Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1583

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
17/00098
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu belanghebbende niet heeft betwist dat de uitnodigingen voor een hoorzitting zijn ontvangen, is het Hof van oordeel dat belanghebbende correct is uitgenodigd voor de hoorzitting. Gesteld noch gebleken namelijk is dat de belanghebbende heeft gereageerd op de uitnodiging voor een hoorzitting. Aan het vorenstaande doet niet af dat de tweede uitnodiging is gepland in de periode waarvan de gemachtigde had aangegeven in het buitenland te verblijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1026
Belastingblad 2018/261
Viditax (FutD), 16-05-2018
FutD 2018-1358
V-N 2018/57.22.6
NTFR 2018/1256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 17/00098

8 mei 2018

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: L. Veldman, L. Veldman Praktijk B.V. te [plaats] )

tegen de uitspraak van 20 januari 2017 in de zaak met kenmerk HAA 16/582 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Koggenland,

de heffingsambtenaar,

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 november 2015 aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag opgelegd in de forensenbelasting ten bedrage van € 58,55 (hierna: de aanslag).

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 31 december 2015, de aanslag gehandhaafd.

1.3.

In haar uitspraak heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 21 februari 2017. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2018. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin (evenals in de later in deze uitspraak geciteerde overwegingen van de rechtbank) aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als verweerder.

“1. De aanslag is gedagtekend 30 november 2015 en aan eiseres opgelegd ter zake van de stacaravan/het chalet op het adres [adres] in de gemeente Koggenland (hierna: het chalet).

2. Eiseres heeft L. Veldman, kantoorhoudende op het [adres] , op 29 september 2015 gemachtigd haar fiscale belangen te behartigen. In deze machtiging is opgenomen dat eiseres woont op [adres] . [plaats] ligt in de gemeente Stede Broec .

3. In het bezwaarschrift van 4 december 2015 is het volgende opgenomen:

“Het beleid van Koggenland is zodanig dat cliënte niet de vrije beschikking ten behoeve van eigen gebruik heeft over haar chalet.

Overeenkomstig de uitspraak ECLI:HR:2015:222 verzoeken wij u de aanslag tot nihil te verminderen.

(…) Wij verzoeken vergoeding van kosten in deze bezwaarfase.

Wanneer u voornemens bent het bezwaar af te wijzen, wensen wij te worden gehoord. Gelieve in die situatie per mail overleg te plegen over de datum van de afspraak. Dit om te voorkomen dat eenzijdig een datum wordt opgelegd. (…)”

4. In de bezwaarfase heeft verweerder de gemachtigde per e-mail van 7 december 2015 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 10 december 2015.

De gemachtigde heeft verweerder bij e-mail van 8 december 2015 bericht dat hij in verband met vrijwilligerswerk in het buitenland verblijft, doch in februari korte tijd in Nederland verblijft, en hij in die periode tijd vrij kan maken op 3, 5 en 19 februari 2016, alsmede op 4 en 12 februari 2016 na 13.30 uur.

Verweerder heeft de gemachtigde bij e-mail van 8 december 2015 bericht dat gelet op de behandeltermijn van het bezwaar uitstel tot februari 2016 niet acceptabel is en dat de gemachtigde om die reden telefonisch kan worden gehoord dan wel een vervanger kan sturen. Na een afwijzing van dit voorstel door de gemachtigde bij e-mail van 9 december 2015 heeft verweerder de gemachtigde per e-mail van 9 december 2015 meegedeeld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 17 december 2015 en daarbij bericht dat indien die datum niet schikt vóór die datum telefonisch contact kan worden opgenomen voor een afspraak tussen 10 en 22 december 2015.

5. In de bijlage bij de uitspraak op bezwaar is opgenomen dat er geen verhuurbemiddelingsovereenkomst is overeengekomen en dat om die reden het genoemde arrest van de Hoge Raad niet van toepassing is. Met betrekking tot het horen is opgenomen dat gemachtigde niet is verschenen op de hoorzitting van 17 december 2015 en ook geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid telefonisch te worden gehoord.”

2.2.

Nu de door de rechtbank vastgestelde feiten door partijen niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarbij zij het volgende heeft overwogen:

Horen in de bezwaarfase

10. In beroep gaat het geschil primair om de vraag of verweerder uitspraak op bezwaar mocht doen zonder de gemachtigde te hebben gehoord. Nu de gemachtigde het bezwaarschrift heeft ingediend op 4 december 2015 en op 8 december 2015 te kennen heeft gegeven dat hij in verband met een verblijf in het buitenland pas in februari 2016 kan worden gehoord, is aannemelijk dat de gemachtigde reeds bij de indiening van het bezwaar en mitsdien reeds bij de indiening van zijn verzoek om te worden gehoord, wist dat hij niet in de gelegenheid kon zijn te worden gehoord in de bezwaarfase, die in de regel zes weken duurt.

11. Verweerder heeft de gemachtigde vervolgens gewezen op de mogelijkheid zich te laten vervangen en/of te kiezen voor het telefonisch horen. De gemachtigde heeft van beide mogelijkheden geen gebruik gemaakt. Onder die omstandigheden kan niet geoordeeld worden dat verweerder de gemachtigde redelijkerwijs niet in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. Dat de gemachtigde daar vervolgens geen gebruik van heeft gemaakt komt dan ook voor zijn rekening.

