Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1619

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
16-07-2018
Zaaknummer
23-001841-17
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:59
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van doodslag en voor medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001841-17

datum uitspraak: 17 mei 2018

TEGENSPRAAK (raadslieden gemachtigd)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers

13-693003-12 (zaak A) en 13-706120-17 (zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

adres: [adres 1]
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 en 6 april 2018 en 7 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadslieden naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft het hof verzocht het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, nu diens appelschriftuur te laat is ingediend.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de officier van justitie op 24 mei 2017 hoger beroep heeft ingesteld tegen voormeld vonnis. Een voorlopige, zeer summiere appelschriftuur, waarin een nadere toelichting wordt aangekondigd, is eerst op 26 juni 2017, twee en een halve week later dan de daarvoor in de wet gestelde termijn, ingediend. Een nadere appelschriftuur is gedateerd 13 maart 2018 en door het hof per e-mail ontvangen op 15 maart 2018, drie weken voor de aanvang van de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.

De advocaat-generaal heeft verklaard dat de reden voor de te late indiening was gelegen in intensief overleg over deze zaak tussen de officier van justitie en de politie dat na de uitspraak in eerste aanleg is gevoerd. De advocaat-generaal heeft, verwijzend naar het belang van behandeling van het appèl in deze ernstige zaak, geconcludeerd dat het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep ontvankelijk is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De regeling met betrekking tot het instellen van appel en het indienen van een appelschriftuur door het openbaar ministerie luidt, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv):

De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen.

Artikel 410, tweede lid, Sv:

De schriftuur wordt onverwijld bij de processtukken gevoegd.

Artikel 416, eerste lid, Sv:

Ingeval hoger beroep is ingesteld door de officier van justitie, geeft de advocaat-generaal bij gelegenheid van de voordracht der zaak mondeling een toelichting op de bezwaren tegen het vonnis. De advocaat-generaal geeft in voorkomende gevallen tevens op waarom door de officier van justitie geen schriftuur houdende grieven is ingediend.

Artikel 416, derde lid, Sv.:

Indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in artikel 410, eerste lid, is ingediend, kan het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.

In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer 2005-2006, 30320, nr. 3) wordt omtrent vorenstaande het volgende opgemerkt:

p. 11-12:

Van de verdachte kan niet zonder meer gevergd worden een schriftelijke appèlmemorie in te dienen. Wel acht ik het redelijk en haalbaar om de officier van justitie die appèl instelt te verplichten een schriftelijke appèlmemorie in te dienen. Artikel 410 van het Sv wordt hiertoe dwingender geformuleerd, zoals ook is geopperd door de Werkgroep hoger beroep en verzet. Door de verplichting tot het afleggen van verantwoording ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de redenen voor het eventueel achterwege laten van het tijdig indienen van een appèlmemorie wordt daarnaast duidelijk gemaakt, dat het indienen van een appèlmemorie is aangewezen (artikel 416, eerste lid, nieuw).

(...)

p. 12:
Indien geen schriftuur wordt ingediend kan de beslissing tot niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep volgen (artikel 416, derde lid). Er is in een dergelijk geval sprake van een vormverzuim. Een automatisch volgende niet-ontvankelijkheid verdient naar mijn oordeel geen voorkeur. Hoezeer het achterwege laten van het tijdig indienen van een appèlmemorie ook mag worden betreurd, het belang van het appèl kan, ook maatschappelijk bezien, van groter belang zijn dan de scherpe sanctionering van een in beginsel herstelbare tekortkoming.

p. 51:

Het derde lid (van artikel 416 Sv) schept de mogelijkheid een door het openbaar ministerie ingesteld hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk te verklaren op de enkele grond dat geen schriftuur, houdende grieven tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis, is ingediend. Indien door de officier van justitie geen appelschriftuur is ingediend is er sprake van een vormverzuim.

In zijn arrest van 2 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK0910) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat het bepaalde in artikel 416 lid 3 Sv mede van toepassing is op een geval als het onderhavige, waarin de schriftuur niet tijdig is ingediend. De rechter dient dan een belangenafweging te maken, waarbij moet worden bezien of het belang van het appel zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het openbaar ministerie tijdig een appelschriftuur in te dienen.

In de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat dit het geval is, ondanks dat de advocaat-generaal naar het oordeel van het hof geen toereikende opgave van redenen voor de te late indiening heeft gedaan. Overleg van de officier van justitie met de politie ná de uitspraak in eerste aanleg kan immers bezwaarlijk als zodanig worden aangemerkt. Bovendien is de aanvullende appelschriftuur in een nauwelijks aanvaardbaar laat stadium ingediend. Deze gang van zaken valt ten zeerste te betreuren, nu het in deze zaak gaat om de verdenking van een levensdelict en de belangen, in het bijzonder die van de nabestaanden, buitengewoon groot zijn. Het is daarom dat het hof van oordeel is dat het belang van de strafrechtelijke rechtshandhaving in het algemeen, en van de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep in het bijzonder, in casu boven het belang van sanctionering van het verzuim dient te worden gesteld.

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in het hoger beroep.

Tenlasteleggingen

Zaak A
hij op een tijdstip in de periode van 17 februari 2009 tot en met 24 februari 2009 te Rotterdam en/of te Mijdrecht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en /of puntig voorwerp, een of meermalen in de romp gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Zaak B
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 februari 2009 tot en met 24 februari 2009 te Rotterdam en/of Mijdrecht en/of Amsterdam en/of Diemen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van voornoemde [slachtoffer] te verhelen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

- het lijk van voornoemde [slachtoffer] in één of meer stukken gedeeld en/of

- het lijk, althans een of meer delen van het lijk, van voornoemde [slachtoffer] in plastic en/of een sprei en/of een (hoes)laken en/of een dekbedovertrek en/of een handdoek gewikkeld en/of

- het lijk, althans een of meer delen van het lijk, van voornoemde [slachtoffer] in een koffer en/of (plastic) tas(sen) en/of vuilniszak(ken) gestopt en/of

- voornoemde koffer en/of (plastic) tas en/of vuilniszak (met daarin een of meer delen van het lijk van voornoemde [slachtoffer] ) verplaatst en/of in (de achterbak van) een motorvoertuig gelegd en/of

- voornoemde koffer en/of (plastic) tas en/of vuilniszak (met daarin een of meer delen van het lijk van voornoemde [slachtoffer] ) naar Amsterdam en/of Diemen vervoerd en/of

- voornoemde koffer en/of (plastic) tas en/of vuilniszak (met daarin een of meer delen van het lijk van voornoemde [slachtoffer] ) in het water gelaten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. Verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van zaak A tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Standpunten openbaar ministerie en verdediging

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft bij requisitoir, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Het feit zoals in zaak A tenlastegelegd, kan worden bewezen. Bij de beoordeling van de bewijsmiddelen kan worden uitgegaan van de verklaringen die [medeverdachte 1] heeft afgelegd. Zijn verklaringen zijn betrouwbaar en geloofwaardig, doordat ze worden ondersteund door meerdere onderzoeksbevindingen van de politie. Genoemd kan onder meer worden het benoemen van het steekletsel van het slachtoffer dat overeenkomt met de bevindingen van zowel de Nederlandse als de Ierse patholoog, het benoemen van de woning aan de [adres 2] in Rotterdam als de plaats delict, de aanwezigheid van de kettingzaag aldaar met daarop DNA-sporen van het slachtoffer en een DNA-spoor van [verdachte] , de plaats waar de Volkswagen Polo van het slachtoffer is achtergelaten en de locatie bij het IJ-meer waar het stoffelijk overschot van het slachtoffer is gevonden. De aanwezigheid van de drie verdachten op genoemde locaties wordt ondersteund door de historische verkeersgegevens van de telefoons die bij de verdachten in gebruik waren. Op grond van deze bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, kan worden vastgesteld dat verdachte en [verdachte] tezamen en in vereniging verantwoordelijk zijn voor de dood van het slachtoffer door hem een aantal keren met een mes te steken. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachten met voorbedachte rade hebben gehandeld, zodat zij van moord dienen te worden vrijgesproken. Bewezen kan worden dat sprake is van medeplegen van doodslag.

Op grond van diezelfde bewijsmiddelen kan ook worden bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met [verdachte] en [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde in zaak B.

Standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben bij pleidooi, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Verdachte dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Hij ontkent betrokken te zijn geweest bij beide feiten, sterker nog: hij ontkent het slachtoffer ooit te hebben ontmoet. Het bewijs tegen verdachte bestaat uit zeer onbetrouwbare verklaringen van [medeverdachte 1] , die tegenstrijdigheden en onjuistheden bevatten. Bovendien zijn deze verklaringen pas afgelegd nadat [medeverdachte 1] het dossier met zijn advocaat heeft kunnen bestuderen. Op de belangrijkste punten worden de verklaringen van [medeverdachte 1] ontkracht door de verklaringen van de getuigen en het resultaat van de analyse van de historische verkeersgegevens. Verdachte heeft daarentegen een volstrekt logische verklaring gegeven voor het mogelijke gebruik van de telefoons die [medeverdachte 1] hem verstrekte en voor zijn aangetroffen DNA- en vingerspoor in de woningen in Rotterdam en Mijdrecht. Verdachte lijkt op het verkeerde moment op de verkeerde plek te zijn geweest, waardoor [medeverdachte 1] hem de schuld van de dood van [slachtoffer] in de schoenen heeft kunnen en durven schuiven.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak A

Inleiding 1

Op 24 februari 2009 is in het water van het IJ-meer ter hoogte van de [locatie] in Amsterdam, het zwaar verminkte lichaam aangetroffen van een jongeman. Zijn hoofd en onderlichaam waren van de romp gescheiden. De afzonderlijke lichaamsdelen waren verpakt in een koffer en in plastic boodschappentassen en vuilniszakken2.

In het rapport forensisch pathologisch onderzoek van 8 mei 2009 is geconcludeerd dat het een in drie separate delen aangeleverd lichaam betreft van een 29 jaar oud geworden man met zeker twee bij leven opgelopen steekletsels, op grond waarvan het overlijden kan worden verklaard.3

Uit dit rapport blijkt verder het navolgende. Het delen van het lichaam heeft plaatsgevonden door scherprandig mechanisch geweld, passend bij het doorsnijden met een of meer messen voor wat betreft de weke delen en voor de harde delen passend bij doorzagen met een of meer zagen. De volgende letsels zijn, voor zover hier van belang, geconstateerd:

  • -

    In het gezicht, op de kin en in de behaarde hoofdhuid circa twaalf letsels, met scherprandige klieving van de ondergelegen weke delen. De letsels hadden het aspect van steek- en snijletsels. Maximale lengte van de gevonden steekkanalen was circa drie centimeter;

  • -

    Links aan de rug twee scherprandige huidperforaties van respectievelijk vijf en vier centimeter lang, beide met het aspect van steekletsels. In relatie hiermee waren er steekkanalen tot in de borsthalte te herleiden naar binnen en iets naar rechts. Er was veel gerelateerde bloeduitstorting in de rugspieren;

  • -

    Aan de buigzijde van de vingers van de linkerhand vijf scherprandige huidletsels met een perforatie van weke delen en doorsnijding van pezen;

  • -

    Op de rechterbil een scherprandig huidletsel van drie centimeter met het aspect van een steekwond en een daaronder gelegen steekkanaal in de weke delen van de bil. De lengte van het steekkanaal was circa 16 centimeter.

In relatie met de letsels beschreven onder het tweede gedachtestreepje waren er in de romp twee steekkanalen te herleiden. Beide verliepen van linksachter naar rechtsvoor en iets voetwaarts. In relatie met het bovenste letsel van vijf centimeter was er een steekkanaal van circa 15 centimeter lengte met perforatie van de rugspieren, de borstkas en het longvlies van de linkerlong, zonder perforatie van de long. In relatie met het onderste letsel van vier centimeter was er een steekkanaal van circa 20 centimeter lang met perforatie van de rugspieren, de borstkas, het middenrif, de milt, de maag, de linkerlong onderkwab, de linkerlong bovenkwab en het hartzakje links zijwaarts. (…)

Indien de deling van het lichaam postmortaal heeft plaatsgevonden (…) kan het overlijden worden verklaard door bloedverlies in combinatie met functieverlies van de linkerlong.

De lichaamsdelen toonden postmortale veranderingen die passen bij een postmortaal interval van enkele dagen.

Aan de buigzijde van de vingers van de linkerhand waren er scherprandige huiddefecten met het aspect van snijwonden. De letsels kunnen, indien deze bij leven zijn opgelopen, passen bij afweerletsels.

De vondst van het lichaam op 24 februari 2009 vormde de start van een langdurig en uitvoerig rechercheonderzoek. Relatief snel kwam de recherche erachter dat de dode man [slachtoffer] was4. [slachtoffer] bleek bij leven actief te zijn geweest in het criminele milieu en was vanuit Ierland naar Nederland gekomen. Hij gebruikte de identiteit [naam 1] en beschikte over een paspoort en rijbewijs op die naam. Hij werd in Ierland gezocht door de politie5.

Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] in diens voormalige appartement aan de [adres 2] te Rotterdam (hierna: het appartement in Rotterdam) om het leven is gebracht. In dat appartement is op diverse plaatsen bloed van [slachtoffer] , al dan niet in de vorm van bloedspatten, aangetroffen6. Bovendien was een deel van het lichaam van [slachtoffer] gewikkeld in een weinig verkochte zwarte sprei7, terwijl de verhuurster van het appartement een soortgelijke sprei uit dit appartement miste8. Verder is in de meterkast in de hal van het appartement een incomplete kettingzaag aangetroffen. Daarvan miste onder andere het zaagblad9. Op onder meer de onderzijde van de kettingzaag, het snoer, de stekker en een tandwiel van de kettingzaag, evenals op een vezeldraadje dat achter het tandwiel was gewikkeld, is lichaamsmateriaal van [slachtoffer] aangetroffen, waaronder bloed en, vermoedelijk, vetweefsel10.

Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] gebruik maakte van onder andere het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: * [telefoonnummer 1] )11. Daarmee stuurde hij op 17 februari 2009, nadat hij in de middag zijn vriendin [naam 2] naar Schiphol heeft gebracht, om 20.15 uur een laatste sms naar een Iers telefoonnummer.12 Daarna hoorden zijn vriendin en familie niets meer van [slachtoffer]13. Genoemd telefoonnummer werd vanaf dat tijdstip kennelijk niet meer gebruikt door [slachtoffer] , noch werden oproepen door hem beantwoord14. Tijdens de gerechtelijke sectie op 25 februari 2009 is bevonden dat [slachtoffer] toen enkele dagen dood was. In zijn nader te bespreken verklaringen noemt medeverdachte [medeverdachte 1] 17 februari 2009 als overlijdensdatum en voorts verklaart hij dat het lichaam van [slachtoffer] in de avond van 23 februari 2009 in het water is achtergelaten. Dit alles in onderlinge samenhang beschouwd rechtvaardigt de conclusie dat [slachtoffer] in de avond van 17 februari 2009 om het leven is gebracht.

Hoewel [slachtoffer] (op naam van [naam 1] ) in februari 2009 formeel nog huurder was van voornoemd appartement in Rotterdam15 verbleef hij daar niet meer16. Hij huurde op naam van [naam 1] al sinds oktober 2008 een appartement aan de [adres 3] te Mijdrecht (hierna: het appartement in Mijdrecht)17. Uit het dossier blijkt dat een vriend van [slachtoffer] in het appartement in Rotterdam verbleef. Die vriend is de (mede)verdachte [medeverdachte 1] . Net als [slachtoffer] was hij actief in het criminele milieu18.

Op grond van hierna te bespreken telecomgegevens werd [medeverdachte 1] door de recherche en het openbaar ministerie als verdachte aangemerkt.

Verklaringen verdachten

[medeverdachte 1] is vervolgens in Ierland aangehouden en overgeleverd aan Nederland waar hij meermalen is verhoord. Aanvankelijk heeft [medeverdachte 1] zich (voornamelijk) op zijn zwijgrecht beroepen. Bij gelegenheid van de raadkamer gevangenhouding op 2 mei 2011 en daarna op 9 mei 2011 bij de recherche verklaarde [medeverdachte 1] , die op dat moment uiteraard met zijn raadsvrouw beschikte over een dossier, wie er volgens hem verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer] : [medeverdachte 2] en [verdachte] . In nadere verhoren heeft [medeverdachte 1] , meer in detail, hetzelfde verklaard en heeft hij – geconfronteerd met telecomgegevens – uiteindelijk toegegeven dat hijzelf ook een rol heeft gehad bij het wegmaken van het lichaam van [slachtoffer] .

