelling heeft voor deze zaak en dat zij nog steeds door berichtgeving in de kranten worden geconfronteerd met wijze waarop de verdachte en zijn mededaders zijn omgegaan met het lichaam van hun zoon.

Uit het strafblad van verdachte van 23 maart 2018 blijkt dat hij niet eerder in Nederland is veroordeeld voor strafbare feiten. Uit het Ierse strafblad van 3 april 2017 is gebleken dat de verdachte in Ierland is veroordeeld voor drugsbezit. Het hof heeft dit bij het bepalen van de strafmaat in het voordeel noch in het nadeel van verdachte laten meewegen.

Naar het oordeel van het hof doet alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf recht als reactie op dit feit. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft het hof zich laten leiden door de ernst van het feit waarbij in ogenschouw is genomen dat een gruwelijker en meer respectloze manier van handelen met betrekking tot het wegmaken van een lichaam nauwelijks denkbaar is. Het is om die reden dat het hof, evenals de rechtbank, de door de wetgever bepaalde maximum straf oplegt, te weten een gevangenisstraf van 2 jaren. Het hof ziet, anders dan de raadsvrouw, geen aanleiding om de verdachte een lagere gevangenisstraf op te leggen dan zijn medeverdachten nu zij tezamen verantwoordelijk worden gehouden voor het in zaak B bewezenverklaarde. Evenmin acht het hof strafvermindering aan de orde, omdat de verdachte volgens de raadsvrouw openheid van zaken zou hebben gegeven.

De redelijke termijn

De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar overgelegde pleitnotities betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging. De raadsvrouw heeft daarbij aangevoerd dat de aanvang van de redelijke termijn dient te worden bepaald op 28 juli 2010, de dag waarop de verdachte in Ierland is aangehouden.

Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat de aanvang van de redelijke termijn dient te worden vastgesteld op de datum van de aanhouding van de verdachte in Ierland, te weten 28 juli 2010. Het hof constateert dat de rechtbank op 15 mei 2017 vonnis heeft gewezen.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Het hof is weliswaar van oordeel dat onderhavige zaak een ingewikkelde zaak betreft, maar is ook van oordeel dat het niet aan de verdediging is te wijten dat de behandeling in eerste aanleg van zo’n lange duur is geweest. De zaak is in hoger beroep weliswaar voortvarend behandeld, maar de procedures in eerste aanleg en hoger beroep hebben tezamen 7 jaar en bijna 9 maanden geduurd. Dat betekent dat de totale behandeling van de zaak in aanzienlijke mate, te weten met 3 jaar en bijna 9 maanden, is overschreden en dat deze overschrijding matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van voorarrest passend, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf van 21 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] en [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 29.754,75, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft daarbij verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het gevorderde bedrag is als volgt samengesteld.

  1. kosten retourticket voor overbrengen stoffelijk overschot € 341,40

  2. hotelkosten in Nederland in afwachting van het stoffelijk overschot € 221,54

  3. retourticket naar Nederland ter nagedachtenis [slachtoffer] in verband € 296,04
    met zijn verjaardag. Bezoek is gecombineerd met een gesprek bij
    slachtofferhulp Nederland. Augustus 2009

  4. hotelkosten voor voornoemd verblijf € 315,00

  5. retourticket voor bezoek aan het OM ter bespreking strafonderzoek € 340,52
    februari 2010

  6. hotelkosten voor voornoemd verblijf € 210,00

  7. kosten retourticket ter nagedachtenis [slachtoffer] augustus 2010 € 305,24

hotelkosten voor voornoemd verblijf € 567,50

retourticket voor bezoek aan het OM ter bespreking strafonderzoek € 325,54
februari 2011

hotelkosten voor voornoemd verblijf € 260,00

kosten retourticket Nederland ter nagedachtenis sterfdag [slachtoffer] € 91,47
februari 2012

hotelkosten voor voornoemd verblijf € 370,50

kosten hotel Nederland ter nagedachtenis sterfdag [slachtoffer] € 321,00
februari 2014

kosten begrafenisdienst 8 april 2009 € 6.364,00

kosten monument na crematie € 2.300,00

kosten begrafenis/crematierechten € 2.125,00

------------- +

Totaal materiële schade € 14.754,75

Immateriële schade, shockschade € 15.000,00

------------- +

Totale schade € 29.754,75

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 6.136,06, bestaande uit een bedrag van € 1.136,06 aan materiële schade (de posten E, F, I en J) en een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade (shockschade), te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft daarbij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering tot materiële schade tot een bedrag van

€ 1.136,06 kan worden toegewezen en dat de gevorderde immateriële schade geheel toewijsbaar is.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat er geen sprake is van een causaal verband tussen het bewezenverklaarde delict en de schade, omdat de schade is ontstaan door het misdrijf waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen. In dat geval dient volgens de raadsvrouw de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Meer subsidiair levert de behandeling van de gevorderde immateriële schade volgens de raadsvrouw een onevenredige belasting van het strafgeding op. Volgens de raadsvrouw is de shockschade een ingewikkeld civielrechtelijk leerstuk dat niet eenvoudig te beoordelen is.

