Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1595

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
15-05-2018
Zaaknummer
17/00282 ev
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

'Oldtimerregeling-zaak'.

De inspecteur erkent dat de hoorplicht is geschonden. Het Hof komt echter tot de conclusie dat belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Verder verwerpt het Hof de grief van belanghebbende dat de inspecteur gehouden was om het verzoek om uitstel (van de motivering van het bezwaarschrift) in behandeling te nemen alvorens uitspraak op bezwaar te doen. Het Hof oordeelt verder (onder andere) dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last en verwerpt belanghebbendes inhoudelijke grieven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1028
Viditax (FutD), 15-05-2018
FutD 2018-1347
FutD 2018-1348
V-N 2018/58.1.9
NTFR 2018/1319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 17/00282 en 17/00283

8 mei 2018

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X] , te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: G. Veldhuisen, Juradvin incassobureau en juridische dienstverlening te Amsterdam)

tegen de uitspraken van 12 april 2017 in de zaken met kenmerken HAA 15/279 en HAA 15/280 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

Kenmerk rechtbank 15/279, kenmerk Hof 17/00282

1.1.1.

Belanghebbende heeft ter zake van het motorrijtuig met het kenteken [kenteken] over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 een bedrag van € 93 aan motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) op aangifte voldaan.

Na hiertegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 28 november 2014 het bezwaar ongegrond verklaard.

Kenmerk rechtbank 15/280, kenmerk Hof 15/00283

1.1.2.

Belanghebbende heeft ter zake van het motorrijtuig met het kenteken [kenteken] over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 een bedrag van € 28 aan MRB op aangifte voldaan.

Na hiertegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 28 november 2014 het bezwaar ongegrond verklaard

1.2.

Bij afzonderlijke uitspraken van 12 april 2017 heeft de rechtbank de door belanghebbende tegen voormelde uitspraken op bezwaar ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

1.3.

De tegen deze uitspraken, bij afzonderlijke geschriften, ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 24 mei 2017. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft op 19 maart 2018 in beide zaaknummers een nader stuk ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2018. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak met zaaknummer HAA 15/279 de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin (evenals in de later in deze uitspraak geciteerde overwegingen van de rechtbank) aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als verweerder.

“1. Eiser was het gehele jaar 2014 houder van een motorrijtuig met kenteken [kenteken] ( [merk] , hierna: de auto). De auto rijdt op benzine. De datum eerste toelating is 2 april 1981.

2. Eiser heeft in het verleden een vrijstellingskennisgeving voor een motorrijtuig van 25 jaar en ouder voor de auto ontvangen.

3. Op 17 december 2013 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de wijziging van de wetgeving voor de vrijstelling van mrb voor oldtimers per 1 januari 2014. De vrijstelling geldt alleen nog voor motorrijtuigen die (langer dan) 40 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen.

4. In december 2013 heeft eiser een informatiebrief betreffende de wijziging vrijstelling mrb voor oldtimers ontvangen voor de auto.

5. Eiser heeft op 17 april 2014 voor de auto het bedrag van € 93 aan mrb voldaan voor het van belang zijnde tijdvak.”

De rechtbank heeft in haar uitspraak met zaaknummer HAA 15/280 de navolgende feiten vastgesteld. Evenals in de uitspraak met nummer HAA 15/279 wordt belanghebbende daarin aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als verweerder:

1. Eiser was van 24 januari 2012 tot en met 20 oktober 2014 houder van een motorrijtuig met kenteken [kenteken] ( [merk] , hierna: de motor). De motor rijdt op benzine. De datum eerste toelating is 30 juli 1982.

2. Eiser heeft in het verleden een vrijstellingskennisgeving voor een motorrijtuig van 25 jaar en ouder voor de motor ontvangen.

3. Op 17 december 2013 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de wijziging van de wetgeving voor de vrijstelling van mrb voor oldtimers per 1 januari 2014. De vrijstelling geldt alleen nog voor motorrijtuigen die (langer dan) 40 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen.

4. In december 2013 heeft eiser een informatiebrief betreffende de wijziging vrijstelling mrb voor oldtimers ontvangen voor de motor.

5. Eiser heeft op 17 april 2014 voor de motor het bedrag van € 28 aan mrb voldaan voor het van belang zijnde tijdvak.”

2.2.