Tijdens de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak in eerste aanleg, noch tijdens het hoger beroep, is verdachte [medeverdachte 1] verschenen. Bij de pro-formazittingen in eerste aanleg in de periode juli 2011 tot juni 2012 heeft [medeverdachte 1] steeds verwezen naar zijn verklaringen vanaf 2 mei 2011. In zijn verhoor bij de

rechter-commissaris als getuige in de zaken tegen [verdachte] en [medeverdachte 2] op 10 december 2015 is hij onder ede gesteld en heeft hij zijn eerder afgelegde gedetailleerde verklaringen bevestigd.

De door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen houden samengevat het volgende in19:

[medeverdachte 2] en [verdachte] werden gezocht door de Ierse politie en zijn daarom naar Nederland gekomen. Voordat ze naar Nederland zijn gekomen kende [medeverdachte 1] [verdachte] wel en [medeverdachte 2] niet. [verdachte] heeft [medeverdachte 1] telefonisch gevraagd of [medeverdachte 2] bij [medeverdachte 1] kon verblijven. Daarna is [medeverdachte 2] als eerste naar Nederland gekomen. Enkele dagen later arriveerde [verdachte] . Ze verbleven bij [medeverdachte 1] in het appartement in Rotterdam. Dat appartement was eerder door [slachtoffer] bewoond. [medeverdachte 1] heeft [verdachte] en [medeverdachte 2] één van zijn telefoons in gebruik gegeven. In het begin van de avond van 17 februari 2009 zijn [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] vanaf het appartement in Rotterdam naar Amsterdam gegaan en hebben daar de oom en tante van [verdachte] ontmoet met wie ze wat hebben gedronken. Ondertussen werd [medeverdachte 1] gebeld door [slachtoffer] met de vraag wat ze aan het doen waren. Vervolgens is afgesproken dat de drie naar Rotterdam zouden komen en ze [slachtoffer] zouden ontmoeten bij het appartement in Rotterdam om daar wat te drinken en computerspelletjes te spelen.

Kort na aankomst in het appartement in Rotterdam is [medeverdachte 1] weggegaan om drank te kopen. Ongeveer twintig à vijfentwintig minuten later kwam hij terug en trof hij [verdachte] huilend aan de keukentafel aan. [verdachte] vertelde [medeverdachte 1] dat er ruzie was ontstaan tussen hem en [slachtoffer] . [slachtoffer] zou hem hebben gepest met zijn vriendin, waarop [verdachte] tegen [slachtoffer] had gezegd dat hij tenminste geen kinderporno keek. Dit was een verwijzing naar de kinderporno die bij een eerdere aanhouding van [slachtoffer] op zijn computer zou zijn aangetroffen.

[verdachte] vertelde [medeverdachte 1] dat [slachtoffer] toen heel boos werd en hij een mes pakte waarmee hij [verdachte] heeft aangevallen.

[medeverdachte 2] vulde dit verhaal van [verdachte] als volgt aan. [medeverdachte 2] zag dat [slachtoffer] stak richting [verdachte] . Om [verdachte] te beschermen heeft [medeverdachte 2] ook een mes gepakt en in de rug van [slachtoffer] gestoken. Vervolgens liet [slachtoffer] zijn mes vallen dat is opgepakt door [verdachte] die daarmee [slachtoffer] in de nek stak. [medeverdachte 1] heeft het lichaam van [slachtoffer] zien liggen in de badkamer en het afgedekt met een laken. [medeverdachte 1] heeft een steekwond aan de hals van [slachtoffer] gezien

Later die avond zijn de drie mannen naar het appartement van [slachtoffer] in Mijdrecht vertrokken in twee auto’s: de Audi van [medeverdachte 1] en de door [slachtoffer] gehuurde en bij hem in gebruik zijnde VW Polo. [verdachte] en [medeverdachte 2] hadden onder meer de nog werkende telefoon van [slachtoffer] meegenomen naar Mijdrecht. [medeverdachte 1] wist dat die telefoon nog werkte omdat hij deze in het appartement in Rotterdam bij het lichaam van [slachtoffer] heeft horen overgaan. De volgende dag heeft [medeverdachte 1] gezegd dat het lichaam van [slachtoffer] niet in Rotterdam kon blijven. [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben [medeverdachte 1] verteld dat [verdachte] het lichaam met een kettingzaag heeft gedeeld. Het lichaam is vervolgens in de VW Polo gelegd. Die werd geparkeerd in Mijdrecht.

Op 23 februari 2009 zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] naar het appartement in Rotterdam gegaan. Ze hebben het schoongemaakt en daarna hebben ze enkele spullen van [slachtoffer] meegenomen en verkocht aan een autohandelaar. Vervolgens is het drietal teruggegaan naar Mijdrecht. In de late avond zijn ze met twee auto’s naar Amsterdam gereden. [verdachte] en [medeverdachte 2] reden in de VW Polo en zij hebben het lichaam in het water achtergelaten. [medeverdachte 1] zelf stond op de uitkijk en moest de anderen waarschuwen als er politie aankwam. Daarna is de VW Polo door [medeverdachte 2] en [verdachte] ergens geparkeerd in de buurt van een station, zijn [medeverdachte 2] en [verdachte] bij [medeverdachte 1] in de Audi gestapt en zijn ze met elkaar naar Calais, Frankrijk gereden. Daar zijn de drie mannen in de nacht van 23 op 24 februari 2009 op een ferry naar Engeland gestapt.

[medeverdachte 1] heeft aan de recherche de plek aangewezen waar de lichaamsdelen te water zijn gelaten20. Voor de recherche waren deze verklaringen van [medeverdachte 1] aanleiding [medeverdachte 2] en [verdachte] als verdachten aan te merken. Na hun aanhouding in Ierland hebben deze verdachten daar een eerste verklaring afgelegd in oktober 2014. Na hun overlevering aan Nederland hebben zij zich bij de politie (voornamelijk) op hun zwijgrecht beroepen. Tijdens de inhoudelijke behandeling van hun strafzaken in eerste aanleg hebben zij wel verklaard.

Hun verklaringen, afgelegd in Ierland als (verdachte) getuige in de Nederlandse strafzaak tegen [medeverdachte 1] , houden samengevat het volgende in21:

[medeverdachte 2] en [verdachte] bevestigen hun komst naar Nederland en het verblijf bij [medeverdachte 1] en dat [medeverdachte 2] vóór [verdachte] naar Nederland is gekomen. Zij hebben aanvankelijk bij [medeverdachte 1] verbleven in het appartement in Rotterdam. Beide verdachten verklaren echter niets met de dood van [slachtoffer] te maken te hebben. Sterker nog: zij hebben hem nooit ontmoet. Het is volgens [medeverdachte 2] en [verdachte] juist dat zij op 17 februari 2009 met [medeverdachte 1] vanaf het appartement in Rotterdam naar Amsterdam zijn gereden en daar de tante van [verdachte] hebben ontmoet. [medeverdachte 2] verklaart dat hij denkt dat hij vervolgens met [verdachte] naar een kroeg in Rotterdam is geweest en dat hij niet weet waar [medeverdachte 1] toen was en of de laatste wel uit Amsterdam was weggegaan. [verdachte] heeft aanvankelijk gezegd dat hij niet weet of ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met hem naar zijn tante in Amsterdam waren en dat hij evenmin weet wat hij na die ontmoeting met zijn tante heeft gedaan. Na geconfronteerd te zijn met de verklaring van [medeverdachte 2] op dit punt verklaart [verdachte] dat hij zich herinnert een aantal keren met [medeverdachte 2] naar een bar in Rotterdam te zijn geweest en dat dat mogelijk ook die avond is gebeurd. Zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] verklaren dat ze op enig moment van [medeverdachte 1] hebben gehoord dat ze niet meer in het appartement in Rotterdam konden verblijven en dat ze daarna door hem naar een ander appartement zijn gebracht. [medeverdachte 2] verklaart daarbij dat [medeverdachte 1] als reden daarvoor gaf dat vrienden van hem daar met iets bezig waren. Volgens [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 1] dit tegen hen gezegd buiten een ‘drinking-strip club’ in Rotterdam, toen hij hen daar kwam ophalen nadat hij hen er uren eerder had afgezet. [medeverdachte 1] had hun kleren meegenomen (verklaren zowel [verdachte] als [medeverdachte 2] ) en ook hun paspoort (verklaart [medeverdachte 2] ) en ze zijn gedrieën in de Audi van [medeverdachte 1] naar een appartement in Mijdrecht gereden. Dat appartement was van een vriend van [medeverdachte 1] en zij konden daar verblijven. Gedurende enkele dagen werd hen de auto, een VW Polo, van diezelfde vriend ter beschikking gesteld,

Tijdens zijn politieverhoor in Nederland op 24 mei 2016 heeft [verdachte] verklaard dat hij destijds in het appartement te Mijdrecht heeft verbleven omdat [medeverdachte 1] hem en [medeverdachte 2] , op de avond dat hij zijn tante in Amsterdam had ontmoet, had afgezet bij een stripclub en hen daar uren later weer kwam ophalen. Daarbij had [medeverdachte 1] gezegd dat ze niet terug konden naar het appartement in Rotterdam omdat hij daar met iets bezig was22.

