Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1607

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-05-2018
Datum publicatie
22-05-2018
Zaaknummer
23-002485-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging diefstal in vereniging. Art. 45 Sr en art. 311 lid 1 sub 4 Sr. Gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Tenuitvoerlegging voorwaardelijk opgelegde straf: taakstraf voor de duur van 75 uren, subsidiair 37 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002485-17

datum uitspraak: 15 mei 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 11 juli 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 15-082614-17 en 15-204447-16 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 mei 2017 in de gemeente Hollands Kroon tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een brandstoftank van een generator/aggregaat, welke was geplaatst op een (bouw)terrein gelegen aan de Zuiderkwelweg te Wieringerwerf, heeft weggenomen een hoeveel brandstof, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

subsidiair:
hij op of omstreeks 6 mei 2017 in de gemeente Hollands Kroon tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een brandstoftank van een generator/aggregaat, welke was geplaatst op een (bouw)terrein gelegen aan de Zuiderkwelweg te Wieringerwerf weg te nemen een hoeveel brandstof, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met een personenauto, waarachter een aanhangwagen was gekoppeld met daarop een (zogenaamd) (IBC-)vat, naar dat (bouw)terrein is gereden en/of (aldaar) die personenauto nabij die generator/aggregaat heeft geparkeerd en/of (vervolgens) een afdekklep van die generator/aggregaat heeft geopend en/of de dop van de brandstoftank heeft geopend en/of (vervolgens) een of meer slang(en) heeft gepakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak primair ten laste gelegde

Op grond van de inhoud van het dossier is naar oordeel van het hof geen sprake van een voltooide diefstal, nu de verdachte er niet in is geslaagd zich de feitelijke heerschappij over de brandstof te verschaffen. Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem subsidiair ten laste gelegde.

Primair heeft hij daartoe aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende verband blijkt tussen de aangehouden personen in de auto en de personen die op het terrein aanwezig waren. De verdachte stelt dat hij pas na de poging tot diefstal ergens anders bij de medeverdachte in de auto is gestapt, waarbij hij de plaats innam van de broer van de medeverdachte. Volgens de raadsman kan daarom niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte op het terrein, waar de poging tot diefstal van de brandstof heeft plaatsgevonden, aanwezig was. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de handelingen die door de getuige zijn gezien – het oprollen van slangen bij de brandstoftank – naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet zijn gericht op een poging tot diefstal, maar op weggaan.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van het hof is het alternatieve scenario, zoals geschetst door de verdachte, niet aannemelijk geworden. Gelet op de fase van het proces waarin het alternatieve scenario voor het eerst gepresenteerd wordt, stelt het hof strenge eisen aan de onderbouwing daarvan. En die onderbouwing is uitgebleven. Daar komt bij dat medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij met [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) is aangehouden. [medeverdachte] heeft het er op geen moment over dat hij eerst met zijn broer samen was en [verdachte] pas later heeft opgepikt.

Het hof overweegt vervolgens dat het subsidiaire verweer van de raadsman zijn weerlegging vindt in de bewijsmiddelen. Daaruit blijkt dat in de aanhangwagen goederen en gereedschap lagen, geschikt voor het stelen van brandstof. De handelingen die door de getuige zijn gezien passen bij het plotseling afbreken van een poging tot diefstal, waarbij de verdachte en zijn medeverdachte zich betrapt voelden en om die reden hun handelingen staakten en overgingen tot het oprollen van de slangen. Gelet op het voorgaande zijn de handelingen van de verdachte, naar het oordeel van het hof, naar hun uiterlijke verschijningsvorm aan te merken als een poging tot diefstal.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 6 mei 2017 in de gemeente Hollands Kroon tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een brandstoftank van een generator, welke was geplaatst op een bouwterrein gelegen aan de Zuiderkwelweg te Wieringerwerf weg te nemen een hoeveel brandstof toebehorende aan [bedrijf], met een personenauto, waarachter een aanhangwagen was gekoppeld met daarop een zogenaamd IBC-vat, naar dat bouwterrein is gereden en aldaar die personenauto nabij die generator heeft geparkeerd en slangen heeft gepakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot diefstal van brandstof. Dit is een hinderlijk en vervelend feit. Bovendien heeft het hof achtgeslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 april 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een diefstal. Het hof stelt verder vast dat artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Gelet hierop is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf niet aan de orde is.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 januari 2017 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een werkstraf (het hof begrijpt: een taakstraf) voor de duur van 75 uren subsidiair 37 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 januari 2017, parketnummer 15-204447-16, te weten van: een taakstraf voor de duur van 75 (vijfenzeventig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M. van der Nat, mr. H.A. van Eijk en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van R.L. Vermeulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 mei 2018.

Mr. G.M. Boekhoudt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]