Nu de door de rechtbank vastgestelde feiten in de zaken met procedurenummers HAA 15/279 en HAA 15/280 door partijen niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Het oordeel van de rechtbank

3.1.

De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende ongegrond verklaard, waarbij zij in de uitspraak met procedurenummer HAA 15/280 het volgende heeft overwogen (de overwegingen van de rechtbank in de uitspraken met procedurenummers HAA 15/279 en HAA 15/280 zijn nagenoeg identiek):

“7. Tot 1 januari 2014 werd vrijstelling verleend voor motorrijtuigen van 25 jaar of ouder. De wettelijke regeling is met ingang van 1 januari 2014 gewijzigd in die zin dat de vrijstelling vanaf de wetswijziging slechts geldt voor motorrijtuigen die ten minste 40 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen. Daarbij is – onder voorwaarden – een overgangsregeling ingevoerd waardoor voor bestaande situaties een verlaagd tarief geldt. (artikel 84a Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, hierna: Wet MRB). Die overgangsregeling ziet op motorrijtuigen die op benzine lopen. Gelet op deze wetswijziging en overgangsregeling is eiser mrb verschuldigd voor zijn motor [Hof: in de zaak met procedurenummer HAA 15/279 ‘de auto’].

8. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat de wijziging in de wetgeving en de overgangsbepaling onredelijk en onbillijk zijn gaat de rechtbank hieraan voorbij. Artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, bepaalt immers dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. Dat betekent dat de rechter gehouden is de wet te volgen, ongeacht het antwoord op de vraag of de wetgever in het licht van de vereisten van rechtvaardigheid of doelmatigheid de juiste keuzes heeft gemaakt of wellicht ook andere keuzes had kunnen maken, waaronder (onder meer) begrepen de omstandigheid dat de wetgever onderscheid heeft aangebracht tussen motorrijtuigen jonger dan veertig jaar en motorrijtuigen [Hof: in de zaak met procedurenummer HAA 15/279 ‘ auto’s’] ouder dan veertig jaar.

9. Het vorenstaande laat onverlet dat op grond van artikel 94 van de Grondwet binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, zoals artikel 1 van het Eerste Protocol (hierna: EP) van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).

10. Eiser heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verweerder over een onjuist tijdvak een aanslag mrb heeft opgelegd, er mag immers met de motor [Hof: in de zaak met procedurenummer HAA 15/279 ‘de auto’] alleen gebruik van de openbare weg worden gemaakt tot en met 30 november 2014. De aanslag moet reeds hierom worden vernietigd, aldus eiser.

Voorts stelt eiser dat hij er op mocht vertrouwen dat de regelgeving die gold ten tijde van de aanschaf van de motor [Hof: in de zaak met procedurenummer HAA 15/279 ‘de auto’] op hem van toepassing bleef. Hij doet hiermee een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Er is namelijk volgens eiser ten onrechte geen rekening gehouden met bestaande rechten zoals neergelegd in de vrijstellingskennisgeving.

Bovendien heeft eiser een beroep gedaan op het zorgvuldigheidsbeginsel. De wijziging van de wetgeving moet volgens eiser een gerechtvaardigd doel dienen en noodzakelijk zijn.

Tevens heeft eiser gesteld dat de wetwijziging in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Er is een wanverhouding tussen de extra kosten voor de eigenaren van een motorrijtuig [Hof: in de zaak met procedurenummer HAA 15/279 ‘de auto’] ouder dan vijfentwintig jaar maar jonger dan veertig jaar ten opzichte van het doel van de wetswijziging. Hobbymatige oldtimerrijders zoals eiser worden geconfronteerd met een enorme waardedaling van hun motorrijtuig [Hof: in de zaak met procedurenummer HAA 15/279 ‘de auto’] én stallingskosten in de maanden december tot en met februari. De wetswijziging vormt dan ook een individuele en buitensporige last. Eiser wenst een vergoeding voor deze schade.

Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de belastingdienst een actieve en onmiskenbare rol heeft gespeeld in het besluitvormingsproces op grond waarvan de door eiser ongewenste wetswijziging tot stand is gekomen. Gelet hierop hebben volgens eiser zowel de wetgever als de belastingdienst onjuist gehandeld. De overheid is onbetrouwbaar door de kort na elkaar ingevoerde tegenstrijdige wetswijzigingen.