Ter terechtzitting in eerste aanleg hebben [medeverdachte 2] en [verdachte] hun verklaring over dit afzetten en ophalen bij de stripclub door [medeverdachte 1] herhaald, en daar nog aan toegevoegd dat op enig moment de VW Polo door [medeverdachte 1] moest worden teruggegeven, op de dag voor of van vertrek naar Engeland via Frankrijk. [medeverdachte 1] is met de VW Polo weggereden en [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben hem later, met [medeverdachte 1] ’s eigen Audi, ergens opgepikt.

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]

Doorslaggevend technisch bewijs is in deze zaak niet voorhanden. Het komt voornamelijk aan op de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen en de geloofwaardigheid van (de verklaringen van) [medeverdachte 2] en [verdachte] . Daarbij geldt ten aanzien van de voor [medeverdachte 2] en [verdachte] belastende verklaringen van [medeverdachte 1] , inhoudende dat zij verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer] , dat hij deze pas heeft afgelegd nadat hij van de tot dan toe bekende bevindingen van de Nederlandse politie op de hoogte was gekomen. Om die reden dient terughoudend te worden omgegaan met die verklaringen en moet worden bezien of deze in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen. In dat licht is het volgende van belang.

Gebruik telefoonnummers

Van [medeverdachte 1] kan worden vastgesteld dat hij in de periode waarin hij in Nederland verbleef gebruik maakte van een aantal telefoonnummers. Daarvan waren de nummers [telefoonnummer 2] (hierna: * [telefoonnummer 2] ) en [telefoonnummer 3] (hierna: * [telefoonnummer 3] ) intensief in gebruik in de maand februari 200923. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij aan [medeverdachte 2] en [verdachte] een telefoon heeft uitgeleend waarover beide verdachten volledig de beschikking hadden. [medeverdachte 1] kan zich het bijbehorende telefoonnummer niet meer herinneren24. Zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] heeft verklaard dat zij wel eens een telefoon van [medeverdachte 1] hebben gebruikt25. Het hof komt met de rechtbank tot de conclusie dat dit moet gaan om het nummer * [telefoonnummer 2] . De simkaart met dit 06-nummer is van 28 januari 2009 tot en met 24 februari 2009 geplaatst geweest in hetzelfde toestel, met IMEI-nummer * [nummer]26. Uit de vluchtgegevens van Air Lingus/KLM blijkt dat [medeverdachte 2] op 7 februari 2009 van Dublin naar Schiphol is gevlogen27. Daar werd hij opgehaald door [medeverdachte 1] . Diezelfde avond laat (8 februari 2009 om 00.19 uur) belde * [telefoonnummer 2] uit naar het Ierse nummer [telefoonnummer 4] (hierna: [telefoonnummer 4] ). Dat nummer is van [naam 3] , destijds de (ex)vriendin van [medeverdachte 2]28. In de periode daarna is tussen beide nummers meer dan 200 maal sms- en belcontact, onder meer in de middag en avond van 17 februari en in de nacht en ochtend van 18 februari 200929. [naam 3] heeft verklaard dat [telefoonnummer 4] destijds waarschijnlijk haar nummer was omdat zij zich de laatste vier cijfers kan herinneren en

dat zij in die periode maar met één persoon die in het buitenland verbleef telefonisch contact had, te weten [medeverdachte 2]30.

Het hof concludeert dat [medeverdachte 2] vrijwel onmiddellijk na aankomst in Nederland op 7 februari 2009 de beschikking heeft gekregen over de telefoon waarin sinds 28 januari 2009 een simkaart met het telefoonnummer * [telefoonnummer 2] was geplaatst. Deze gevolgtrekking ondersteunt de verklaringen van [medeverdachte 1] .

Ook [verdachte] heeft van deze telefoon gebruik gemaakt. De tante van [verdachte] , [naam 4] , belde op 17 februari 2009 om 11.39 uur met het Ierse nummer [telefoonnumer] naar hetzelfde nummer * [telefoonnummer 2] om met haar neef in Amsterdam af te spreken. Later die dag en de volgende nacht hebben zij met dezelfde nummers vaker contact met elkaar gehad31. [verdachte] heeft verklaard dat zijn tante hem gebeld heeft op het nummer waarmee hij, [verdachte] , eerder naar zijn vader had gebeld en dat hij die telefoon van [medeverdachte 1] in gebruik had gekregen32.

Hoewel [medeverdachte 2] en [verdachte] stellen zich niet meer te kunnen herinneren dat zij deze verschillende telefoongesprekken of -berichten hebben gevoerd of uitgewisseld, staat dat voor het hof op grond van het voorgaande vast, mede gelet op de momenten dat die contacten werden gelegd en omdat de belcontacten niet zelden meerdere seconden besloegen. De conclusie is dan ook dat deze telefoon in de periode 17 tot 24 februari 2009 door beiden, en met name door [medeverdachte 2] , werd gebruikt. Van het nummer [telefoonnummer 3] (hierna: * [telefoonnummer 3] ) stelt het hof vast dat dit nummer in gebruik was bij [medeverdachte 1]33. Eveneens staat vast dat [slachtoffer] de gebruiker was van telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: * [telefoonnummer 1] ). Met dit telefoonnummer, dat zich op dat moment bevindt in de nabijheid van het appartement in Rotterdam, werd op 17 februari 2009 om 20.15 uur een laatste uitgaande beweging gemaakt (sms-bericht). De zendmast die dan aangestraald wordt, staat aan de [adres 4] te Rotterdam, op circa 255 meter afstand van het appartement aan de [adres 2] in Rotterdam34.

Aanwezigheid plaats delict

Op basis van de gedetailleerde peilgegevens van de nummers * [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 3] komt het hof tot de conclusie dat de gebruikers daarvan, zijnde respectievelijk [medeverdachte 2] en [verdachte] (* [telefoonnummer 2] ) en [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 3] ), in de avond van 17 februari 2009 uitpeilen op een zendmast aan de [adres 4] in Rotterdam, welke locatie zoals vermeld is gelegen in de omgeving van het appartement aan de [adres 2] te Rotterdam waar [slachtoffer] om het leven is gebracht35. Deze peilgegevens bevestigen de verklaring van [medeverdachte 1] dat zij na het bezoek aan de tante van [verdachte] in Amsterdam die avond alle drie naar het appartement in Rotterdam zijn gegaan. De peilgegevens bevestigen eveneens dat de drie mannen in de late avond/nacht daarna naar het appartement in Mijdrecht zijn gereden en dat zij onderweg niet bij elkaar in één auto zaten; tussen de beide nummers is onderweg naar Mijdrecht contact geweest36, hetgeen bevestigt dat men met twee auto’s (de Audi van [medeverdachte 1] en de VW Polo van [slachtoffer] ) heeft gereden, zoals [medeverdachte 1] heeft verklaard, en weerspreekt dat men gedrieën in één auto reed, zoals [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben verklaard.

De verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 2] , inhoudende dat beiden, direct na het bezoek aan [verdachte] ’s tante en oom in Amsterdam, door [medeverdachte 1] zijn afgezet bij een stripclub in Rotterdam zijn niet aannemelijk gelet op diezelfde peilgegevens. Daaruit volgt immers dat de telefoon met nummer * [telefoonnummer 2] , in gebruik bij [medeverdachte 2] en [verdachte] , wel degelijk vanaf ongeveer 20.30 uur dezelfde zendmast aanstraalt als de bij [slachtoffer] in gebruik zijnde telefoon, terwijl van laatstgenoemde is vastgesteld dat hij via die zendmast om 20.15 uur een laatste teken van leven (een uitgaande sms) gaf voordat hij in het appartement is gedood37. Het door [verdachte] en [medeverdachte 2] genoemde bezoek aan een stripclub is niet aannemelijk geworden. Daarbij komt dat die avond rond 22:07 uur telefooncontacten van respectievelijk 7 en 133 seconden hebben plaatsgevonden tussen het nummer * [telefoonnummer 2] ( [medeverdachte 2] ) en het nummer van diens ex-vriendin [naam 3] . De peillocatie van de * [telefoonnummer 2] is dan respectievelijk Rotterdam en Delft. Ook dit weerspreekt een urenlang verblijf in een stripclub die avond.

Om 08.01 uur op 18 februari 2009, toen de drie verdachten de nacht hadden doorgebracht in het appartement in Mijdrecht, is met het telefoonnummer van [slachtoffer] * [telefoonnummer 1] , dat op dat moment aanstraalde op een zendmast daar in de buurt, ruim zeven minuten gebeld naar het nummer van [naam 3]38. Vanaf diezelfde locatie belt * [telefoonnummer 1] binnen een uur daarna driemaal een tot vijf minuten met het Ierse telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 5] en zendt daaraan ook een sms-bericht39. Dat Ierse nummer [telefoonnummer 5] was toentertijd op naam gesteld van [naam 5]40, net als [naam 3] een ex-vriendin van [medeverdachte 2] . Ten slotte belt * [telefoonnummer 1] op 18 februari 2009 om 08.57 (30 seconden) en 08.58 uur (7 seconden) met twee andere Ierse nummers, toebehorende aan de gebroeders [getuige 1]41. [getuige 1] verklaart dat hij een bekende is van [medeverdachte 2] en [verdachte]42. [medeverdachte 2] heeft voor deze telefonische contacten geen plausibele verklaring gegeven. Het hof stelt dan ook vast dat deze door [medeverdachte 2] zijn verricht.

Zo stelt het hof vast dat [medeverdachte 2] vóór de dood van [slachtoffer] zeer frequent telefonisch of sms-contact met [naam 3] had, terwijl hij daarbij het nummer * [telefoonnummer 2] gebruikte. Daags na de dood van [slachtoffer] belde [medeverdachte 2] in korte tijd viermaal minutenlang met zijn ex-vriendinnen [naam 3] en [naam 5] , gebruikmakend van de telefoon van de dan al gedode [slachtoffer]43. Deze vaststelling bevestigt voorts de verklaring van [medeverdachte 1] omtrent het meenemen van de nog werkende telefoon van [slachtoffer] naar Mijdrecht door [verdachte] en [medeverdachte 2] .

De nummers * [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 3] peilden op 23 februari 2009, in de late avond, uit nabij de locatie waar het lichaam van [slachtoffer] is achtergelaten.44 En het nummer * [telefoonnummer 2] , in gebruik bij [medeverdachte 2] en [verdachte] , peilde later op diezelfde avond tevens uit in de buurt van de [adres 5] te Amsterdam. In deze straat is de door [slachtoffer] gehuurde VW Polo aangetroffen. De auto heeft vanaf 24 februari 2009 verschillende parkeerboetes gekregen45. De verklaring van [verdachte] en [medeverdachte 2] dat zij [medeverdachte 1] die dag ergens in Amsterdam moesten ophalen in zijn Audi, omdat [medeverdachte 1] toen de VW Polo aan iemand moest teruggegeven, acht het hof niet aannemelijk. Deze verklaring hebben zij voor het eerst ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegd en is op geen enkele wijze onderbouwd, noch wordt zij ondersteund door resultaten van het opsporingsonderzoek.

Overige onderzoeksresultaten

Niet alleen wordt de verklaring van [medeverdachte 1] betreffende de aanwezigheid van de verdachten op de plaats delict (zowel in Rotterdam als in Amsterdam) bevestigd door de peilgegevens, ook andere onderzoeksbevindingen bevestigen op onderdelen zijn verklaring. Zo worden de reisbewegingen – na de dood van [slachtoffer] – die door [medeverdachte 1] zijn geschetst ondersteund door de telefoonverplaatsingen (van Rotterdam naar Mijdrecht en omgekeerd, van Mijdrecht naar Amsterdam en van Amsterdam naar Frankrijk (Calais)46, bevestigt getuige [getuige 2] het bezoek van Engelse mannen (in een Audi) aan zijn bedrijf van wie hij elektronische apparatuur heeft gekocht47 en bevat de stekker van de aangetroffen kettingzaag DNA-materiaal van verdachte. Het verslag van het NFI dat betrekking heeft op deze match met het DNA profiel van verdachte dateert bovendien van 13 mei 201548. Die datum is dus gelegen ver na de eerste voor verdachte en [medeverdachte 2] afgelegde belastende verklaring van [medeverdachte 1] .

Verdachte heeft verklaard dat hij de kettingzaag nooit heeft gezien. Volgens hem kan zijn DNA op de stekker terecht zijn gekomen doordat hij uit dezelfde kast als waarin de kettingzaag lag, een handdoek heeft gepakt, overigens zonder deze kettingzaag te hebben gezien.

Verdachte heeft op 3 oktober 2014 in Ierland verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij een kettingzaag in het appartement in Rotterdam heeft gezien49. Op dat moment was alleen nog bekend dat er op delen van die zaag bloed en DNA van [slachtoffer] was aangetroffen. Tijdens het politieverhoor in Nederland op 1 december 2015 is hem voorgehouden dat DNA afkomstig van verdachte op de zaag is aangetroffen en is hem gevraagd hoe dat kan. Verdachte heeft op zowel deze vraag als op overige vragen niet willen antwoorden50.
Tijdens het politieverhoor van 24 mei 2016 heeft verdachte, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:
Vraag verbalisanten:
Je hebt meerdere keren gezegd dat je geen zaag hebt gezien of hebt aangeraakt. Hoe komt jouw
DNA dan op de zaag?
Antwoord verdachte:

In mijn verklaring heb ik gezegd dat het mogelijk is dat er DNA op de zaag terecht is gekomen.
Vraag verbalisanten:
Wat heb je precies gezegd?
Antwoord verdachte:
Ik heb de zaag nooit gezien, dat heb ik gezegd. Maar als er handdoeken liggen zou ik aan de zaag gezeten kunnen hebben.
Verbalisanten:
Pagina 36 van de in Ierland afgelegde verklaring bij de rechtbank, het deel over de zaag, wordt voorgelezen. Je zegt dat je je dat niet kan herinneren. Je hebt de foto van de zaag gezien, zoiets zie je niet over het hoofd. Kennelijk heb je er wel wat mee gedaan want je DNA is niet aan komen waaien.
Antwoord verdachte:
Het ligt in de kast.

Verbalisanten:
Dat zeg je nu, terwijl je hierover al vaker bent bevraagd en nu opeens ligt hij in de kast.
Antwoord verdachte:
In de verklaring wordt voorgehouden dat hij in de kast lag, alleen heb ik die zaag nooit gezien. Je hoeft niet iets te zien om het aan te raken. Ik kan er gewoon geen antwoord op geven. Ik heb die zaag nooit gezien.51

Ter terechtzitting in eerste aanleg op 6 april 2017 heeft verdachte verklaard:

Misschien is mijn DNA-spoor op die kettingzaag terecht gekomen toen ik een handdoek uit diezelfde kast wilde halen waarbij ik per ongeluk de stekker van de zaag heb aangeraakt. Dat is de enige verklaring die ik daarvoor heb. Ik heb de kettingzaag nooit gezien.

Het rapport van het NFI waarin is opgenomen dat het DNA-profiel van verdachte matcht met het DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering van de stekker van de kettingzaag dateert van

13 mei 201552. Verdachte heeft daarover tijdens zijn verhoor op 1 december 2015 in Nederland niets willen verklaren. Een jaar later, op 24 mei 2016, heeft hij niet verklaard dat er handdoeken in de kast lagen maar alleen dat als deze er lagen, hij aan de zaag gezeten kan hebben. Op 6 april 2017, bijna 2 jaar later, heeft verdachte verklaard hoe zijn DNA-spoor misschien op de kettingzaag terecht is gekomen. Het hof vindt deze verklaring voor de aanwezigheid van het DNA-materiaal van verdachte volstrekt onaannemelijk, gelet op de omvang van de aangetroffen kettingzaag, de plaats waar deze is aangetroffen en het moment waarop verdachte deze verklaring heeft afgelegd.

