Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1582

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2018
Datum publicatie
15-05-2018
Zaaknummer
23-003858-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeeld wegens bedreiging, beschadiging en belediging van politieambtenaren tot een gevangenisstraf van 3 weken. Straf conform LOVS. Gedeeltelijke toewijzing vorderingen benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2018-0083
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003858-17

datum uitspraak: 3 mei 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-702666-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,

postadres: [adres]

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 05 oktober 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen 'ik ga je tussen je ogen steken' en/of 'ik ga je doodmaken', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2:
hij op of omstreeks 05 oktober 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een scooter, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3:
hij op of omstreeks 05 oktober 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk een of meerdere ambtenaren, te weten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of een onbekend gebleven persoon, (hoofd)agenten van politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen de woorden toe te voegen: 'Jullie zijn kankerjoden. Joden moeten allemaal dood. We moeten ze allemaal afschieten. Heel Amsterdam is rood. Je vader is zeker een jood en die heeft gezegd dat je bij de politie moet, zodat je braaf kan zijn' en/of 'kankerjood' en/of 'ik heb een kalasjnikov gehad. Ik heb daar tien mensen eme afgeknald. Nu komen er nog veertien bij. Jij vies nageboorte', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat dit vonnis niet de bewijsmiddelen houdende de redengevende feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bevat.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat de verdachte geen opzet heeft gehad op beschadiging van de scooter. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte tegen de scooter is aangelopen waardoor de scooter is omgevallen en de verdachte derhalve niet opzettelijk de scooter heeft beschadigd.

Het hof verwerpt dit verweer reeds omdat de verdachte zelf bij zijn aanhouding op 5 oktober 2017 en in zijn verhoor bij de politie een dag later heeft verklaard dat hij de scooter heeft omgegooid omdat deze in de weg stond.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 5 oktober 2017 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen 'ik ga je doodmaken';

2:
hij op 5 oktober 2017 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een scooter, toebehorende aan [slachtoffer 2], heeft beschadigd;

3:
hij op 5 oktober 2017 te Amsterdam opzettelijk de ambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], agenten van politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: 'Jullie zijn kankerjoden. Joden moeten allemaal dood. We moeten ze allemaal afschieten. Je vader is zeker een jood en die heeft gezegd dat je bij de politie moet, zodat je braaf kan zijn' en 'kankerjood'.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort, beschadigen.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht aan de verdachte een taakstraf op te leggen, omdat een gevangenisstraf niet opportuun is nu de verdachte in afwachting is van een ISD-traject.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten.

Op 5 oktober 2017 heeft de verdachte [slachtoffer 1] bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Deze bedreiging heeft haar veel angst aangejaagd en heeft een diepe indruk op haar gemaakt, zoals ook is gebleken uit de toelichting op de vordering tot betaling van immateriële schadevergoeding.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de beschadiging van een scooter. Door het plegen van dit feit heeft de verdachte de eigenaar van die scooter, [slachtoffer 2], schade en overlast berokkend. Ook heeft de verdachte daarmee blijk gegeven het eigendomsrecht van een ander niet te respecteren. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van politieambtenaren tijdens de uitoefening van hun functie, waarmee hij het gezag en de integriteit van deze ambtenaren heeft aangetast. Daarnaast hebben de door de verdachte gedane uitingen niet alleen een beledigend, maar ook een discriminerend karakter. Politieambtenaren behoren niet met dergelijke beledigingen geconfronteerd te worden.

Uit het de verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 april 2018 blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor (onder meer) vernielen, beschadigen en onbruikbaar maken van goederen, als ook voor belediging van ambtenaren wat het hof in zijn nadeel meeweegt.

Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is het hof van oordeel dat gelet op het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht een enkele taakstraf niet meer aan de orde kan zijn. Het hof is daarnaast van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten en voornoemde justitiële documentatie van de verdachte een taakstraf niet passend is.

Het hof heeft bij het bepalen van de soort en de omvang van de aan de verdachte op te leggen straf gelet op de straf die in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het hof acht, alles afwegende, de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 3 weken passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot € 250,00 ter compensatie van de immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, en voor het overige deel de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren wegens onvoldoende onderbouwing en het bestaan van het geestelijk letsel daardoor niet naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof als volgt.

Artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek brengt, voor zover voor de beoordeling van belang, mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Lichamelijk letsel of aantasting in de eer of goede naam is door de benadeelde partij niet gesteld. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gericht op de vergoeding van het op andere wijze in zijn persoon zijn aangetast, is uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen (vgl. HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519). Dergelijk letsel dient dan met concrete gegevens te worden onderbouwd zodat het bestaan daarvan naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld. Bij de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden. De benadeelde partij heeft concreet en uitgebreid aangevoerd dat het onder 1 bewezen verklaarde een grote impact heeft gehad op haar persoonlijke leven en op de wijze waarop zij nadien haar functie heeft uitgeoefend. Gelet op die concrete onderbouwing en bij gebreke van enige gemotiveerde betwisting van die omstandigheden en van de gevorderde bedragen zijdens de verdachte, leent de vordering zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot het bedrag van € 250,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.149,35. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep integraal toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot € 899,35 ter compensatie van materiële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, en voor het overige deel vanwege het ontbreken van facturen voor het arbeidsloon niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren wegens enerzijds de verzochte vrijspraak van het ten laste gelegde onder 2, anderzijds omdat het bij de vordering gevoegde rapport een taxatierapport betreft waardoor de werkelijke materiële schade niet bekend is en bovendien het rapport niet ondertekend is.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van € 899,35 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor zover de vordering betrekking heeft op het arbeidsloon, is het hof van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd, aangezien uit het dossier niet blijkt dat kosten voor het arbeidsloon zijn betaald. In zoverre kan de benadeelde partij in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 266, 267, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij I. [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 5 oktober 2017.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 899,35 (achthonderdnegenennegentig euro en vijfendertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 899,35 (achthonderdnegenennegentig euro en vijfendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 (zeventien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 5 oktober 2017.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. M.M. van der Nat, in tegenwoordigheid van A.D. Renshof, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 mei 2018.

De griffier is buiten staat dit arrest te ondertekenen.