11. Eisers primaire grief dat de mrb is voldaan over een onjuist tijdvak faalt. De mrb is een houderschapsbelasting. Hiervoor is (de mate van) het gebruik van de weg niet relevant bij de beoordeling of en hoeveel mrb is verschuldigd. Zie r.o. 6.3.4. van de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 29 november 2016. (ECLI:NL:GHAMS:2016:5170)

12. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) belastingheffing een inbreuk vormt op het eigendomsrecht in de zin van artikel 1 EP EVRM. Echter bij de keuze van de middelen om het algemeen belang te dienen, komt aan de wetgever een zeer ruime beoordelingsmarge toe. De Hoge Raad (hierna: HR) heeft in zijn uitspraak van 23 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2829) geoordeeld dat de wetgever met de wijziging van de Wet MRB en de invoering van de daarbij behorende overgangsregeling binnen deze zeer ruime beoordelingsvrijheid is gebleven. In r.o. 2.4.4 van deze uitspraak van de HR is ook overwogen dat de doelstellingen van de wetswijziging, namelijk beperking van de milieuvervuiling en het vullen van de schatkist, legitiem zijn. Dat de doelstellingen wellicht niet zijn gehaald is niet relevant. De vraag die voorligt is of ten tijde van de wetwijziging dit legitieme doelen waren. En dat is zo, aldus de HR.

13. De rechtbank sluit zich hier bij aan. Eisers beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel treft dan ook geen doel. Het staat de wetgever in beginsel vrij die maatregelen te treffen die zij noodzakelijk acht, ook al leidt dit tot meerdere wetswijzigingen in (relatief) korte tijd, de wetgever is gelet op de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid daarbij niet gehouden bestaande aanspraken op belastingvrijstellingen te laten voortduren. Daar komt bij dat met ingang van 1 januari 2007 de vrijstelling niet meer bij wettelijke beschikking werd verleend, maar nog slechts een mededeling betreft over het van rechtswege in werking treden van een vrijstelling van de belastingplicht. De vrijstelling geldt sindsdien van rechtswege wanneer aan de voorwaarden voor de vrijstelling wordt voldaan. Eiser mocht aan de vrijstellingskennisgeving niet het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat deze vrijstelling ook bij een wetswijziging tot in lengte van dagen zou voortduren. Zie r.o. 2.5.1 en 2.5.2 van eerdergenoemde uitspraak van de HR.

14. Eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt eveneens. Dat motorrijtuigen [Hof: in de zaak met procedurenummer HAA 15/279 ‘de auto’] door de wetswijziging in waarde dalen en dat bezitters van motorrijtuigen [Hof: in de zaak met procedurenummer HAA 15/279 ‘de auto’] jonger dan 40 jaar mrb wel moeten betalen én dat naar het idee van eiser het maatschappelijk nut van de maatregelen nihil is, zijn aspecten van wetgeving die vallen binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever. Zie r.o. 6.3.7 van eerdergenoemde uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 29 november 2016. Zoals hierboven genoemd heeft de HR in r.o. 2.4.4 van eerdergenoemde uitspraak overwogen dat het doel van de wetswijziging, namelijk beperking van de milieuvervuiling én het vullen van de schatkist, legitiem is.

15. Voorts is de rechtbank in navolging van de HR (r.o. 2.4.6) van oordeel dat er geen strijd is met het beginsel van fair balance omdat er geen sprake is van een individuele én buitensporige last. Het feit dat de waarde van de motor [Hof: in de zaak met procedurenummer HAA 15/279 ‘de auto’] van eiser is gedaald en dat hij voor de maanden december tot en met februari stallingskosten moet betalen vormen voor eiser wel een individuele last maar deze is niet buitensporig te noemen. Daarbij is onder meer van belang dat eiser slechts een relatief laag bedrag aan mrb is verschuldigd zeker in vergelijking met andere kentekenhouders van motoren.