Er zijn sporen van [slachtoffer] op de kettingzaag aangetroffen53. Ook zijn er op de kettingzaag sporen van textiel aangetroffen die overeenkomen met de stoffen waarin de lichaamsdelen van [slachtoffer] waren gewikkeld54. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij van [verdachte] heeft gehoord dat de laatste het lichaam van [slachtoffer] met een kettingzaag heeft gedeeld en dat die kettingzaag na de dood van [slachtoffer] met dat doel is aangeschaft. Die verklaring van [medeverdachte 1] wordt (deels) ondersteund door de aangetroffen sporen, alsmede door de vaststelling van de patholoog-anatoom dat het botletsel van [slachtoffer] op de plaatsen waar diens lichaam is gedeeld, past bij zaagsneden55.

Gelet op dit alles kan het niet anders dan dat de aangetroffen kettingzaag is gebruikt bij het in stukken delen van het lichaam van [slachtoffer] , bij welke gelegenheid verdachte zijn DNA op de stekker heeft achtergelaten. Bovendien maakt het aantreffen van DNA van zowel [slachtoffer] als verdachte56 op deze kettingzaag volstrekt onaannemelijk en zelfs ongeloofwaardig dat de laatste, zoals hij steeds heeft verklaard, [slachtoffer] nooit heeft ontmoet noch iets met diens dood, diens stoffelijk overschot of het wegmaken daarvan te maken heeft gehad.

De verklaringen van [medeverdachte 1] dat [verdachte] en [medeverdachte 2] verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer] worden, zoals hiervoor uiteengezet, op vele belangrijke punten ondersteund door andere bewijsmiddelen. De verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 2] daarentegen, vinden in overige bewijsmiddelen juist weerlegging.

Voor de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij het appartement in Rotterdam in de avond van 17 februari 2009 ongeveer 20 à 25 minuten heeft verlaten om drank en sigaretten te kopen, om bij terugkomst [verdachte] en [medeverdachte 2] bij de zieltogende [slachtoffer] aan te treffen is geen objectieve bevestiging gevonden. Van de telefoon die [medeverdachte 1] destijds in gebruik had (* [telefoonnummer 3] ) zijn tussen 19.10 uur en 23.40 uur op 17 februari 2009 geen locatiegegevens bekend57. Dit zou kunnen betekenen dat [medeverdachte 1] ’s telefoon gedurende deze periode niet ingeschakeld is geweest, maar het kan ook betekenen dat hij toen eenvoudigweg niet gebeld heeft of is. Het ontbreken van peilgegevens levert dan ook noch een ontkrachting noch een ondersteuning op voor de verklaring van [medeverdachte 1] op dit punt. Het hof verbindt aan het gebrek aan steun voor dit onderdeel van de verklaring van [medeverdachte 1] dan ook niet de gevolgtrekking dat daarmee de verklaring in haar geheel onbetrouwbaar is.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verklaringen die [medeverdachte 1] heeft afgelegd, die zoals hiervoor overwogen op belangrijke punten ondersteuning vinden in andere objectieve bewijsmiddelen, als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Het hof zal om die reden deze voor de verdachten belastende verklaringen bezigen tot het bewijs.

De door [medeverdachte 2] en [verdachte] afgelegde verklaringen omtrent hun afwezigheid in het appartement in Rotterdam die avond, overtuigen bepaald niet. De telefoon die bij [medeverdachte 2] en [verdachte] in gebruik was (* [telefoonnummer 2] ), bevond zich op 17 februari 2009 vanaf ongeveer 20.29 uur tot ongeveer 01.24 uur (op 18 februari 2009), met uitzondering van de tijdsperioden tussen 21.59 en 22.31 (32 minuten), tussen 22.37 en 22.58 (21 minuten) en tussen 23.50 en 00.53 uur (op 18 februari 2009, 63 minuten), steeds in of nabij het appartement in Rotterdam. In die tijdsspannen is via nummer * [telefoonnummer 2] telefonisch contact geweest met [naam 3] en met [naam 4] , verdachte’s tante58. Dit alles maakt volstrekt onaannemelijk dat [verdachte] en [medeverdachte 2] , zoals zij hebben verklaard, niet alleen niet meer bij dat appartement zijn geweest na terugkomst van de ontmoeting met verdachte’s tante in Amsterdam, maar ook dat zij gezamenlijk uren in een stripclub elders in Rotterdam hebben doorgebracht.

Het hof acht op grond van al het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [medeverdachte 2] zich op 17 februari 2009 te Rotterdam samen schuldig hebben gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] . [slachtoffer] is daarbij meermalen met een mes in de rug gestoken en ter hoogte van de hals gestoken en hij heeft (afweer)letsels opgelopen aan de binnenzijde van de linkerhand. Ten aanzien van de steekwond die [medeverdachte 1] stelt te hebben gezien ter hoogte van [slachtoffer] ’ hals merkt het hof nog op dat de sectiebevindingen deze geenszins uitsluiten, gelet op het gegeven dat de romp en het hoofd ten tijde van de sectie van elkaar gescheiden waren en de hals zich in het klievingsvlak bevond.59

Het dossier bevat geen bewijs voor voorbedachte raad, zodat verdachten van dat onderdeel van de tenlastelegging moeten worden vrijgesproken

Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak B

Voor het hof staat vast dat verdachte samen met de medeverdachten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] met een kettingzaag in stukken heeft gedeeld, het in de auto heeft vervoerd naar Mijdrecht en uiteindelijk naar Amsterdam en het daar heeft weggemaakt in het IJ-meer, zodat het in zaak B tenlastegelegde feit kan worden bewezen. Hiervoor is het volgende van belang.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat het lichaam van [slachtoffer] door verdachte met een kettingzaag in stukken is gedeeld en op enig moment daarna naar Mijdrecht en uiteindelijk naar Amsterdam is vervoerd door [medeverdachte 2] en [verdachte] in de VW Polo. [medeverdachte 1] reed achter de beide mannen aan in de Audi. [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben het lichaam van [slachtoffer] in het water gelaten. [medeverdachte 1] stond op de uitkijk. Daarna hebben ze de VW Polo geparkeerd en zijn ze met z’n drieën in de Audi naar Frankrijk gereden.

Deze verklaring van [medeverdachte 1] wordt ondersteund door de peilgegevens van de bij de verdachten in gebruik zijnde telefoons en de – op grond daarvan vast te stellen – onderlinge telefonische contacten en telefoonverplaatsingen. Dat maakt dit onderdeel van zijn verklaring betrouwbaar. Hierbij weegt mee dat [medeverdachte 1] heeft erkend bij dit feit betrokken te zijn geweest.

De nummers * [telefoonnummer 3] en * [telefoonnummer 2] peilden op 23 februari 2009 tussen 23:17 uur en 23:46 uur uit in de omgeving van de Zuider IJdijk en de Ooster Ringdijk te Amsterdam. Het nummer * [telefoonnummer 2] belde tussen die tijdstippen drie maal naar het nummer * [telefoonnummer 3] . Het nummer * [telefoonnummer 2] peilde vervolgens om 23.52 uur uit in de omgeving waar de VW Polo is achtergelaten. Direct daarna verplaatste het nummer zich in de richting van België/Frankrijk60. Daaruit leidt het hof af dat degenen die de telefoons met de nummers * [telefoonnummer 3] en * [telefoonnummer 2] in hun bezit hadden op het moment dat ze richting Frankrijk reden, dezelfde personen waren als degenen die de telefoons op de Zuider IJdijk en de Ooster Ringdijk in hun bezit hadden, namelijk [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] . Dat strookt ook met de bewegingen van die telefoons eerder op de avond, te weten van Mijdrecht, waar de verdachten met z’n drieën verbleven, naar Amsterdam.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] alle drie op 23 februari 2009 tussen 23.17 uur en 23.46 uur aanwezig waren op de plaats waar het lichaam van [slachtoffer] is weggemaakt.