De aanslag

12. In de Verordening op de heffing en invordering van forensenbelasting 2015 van de gemeente Koggenland (hierna: de Verordening), is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht

1. Onder de naam forensenbelasting wordt een directe belasting geheven van natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning, stacaravan en/of een chalet beschikbaar houden.

(…)”.

13. Vaststaat dat eiseres haar hoofdverblijf heeft in een andere gemeente dan de gemeente Koggenland , en dat zij in de laatste gemeente op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of haar gezin een gemeubileerd chalet beschikbaar houdt. Hieruit volgt dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan, zodat verweerder forensenbelasting mocht heffen van eiseres, gelijk hij door middel van de onderhavige aanslag heeft gedaan.

14. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar vermeld dat met betrekking tot het chalet van eiseres geen verhuurbemiddelingsovereenkomst is gesloten. Eiseres heeft dit in beroep niet betwist, zodat de rechtbank dat als vaststaand aanneemt. Dit brengt mee dat reeds hierom het beroep van eiseres op het arrest van de Hoge Raad van 6 februari 2015, ECLI:HR:2015:222 moet worden verworpen, nu in zoverre geen sprake is van vergelijkbare gevallen.

15. Voor het overige heeft eiseres haar beroep niet voldoende onderbouwd. De enkele verwijzing naar de gronden in het bezwaarschrift is in dit geval onvoldoende, nu deze gronden zeer algemeen zijn geformuleerd en verweerder bij de uitspraak op bezwaar daarop gemotiveerd is ingegaan. Het lag daarom op de weg van eiseres die gronden in beroep nader te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten.

16. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

Proceskosten

17. Bij deze uitkomst van de procedure bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.”

4 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is tussen partijen in geschil of:

1. de heffingsambtenaar de hoorplicht heeft geschonden en

2. of de aanslag terecht is opgelegd.

5 Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

6 Beoordeling van het geschil

Horen in de bezwaarfase

6.1.

De gemachtigde herhaalt in hoger beroep zijn stelling dat de heffingsambtenaar niet voldaan heeft aan zijn verplichting hem te horen alvorens uitspraak op het bezwaarschrift te doen.

6.2.

Het Hof oordeelt ten aanzien van deze grief als volgt. De Awb bepaalt in artikel 7:2 dat een belanghebbende in de gelegenheid moet worden gesteld te worden gehoord voordat het bestuursorgaan een beslissing op bezwaar neemt. De heffingsambtenaar heeft de gemachtigde op 7 december 2015, onder vermelding van tijd en plaats, uitgenodigd voor een hoorzitting op 10 december 2015. Bij e-mail van 8 december 2015 heeft de gemachtigde aangegeven dat hij op die datum, wegens een langdurig verblijf in het buitenland, niet in staat is om de hoorzitting bij te wonen en heeft hij om uitstel verzocht tot februari 2016. De heffingsambtenaar heeft bij e-mail van 8 december 2015 de gemachtigde bericht dat hij uitstel tot februari 2016 onacceptabel vindt en de gemachtigde gewezen op de mogelijkheid om zich te laten vervangen dan wel gebruik te maken van de mogelijkheid tot het houden een telefonische hoorzitting. De heffingsambtenaar heeft de gemachtigde vervolgens op 9 december 2015, onder vermelding van tijd en plaats, uitgenodigd voor een hoorzitting op 17 december 2015. Daarbij is de gemachtigde gewezen op de mogelijkheid om, in het geval ook deze datum niet schikt, telefonische contact te leggen voor een alternatieve datum (in de periode tussen 10 en 22 december 2015) voor een - desgewenst telefonische - hoorzitting.

6.3.

Nu belanghebbende niet heeft betwist dat hij de uitnodigingen voor een hoorzitting heeft ontvangen is het Hof van oordeel dat belanghebbende correct is uitgenodigd voor de hoorzitting (vgl. HR 15 december 2006, nr. 41882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, BNB 2007/112). Gesteld noch gebleken is dat de belanghebbende heeft gereageerd op de uitnodiging voor een hoorzitting op 17 december 2015; niet om zijn aan-/afwezigheid te bevestigen, noch met een verzoek om verdaging.

6.4.

Deze feiten en omstandigheden laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende om hem moverende redenen geen gebruik heeft gemaakt van het recht te worden gehoord voordat op het bezwaarschrift zou worden beslist.

6.5.

Aan dit oordeel doet niet af dat de tweede uitnodiging is gepland in de periode waarvan de gemachtigde had aangegeven in het buitenland te verblijven. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat een verblijf in het buitenland ook een telefonische hoorzitting, zoals aangeboden door de heffingsambtenaar, zou verhinderen. De heffingsambtenaar heeft de gemachtigde aldus een reële mogelijkheid geboden om, ondanks zijn buitengewoon lange verblijf in het buitenland, toch te worden gehoord. De stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar hem, gezien zijn verzoek van 8 december 2015, had moeten uitnodigen voor een hoorzitting in februari 2016, vindt geen steun in het recht.

De aanslag

6.6.

Indien en voor zover belanghebbende, die tegen het oordeel van de rechtbank aangaande de aanslag in hoger beroep geen klachten heeft aangevoerd, dit oordeel in hoger beroep heeft willen betwisten, overweegt het Hof dat de rechtbank tot een juist oordeel is gekomen. Het Hof maakt dit oordeel alsmede de gronden waarop dit berust, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten en/of omstandigheden gesteld die een ander oordeel rechtvaardigen.

Slotsom

Uit al het vorenoverwogene volgt dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

7 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, H.E. Kostense en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen als griffier. De beslissing is op 8 mei 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.