16. De rechtbank overweegt ten slotte dat het Nederlandse staatsbestel zo is ingericht dat op basis van het rechtstatelijke uitgangspunt van machtenscheiding en machtsevenwicht (trias politica) de wetgever als democratisch gelegitimeerde staatsmacht wettelijke regelingen vaststelt. Op grond hiervan hebben de wetgevende macht en de uitvoerende macht gescheiden taken en verantwoordelijkheden. De rechtbank constateert dat de onderhavige wetswijzing in overeenstemming met eerdergenoemd uitgangspunt door de wetgever is vastgesteld. Dat de belastingdienst de wetgever wellicht (cijfermatige) gegevens heeft verstrekt gedurende het wetgevingsproces maakt dit niet anders. Dat, zoals eiser meent, de wetswijziging op ongeoorloofde en onjuiste wijze tot stand is gekomen, kan in ieder geval niet worden tegengeworpen aan de belastingdienst (verweerder). De Belastingdienst is (slechts) verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de wetgeving. Daarbij is nog van belang dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever op de hoogte was van de gevolgen van afschaffing van de vrijstelling voor bezitters van oldtimers. Desondanks heeft de wetgever, gelet op de haar toekomende ruime beoordelingsvrijheid, daartoe kunnen besluiten. Eisers grief faalt.

17. Gelet op al het vorengaande is eiser mrb verschuldigd voor de motor [Hof: in de zaak met procedurenummer HAA 15/279 ‘de auto’] volgens het tarief van de overgangsbepaling.

18. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Schadevergoeding

19. Eiser heeft verzocht om vergoeding van de schade (de door hem te betalen mrb, de daling van de waarde van de motor [Hof: in de zaak met procedurenummer HAA 15/279 ‘de auto’], schade van de technische aanpassing; de stalingskosten in de maanden december tot en met februari en overige door eiser genoemde kosten) die hij heeft geleden als gevolg van de wetswijziging. Omdat het beroep ongegrond is verklaard is er geen ruimte om schade te vergoeden op de voet van artikel 8:73 van de Awb. Gelet op al het vorenoverwogene is er geen sprake van een onrechtmatige overheidsdaad, zodat ook om die reden geen aanleiding bestaat voor een schadevergoeding.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

4 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is tussen partijen in geschil of belanghebbende in het tijdvak 2014 MRB is verschuldigd ter zake van het houden van de motor en de auto (hierna ook tezamen: de voertuigen).

5 Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

6 Beoordeling van het geschil

6.1.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2014 – overeenkomstig de daarvoor geldende bepalingen – gebruik gemaakt van de overgangsregeling door voor de voertuigen het zogenoemde kwarttarief (als bedoeld in artikel 84a, lid 2, Wet MRB) aan MRB op aangifte te voldoen. Belanghebbende heeft daarna tegen deze voldoeningen bezwaar gemaakt. Belanghebbende is, alvorens de inspecteur uitspraak op de bezwaarschriften heeft gedaan, niet gehoord.

6.2.

In hoger beroep is tussen partijen niet langer in geschil dat de inspecteur de hoorplicht (art. 7:2, Awb) heeft geschonden. Het Hof zal zich bij dit gezamenlijk standpunt van partijen aansluiten en het handelen van de inspecteur als een schending van een vormvoorschrift aanmerken.

6.3.

In een dergelijk geval kan het Hof met toepassing van artikel 6:22 Awb aan het vormverzuim voorbijgaan, mits de belanghebbende daardoor niet is benadeeld.

Partijen houdt verdeeld of belanghebbende door de schending van de hoorplicht in zijn belangen is geschaad, hetgeen belanghebbende stelt en de inspecteur weerspreekt.

6.4.

Het Hof overweegt als volgt. Niet in geschil is dat belanghebbende zijn bezwaren in beroep en in hoger beroep alsnog schriftelijk heeft kunnen uiteenzetten en mondeling heeft kunnen toelichten. De verklaring van belanghebbende ter zitting bij het Hof en de gedingstukken, laten bovendien geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende met de Inspecteur geen verschil van mening heeft over de van belang zijnde feiten en/of over de waardering daarvan en dat de geschilpunten enkel de beantwoording van rechtsvragen betreft, waarbij de inspecteur geen beleidsvrijheid toekomt. Gelet daarop is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet is benadeeld (vgl. HR 18 april 2003, nr. 37790, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, BNB 2003/267, en HR 20 mei 2005, nr. 39816, ECLI:NL:HR:2005:AT5894, BNB 2005/300). Het Hof zal daarom met toepassing van art. 6:22 Awb het besluit waartegen bezwaar is gemaakt, in stand laten.

6.5.