Daaraan is, zoals reeds bij de bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak A is overwogen, het volgende voorafgegaan. [slachtoffer] is zes dagen eerder, op 17 februari 2009, door [medeverdachte 2] en [verdachte] om het leven gebracht in het appartement in Rotterdam. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] en [verdachte] gezegd dat het lichaam van [slachtoffer] niet in het appartement Rotterdam kon blijven. In de dagen tussen 17 februari 2009 en 24 februari 2009 zijn de verdachten vervolgens vaak bij elkaar geweest. Ze zijn gezamenlijk naar Rotterdam gegaan om het appartement in Rotterdam schoon te maken en om spullen van [slachtoffer] te verkopen en ze hebben met elkaar het lichaam van [slachtoffer] verborgen gehouden en weggemaakt.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten in de periode van 17 tot en met 23 februari 2009 erop gericht waren gezamenlijk het lichaam van [slachtoffer] te verbergen, weg te voeren en weg te maken, dit alles met het oogmerk om het overlijden van [slachtoffer] en/of de gewelddadige doodsoorzaak te verhelen en om aan strafvervolging te ontkomen. Het hof overweegt daarbij dat alle drie de verdachten bewust niet de autoriteiten hebben ingelicht en daarmee het door artikel 151 Sr beschermde belang hebben geschonden.

Voorwaardelijke (getuigen)verzoeken verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om de zaak aan te houden om de verdachte te horen en om [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als getuige te (doen) horen, indien het hof van oordeel is dat er tegen verdachte bewijs voorligt dat een ontzenuwende verklaring van hem verlangt. Ten aanzien van het verzoek tot het (doen) horen van [medeverdachte 1] heeft de raadsman betoogd dat diens situatie nu anders is, omdat hij onherroepelijk is vrijgesproken voor de moord/doodslag op [slachtoffer] en hem op dat punt geen beroep op zijn verschoningsrecht toekomt.

Het hof overweegt als volgt.

Gelet op hetgeen ten aanzien van de rol van verdachte hiervoor is overwogen, is aan de voorwaarde van de verzoeken voldaan.

Het hof is van oordeel dat de verzoeken door de verdediging onvoldoende zijn onderbouwd.

Het moment waarop de raadsman de getuigenverzoeken heeft gedaan maakt bovendien dat het hof deze beoordeelt aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. Voor het verzoek tot het horen van [medeverdachte 1] als getuige geldt daarbij dat hij reeds door de rechter-commissaris, in aanwezigheid van de verdediging, is gehoord. Het hof acht het niet noodzakelijk dat de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als getuige worden gehoord. De onherroepelijkheid in de zaak van [medeverdachte 1] doet daaraan niet af. Deze verzoeken worden daarom afgewezen.

Ten aanzien van het verzoek de zaak aan te houden om [verdachte] in de gelegenheid te stellen een verklaring af te leggen overweegt het hof dat [verdachte] sinds zijn aanhouding medio juli 2011 in de gelegenheid is gesteld om een verklaring af te leggen. In hoger beroep ligt de zaak opnieuw voor en is [verdachte] in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven en een verklaring af te leggen. [verdachte] heeft ervoor gekozen ter terechtzitting in hoger beroep niet te verschijnen, naar hij stelt wegens geldgebrek. Nu verdachte diverse malen in de gelegenheid is geweest een verklaring af te leggen, acht het hof het niet noodzakelijk verdachte die gelegenheid nogmaals te bieden. Dit verzoek wordt daarom ook afgewezen, evenals het aanhoudingsverzoek.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in zaak A en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A
hij op 17 februari 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met een mes in de romp gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Zaak B
hij in de periode van 17 februari 2009 tot en met 23 februari 2009 te Rotterdam en/of Mijdrecht en/of Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen, weggevoerd en weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] te verhelen, immers hebben verdachte en zijn mededaders,

- het lijk van [slachtoffer] in stukken gedeeld en

- delen van het lijk van [slachtoffer] in plastic, een sprei, een hoeslaken, een dekbedovertrek en een handdoek gewikkeld en

- delen van het lijk van [slachtoffer] in een koffer, plastic tassen en vuilniszakken gestopt en

- voornoemde koffer, plastic tas en vuilniszak met daarin delen van het lijk van [slachtoffer] verplaatst en in de achterbak van een motorvoertuig gelegd en

- voornoemde koffer, plastic tas en vuilniszak met daarin delen van het lijk van [slachtoffer] naar Amsterdam vervoerd en

- voornoemde koffer, plastic tas en vuilniszak met daarin delen van het lijk van [slachtoffer] in het water gelaten.

Hetgeen in zaak A en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van doodslag.

Het in zaak B bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte ten aanzien van het in zaak A en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte voor het in eerste aanleg in zaak B bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het in zaak A en in zaak B ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaren met aftrek van voorarrest.

Door de verdediging is in hoger beroep geen strafmaatverweer gevoerd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft, samen met zijn mededader, [slachtoffer] , toen nog maar 29 jaar oud, door messteken om het leven gebracht. Uit het bij het slachtoffer geconstateerde afweerletsel blijkt dat het slachtoffer zich

– helaas tevergeefs – heeft geprobeerd te verzetten om zijn leven te redden. Met het plegen van dit feit heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een van de zwaarste misdrijven die de Nederlandse strafwet kent. Verdachte en zijn mededader hebben [slachtoffer] het meest fundamentele recht, het recht op leven, opzettelijk ontnomen. De nabestaanden zullen de gevolgen van dit onherroepelijke en volkomen onverwachte verlies altijd moeten dragen. Een feit als het onderhavige schokt bovendien de rechtsorde en versterkt in hevige mate gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

Verdachte heeft enige tijd nadat hij [slachtoffer] om het leven had gebracht samen met zijn mededaders om ontdekking van deze levensberoving te voorkomen en om de oorzaak daarvan te verhelen, het stoffelijk overschot van [slachtoffer] eerst verborgen gehouden en in het appartement waar [slachtoffer] om het leven is gebracht en vervolgens weggemaakt door het in stukken te delen en de lichaamsdelen, verpakt in een koffer en vuilniszakken, te verbergen en te vervoeren in de VW Polo van [slachtoffer] en uiteindelijk in het IJ-meer te Amsterdam te water te laten. Daar zijn de lijkdelen op 24 februari 2009 aangetroffen. Verdachte is daarmee op een gruwelijke en respectloze wijze omgegaan met het lichaam van [slachtoffer] . Dit is in de eerste plaats uitermate schokkend geweest voor de nabestaanden. Maar niet alleen voor hen: voor eenieder die hiervan op enigerlei wijze kennis heeft genomen betreffen dit afschuwelijke feiten. De onschendbaarheid van het lichaam, ook dat van een overledene, is een belangrijk rechtsgoed. Verdachte heeft hier in verregaande mate inbreuk op gemaakt.

Door het doden van [slachtoffer] , het verborgen houden en het vervolgens verminken en wegmaken van diens lichaam en de nabestaanden van het slachtoffer in onzekerheid te laten over hetgeen het slachtoffer in de laatste fase van zijn leven is overkomen, heeft verdachte onherstelbaar leed, verdriet en pijn toegebracht aan de familieleden en andere naasten van het slachtoffer. Dat is ook gebleken uit de ter terechtzitting in hoger beroep door de vader van [slachtoffer] voorgelezen verklaring waaruit blijkt dat de familie van het slachtoffer nog dagelijks kampt met de gevolgen van deze vreselijke misdaden. Ter terechtzitting in hoger beroep is bovendien door de ouders van het slachtoffer naar voren gebracht dat de Ierse media grote belangstelling hebben voor deze zaak en dat zij nog steeds door berichtgeving in de kranten worden geconfronteerd met de dood van hun zoon en de wijze waarop verdachte en zijn mededaders vervolgens zijn omgegaan met zijn lichaam.

Door zijn ontkenning heeft verdachte bovendien geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn verwerpelijke daden en geen inzicht gegeven in de redenen voor het toepassen van dit brute geweld jegens het slachtoffer. De nabestaanden zijn lange tijd in onzekerheid gebleven over het lot van het slachtoffer. Het laatste teken van leven van [slachtoffer] dateerde van 17 februari 2009 en pas op 27 maart 2009 hoorden zij dat het lichaam van hun zoon was geïdentificeerd. Al die tijd hebben de nabestaanden in onzekerheid geleefd. De nabestaanden hebben bovendien pas na drie jaar vernomen wanneer [slachtoffer] was overleden, waardoor op diens grafsteen lange tijd geen datum van overlijden kon worden vermeld.