Ten aanzien van de materiële schade heeft de verdediging zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het door de rechtbank toegewezen deel in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt.

De raadsvrouw heeft ten slotte ter terechtzitting in hoger beroep opgemerkt dat indien het hof van oordeel is dat het zien van de foto’s van delen van het lichaam van [slachtoffer] in de media heeft bijgedragen aan het ontstaan van de shockschade van [benadeelde 2] , dat een deel van de gevorderde shockschade voor toewijzing vatbaar is.

Het hof oordeelt als volgt.

Nu het hof de verdachte zal veroordelen voor het in zaak B bewezen verklaarde feit, faalt het primaire verweer van de verdediging.

Het subsidiaire verweer slaagt. Alleen indien het slachtoffer van een strafbaar feit ten gevolge daarvan is overleden, biedt artikel 51f lid 2 Sv de mogelijkheid aan nabestaanden van dat slachtoffer zich terzake van hun schade te voegen in het strafproces.

Het hof heeft hiervoor bewezenverklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan het wegmaken van het stoffelijk overschot van het slachtoffer. Derhalve heeft het jegens verdachte bewezenverklaarde feit niet het overlijden van het slachtoffer tot gevolg gehad. De ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering stuit hierop af.

Het hof zal de benadeelde partij in haar gehele vordering in de strafzaak tegen verdachte niet-ontvankelijk verklaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 151 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het als zaak B ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak B bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] en [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] en [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. R.D. van Heffen en mr. A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van mr. A.F. van der Heide, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 mei 2018.

1 De hierna vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen

2 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009052065-1 van 25 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpagina’s 1-2)

3 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009052065-51 van 28 mei 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (dossierpagina 58)

4 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009052065-1 van 25 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpagina’s 1-2) en
Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2009.02.25.004 van 8 mei 2009, opgemaakt door [arts en patholoog] , arts en patholoog, (dossierpagina’s I 010-012)

5 Een proces-verbaal van vierde verhoor verdachte [verdachte] met nummer 2009052065-138 van 9 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (dossierpagina’s 1500-1518, m.n. dossierpagina 1504)

6 Een proces-verbaal van vierde verhoor verdachte [verdachte] met nummer 2009052065-138 van 9 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (dossierpagina’s 1500-1518, m.n. dossierpagina 1511)

7 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 10 december 2015, opgemaakt door mr. [rc] , rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, m.n. pagina 4

8 Een proces-verbaal van vierde verhoor verdachte [verdachte] met nummer 2009052065-138 van 9 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (dossierpagina’s 1500-1518, m.n. dossierpagina 1511)

9 Een proces-verbaal van vierde verhoor verdachte [verdachte] met nummer 2009052065-138 van 9 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (dossierpagina’s 1500-1518, m.n. dossierpagina 1511)

10 Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (dossierpagina 676-701) en
een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 22 februari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (dossierpagina’s 1042-1045)

11 Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (dossierpagina’s 676-700, m.n. dossierpagina’s 683 en 690) en

12 Een proces-verbaal van vierde verhoor verdachte [verdachte] met nummer 2009052065-138 van 9 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (dossierpagina’s 1500-1518, m.n. dossierpagina 1507)

13 Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2009.02.25.004 (aanvraag 24) van 10 augustus 2015, opgemaakt door dr. [griffier] (dossierpagina’s I 258-I 261, m.n. dossierpagina I 259)

14 Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2009.02.25.004 (aanvraag 7) van 16 september 2009, opgemaakt door dr. [naam] , op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte (dossierpagina’s I 121-I 138, m.n. dossierpagina I 135)

15 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 10 december 2015, opgemaakt door mr. [rc] , rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, m.n. pagina 4

16 Een proces-verbaal van vierde verhoor verdachte [verdachte] met nummer 2009052065-138 van 9 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (dossierpagina’s 1500-1518, m.n. dossierpagina 1505)

17 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 10 december 2015, opgemaakt door mr. [rc] , rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, m.n. pagina’s 5 en 7

18 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] met nummer 2009052065 van 25 juli 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 6] (dossierpagina’s 1624-1629, m.n. p. 1625)

19 Een proces-verbaal van zesde verhoor verdachte [verdachte] met nummer 2009052065-144 van 12 juli 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (dossierpagina’s 1532-1536, m.n. dossierpagina 1533)

20 Een proces-verbaal van zesde verhoor verdachte [verdachte] met nummer 2009052065-144 van 12 juli 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (dossierpagina’s 1532-1536, m.n. dossierpagina 1533) en
Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 10 december 2015, opgemaakt door mr. [rc] , rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, m.n. pagina 4

21 Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (dossierpagina’s 676-701

22 Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (dossierpagina’s 676-701)