De gemachtigde stelt verder dat de inspecteur, alvorens uitspraak op bezwaar te doen, had moeten reageren op het namens belanghebbende ingediende verzoek om nader uitstel. [(...)] , wiens pro forma bezwaarschrift door de inspecteur op 2 juni 2014 is ontvangen, is door de inspecteur bij brief van 20 oktober 2014, conform het bepaalde in artikel 6:6 Awb, in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaarschrift vóór 6 november 2014 te motiveren. De gemachtigde heeft in reactie daarop bij brief van 5 november 2014, welke hij stelt op 6 november 2014 per fax aan de inspecteur te hebben verzonden, om nader uitstel verzocht.

6.6.Voor zover de gemachtigde stelt dat de inspecteur alvorens uitspraak op bezwaar te doen, had moeten reageren op het namens belanghebbende ingediende verzoek om nader uitstel, wordt deze stelling verworpen aangezien de gemachtigde zich er onder de omstandigheden van dit geval er tijdig - dus uiterlijk op 5 november 2014 - van had moeten vergewissen of, en zo ja, tot wanneer hem nader uitstel voor het indienen van de gronden van het bezwaar was of zou worden verleend (vgl. HR 21 mei 2010, nr. 09/01785, ECLI:NL:HR:2010:BM5117). Nu belanghebbende dit heeft nagelaten, was de inspecteur niet gehouden het verzoek om uitstel in behandeling te nemen alvorens uitspraak op bezwaar te doen. Het Hof verwerpt ook deze grief van belanghebbende.

6.6.

Bij dit oordeel heeft het Hof meegewogen dat belanghebbende zich heeft laten bijstaan door een professionele gemachtigde, de verzoeken om (nader) uitstel niet zijn gemotiveerd, de gemachtigde vijf maanden de tijd heeft gehad om zijn bezwaarschrift te motiveren en dat hij de periode gelegen tussen 6 november 2014 (verzoek om uitstel) en 28 november 2014 (dagtekening uitspraak op bezwaar) niet heeft benut om de gronden alsnog zo spoedig als mogelijk in te dienen, terwijl dit onder de gegeven omstandigheden wel in de rede had gelegen.

6.7.

Nu het Hof geen aanleiding ziet om de zaak terug te wijzen naar de inspecteur, komt het toe aan de behandeling van de inhoudelijke grieven van belanghebbende.

6.8.

Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat de wetgever door instemming met artikel 72, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet MRB, heeft gehandeld in strijd met de Grondwet en/of artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De Rechtbank heeft dit volgens belanghebbende miskend. Deze grief faalt. Artikel 120 van de Grondwet luidt: "De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten (…)." De rechter mag derhalve, anders dan belanghebbende klaarblijkelijk veronderstelt, wetten niet toetsen aan de Grondwet. Van de door de gemachtigde gestelde strijd - op wetgevingsniveau - met het EVRM is evenmin sprake. De rechtbank is in zoverre op goede gronden tot een juist oordeel gekomen. Het Hof maakt dit oordeel (rechtsoverwegingen 12 en 13) alsmede de gronden waarop dit berust, tot de zijne.

6.9.

De stelling van belanghebbende dat, wat er ook zij van de legitimiteit van de doelstellingen van de wetgever te dezen, sprake is van onbehoorlijke wetgeving omdat vooraf reeds duidelijk was dat deze (legitieme) doelstellingen nooit zouden worden gehaald, wordt eveneens verworpen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 december 2016 (nr, 15/02137, ECLI:NL:HR:2016:2829, r.o. 2.4.4) overwogen dat met de onderhavige wetswijziging een legitiem doel in het algemeen belang is nagestreefd: de beperking van milieuvervuiling en het genereren van opbrengsten voor de schatkist, zodat deze wetswijziging – mede in het licht van de zeer ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever toekomt – niet van iedere redelijke grond is ontbloot. Dit heeft, aldus de Hoge Raad, evenzeer te gelden voor de keuze van de wetgever om de oldtimervrijstelling te beperken tot auto's die 40 jaar of ouder zijn en voor de keuze om bij jonge oldtimers geen onderscheid te maken tussen zogenoemde hobby-auto's en auto's voor dagelijks gebruik. In dit oordeel ligt besloten dat niet kan worden geoordeeld dat sprake is van onbehoorlijke wetgeving zoals door belanghebbende gesteld .

6.10.