Uit het strafblad van verdachte van 23 maart 2018 blijkt dat hij niet eerder in Nederland is veroordeeld voor strafbare feiten. Tevens is uit het Ierse strafblad van 3 april 2017 gebleken dat verdachte in Ierland is veroordeeld voor onder meer drugshandel. Het hof heeft dit bij het bepalen van de strafmaat in het voordeel noch in het nadeel van verdachte laten meewegen.

Op grond van al het bovenstaande acht het hof geen andere straf dan een gevangenisstraf van zeer aanzienlijke duur gerechtvaardigd uit oogpunt van vergelding en in het belang van generale en speciale preventie. Gelet op de ernst van de feiten en de proceshouding van verdachte komt het hof tot een hogere gevangenisstraf dan door de advocaat-generaal geëist. Het hof acht, alles afwegende, voor het in zaak A bewezenverklaarde een gevangenisstraf van 11 jaren, met aftrek van voorarrest en overleveringsdetentie, en het in zaak B bewezenverklaarde een gevangenisstraf van 2 jaren passend en geboden. Bij het bepalen van de duur van de hoogte van de gevangenisstraf in zaak B heeft het hof zich, evenals de rechtbank, laten leiden door de ernst van het feit waarbij in ogenschouw is genomen dat een gruwelijker en meer respectloze manier van handelen met betrekking tot het wegmaken van een lichaam nauwelijks denkbaar is. Het is om die reden dat het hof, evenals de rechtbank, de door de wetgever bepaalde maximale straf oplegt, te weten een gevangenisstraf van twee jaren. Gelet op artikel 57 Sr legt het hof één straf op, van na te melden duur.

Gevangenneming

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep de gevangenneming van verdachte gevorderd. De raadsman heeft daartegen geen verweer gevoerd.

Gelet op de bewezenverklaring in zaak A is het hof van oordeel dat ernstige bezwaren aanwezig zijn. Voorts is het hof gelet op de ernst van dat feit van oordeel dat de 12-jaarsgrond (en de geschokte rechtsorde) ook op dit moment nog aan de orde is. Het hof zal daarom de gevangenneming van verdachte bevelen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 29.754,75, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft daarbij verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het gevorderde bedrag is als volgt samengesteld.

  1. kosten retourticket voor overbrengen stoffelijk overschot € 341,40

  2. hotelkosten in Nederland in afwachting van het stoffelijk overschot € 221,54

  3. retourticket naar Nederland ter nagedachtenis [slachtoffer] in verband € 296,04
    met zijn verjaardag. Bezoek is gecombineerd met een gesprek bij
    slachtofferhulp Nederland. Augustus 2009

  4. hotelkosten voor voornoemd verblijf € 315,00

  5. retourticket voor bezoek aan het OM ter bespreking strafonderzoek € 340,52
    februari 2010

  6. hotelkosten voor voornoemd verblijf € 210,00

  7. kosten retourticket ter nagedachtenis [slachtoffer] augustus 2010 € 305,24

  8. hotelkosten voor voornoemd verblijf € 567,50

retourticket voor bezoek aan het OM ter bespreking strafonderzoek € 325,54
februari 2011

hotelkosten voor voornoemd verblijf € 260,00

kosten retourticket Nederland ter nagedachtenis sterfdag [slachtoffer] € 91,47
februari 2012

hotelkosten voor voornoemd verblijf € 370,50

kosten hotel Nederland ter nagedachtenis sterfdag [slachtoffer] € 321,00
februari 2014

kosten begrafenisdienst 8 april 2009 € 6.364,00

kosten monument na crematie € 2.300,00

kosten begrafenis/crematierechten € 2.125,00

------------- +

Totaal materiële schade € 14.754,75

Immateriële schade, shockschade € 15.000,00

------------- +

Totale schade € 29.754,75

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.136,06 aan materiële schade en € 5.000 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering tot materiële schade tot een bedrag van

€ 12.488,00 kan worden toegewezen en dat de gevorderde immateriële schade geheel toewijsbaar is.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van

€ 8.830,40, zijnde de gemaakte kosten in verband met de uitvaart van [slachtoffer] (de posten onder A, N en P). Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De overige gevorderde vergoeding van materiële kosten (de posten onder B, C, D, G, H, K, L, M en O) komen niet in aanmerking voor vergoeding op de voet van artikel 51f Sv nu deze naar het oordeel van het hof niet rechtstreeks het gevolg zijn van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De benadeelde partij is ten aanzien van dit deel van haar vordering dan ook niet-ontvankelijk.

Reis- en verblijfkosten

Door de benadeelde partij noodzakelijk gemaakte reis- en verblijfkosten zijn - anders dan door de benadeelde partij gevorderde vermogensschade als bedoeld in artikel 51f Sv en artikel 6:96 BW, mede gelet op het bepaalde in artikel 238, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, naar het oordeel van het hof eveneens te rekenen tot de kosten waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in artikel 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven. Het hof acht een vergoeding van de gemaakte reis-en verblijfkosten ad € 1.136,06 zoals verzocht (de posten onder E, F, I en J), redelijk en zal dit bedrag toewijzen.

Immateriële schade

De gevorderde immateriële schade, de schokschade, is in de vordering onderbouwd door een medisch rapport van psycholoog/psychiater [naam 6] waaruit blijkt dat bij de moeder van [slachtoffer] ernstig psychisch letsel is vastgesteld als gevolg van het gewelddadig overlijden van haar zoon. Het hof stelt vast dat in de onderhavige zaak sprake is van een tragische gebeurtenis die de benadeelde partij ernstig heeft getroffen en verdriet heeft toegebracht. In het algemeen komt immateriële schade of schokschade voor vergoeding in aanmerking als een benadeelde partij rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het overlijden heeft plaatsgevonden en deze confrontatie bij de benadeelde partij een hevige schok heeft teweeggebracht. Daarvoor is overeenkomstig artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld doordat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Tegen de achtergrond van dit kader overweegt het hof dat op grond van het medisch rapport kan worden vastgesteld dat het psychisch letsel dat bij moeder is ontstaan, is veroorzaakt door het in zaak A en B bewezen geachte feit.

Uit de slachtofferverklaring die ter zitting van 6 april 2018 door de vader van [slachtoffer] is voorgelezen, is gebleken dat de familie door foto’s in kranten ook rechtstreeks is geconfronteerd met de gruwelijke wijze waarop met het lichaam van hun zoon is omgegaan. Het hof acht het evident dat dit heeft bijgedragen aan het ziektebeeld van [benadeelde 1] dat door de psychiater is vastgesteld.

De gevorderde immateriële schadevergoeding, die de verdediging niet heeft betwist, komt het hof dan ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zijn geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 151 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het in zaak A en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A en in zaak B bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

ter zake van het in zaak A en in zaak B bewezen verklaarde tot het bedrag van € 24.966,46 (vierentwintigduizend negenhonderdzesenzestig euro en zesenveertig cent) bestaande uit € 9.966,46 (negenduizend negenhonderdzesenzestig euro en zesenveertig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , ter zake van het in zaak A en in zaak B bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 24.966,46 (vierentwintigduizend negenhonderdzesenzestig euro en zesenveertig cent) bestaande uit € 9.966,46 (negenduizend negenhonderdzesenzestig euro en zesenveertig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 159 (honderdnegenenvijftig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 23 februari 2009.

Beveelt de gevangenneming van verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. R.D. van Heffen en mr. A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van mr. A.F. van der Heide, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 mei 2018.

1 [...]

2 [...]

3 [...]

4 [...]

5 [...]

6 [...]

7 [...]

8 [...]

9 [...]

10
[...]

11 [...]

12 [...]

13 [...]

14 [...]

15 [...]

16 [...]

17 [...]

18 [...]

19 [...]

20 [...]

21 [...]

22 [...]

23
[...]

24 [...]

25
[...]

26 [...]

27 [...]

28 [...]

29 [...]

30 [...]

31
[...]

32 [...]

33 [...]

34 [...]

35 [...]

36 [...]

37 [...]

38 [...]

39 [...]

40 [...]

41 [...]

42
[...]

43 [...]

44 [...]

45 [...]

46 [...]

47 [...]

48 [...]

49 [...]

50 [...]

51 [...]

52 [...]

53 [...]

54 [...]

55 [...]

56 [...]

57 [...]

58 [...]

59 [...]

60 [...]