Ook in hoger beroep heeft belanghebbende aangevoerd dat de aanslag over een onjuist tijdvak is opgelegd omdat met de onderhavige voertuigen waarvoor een beroep is gedaan op de overgangsregeling, geen gebruik van de openbare weg mag worden gemaakt in de maanden december tot en met februari. Het onderhavige tijdvak (2014) omvat naar hij stelt daarom ten onrechte de maand december. Deze grief faalt. In het eerste lid van artikel 84a van de Wet MRB is immers bepaald dat het tijdvak voor toepassing van de overgangsregeling telkens een kalenderjaar is. Het tijdvak is derhalve terecht op een kalenderjaar gesteld. Voorts is, zoals door de rechtbank overwogen in rechtsoverweging 11 van haar uitspraak, de MRB een houderschapsbelasting. Hiervoor is (de mate van) het gebruik van de weg niet relevant bij de beoordeling of en hoeveel MRB is verschuldigd.

6.11.

Belanghebbende heeft daarenboven aangevoerd dat hij er op mocht vertrouwen dat de toentertijd zonder einddatum aan hem verleende vrijstellingsbeschikkingen altijd zou blijven gelden. Dit gerechtvaardigd vertrouwen is niet gerespecteerd en daarom heeft hij recht op schadevergoeding. Het Hof overweegt als volgt. In meergenoemd arrest van 23 december 2017 is door de Hoge Raad overwogen (2.5.2): ‘De aan belanghebbende als houder van de auto gegeven vrijstellingsbeschikking 2005 is gegrond op de toenmalige wetgeving op grond waarvan de inspecteur op verzoek vrijstelling van motorrijtuigenbelasting toekende voor motorrijtuigen van 25 jaar en ouder. Sedert 1 januari 2007 bepaalt de Wet niet langer dat de oldtimervrijstelling na een daartoe gedaan verzoek bij beschikking van de inspecteur van toepassing is. De vrijstelling geldt sindsdien van rechtswege wanneer aan de voorwaarden voor de vrijstelling wordt voldaan. Dit betekent dat de vrijstellingsbeschikking 2005 met ingang van 1 januari 2007 haar rechtskracht heeft verloren en dat de mededeling van 2009 niet kan worden aangemerkt als een krachtens de wettelijke bepalingen gegeven beschikking.

Daarbij wordt opgemerkt dat belanghebbende aan de vrijstellingsbeschikking 2005 noch aan de mededeling van 2009 het in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat de oldtimervrijstelling ook na 1 januari 2014 voor de auto van toepassing zou blijven. De inhoud van zowel de vrijstellingsbeschikking 2005 als de mededeling van 2009 laat geen andere conclusie toe dan dat deze niet meer was dan een weergave van de toentertijd geldende wettelijke bepalingen met betrekking tot de oldtimervrijstelling. Uit die inhoud kon bij belanghebbende redelijkerwijs niet de indruk zijn ontstaan dat de oldtimervrijstelling voor de auto zou blijven gelden wanneer de wettelijke bepalingen zo zouden worden gewijzigd dat de oldtimervrijstelling op grond van de wet niet langer van toepassing zou zijn’. Onder verwijzing naar deze rechtsoverweging wordt de klacht van belanghebbende verworpen. Aan toekenning van een schadevergoeding wordt reeds daarom niet toegekomen.

6.12.

Tot slot heeft belanghebbende aangevoerd dat de onderhavige wetswijziging heeft geleid tot een individuele en buitensporige last. Ook deze grief faalt. Het Hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hierover in onderdeel 15 van haar uitspraak heeft overwogen en maakt die overwegingen tot de zijne. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat de heffing van MRB volgens de overgangsregeling tot een last heeft geleid die zich in diens geval sterker laat voelen dan in het algemeen (vgl. onder meer HR 2 juni 2017, nr. 16/04765, ECLI:NL:HR:2017:964, BNB 2017/187, r.o. 2.4.5).

6.13.

Hetgeen belanghebbende overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt evenmin tot gegrondverklaring van de hogere beroepen.

Slotsom

De slotsom van het hiervoor overwogene is dat de hogere beroepen ongegrond zijn. De uitspraken van de rechtbank dienen te worden bevestigd.

7 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraken van de rechtbank.

Aldus gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, H.E. Kostense en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen als griffier. De beslissing is op 8 mei 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.