Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1574

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
23-000368-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

invoer cocaine. representatief onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000368-18

datum uitspraak: 9 mei 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 21 december 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-211058-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1952,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2018en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 oktober 2017 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 oktober 2017 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat onderzoek aan slechts één slikkersbol geen representatief resultaat is voor de gehele aangetroffen hoeveelheid. Nu niet is vastgesteld dat het om meer dan 500 gram cocaïne gaat moet de verdachte overeenkomstig de LOVS-oriëntatiepunten een lagere straf dan is gevorderd door de advocaat-generaal worden opgelegd, aldus de raadsvrouw.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan invoer van cocaïne.

In het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] is gerelateerd dat uit de 50 slikkersbollen van de verdachte qua vorm, kleur en grootte nagenoeg identiek waren. Uit deze bollen is een willekeurige bol gekozen die nader is onderzocht. Het nettogewicht van deze bol was 10,2 gram.

Omdat deze bol gelet op het voorgaande representatief kan worden genoemd rechtvaardigt dit naar het oordeel van het hof de conclusie dat het totaalgewicht van het materiaal, dat blijkens onderzoek van het Douane Laboratorium cocaïne bleek te bevatten, ongeveer 510 gram was.

Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding en handel in harddrugs en als afgeleide het gebruik ervan, betekenen een ernstige bedreiging van de volksgezondheid, brengen onrust voor de samenleving met zich mee en leiden veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van criminaliteit.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 april 2018 is hij tweemaal eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld tot aanzienlijke gevangenisstraffen hetgeen het hof in het nadeel van de verdachte meeweegt in de strafmaat.

Het hof heeft gelet op de oriëntatiepunten zoals deze voor zaken als de onderhavige zijn vastgelegd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), hetgeen, anders dan door de raadsvrouw is bepleit, met name gelet op de recidive, niet leidt tot een lagere strafoplegging dan is opgelegd door de rechtbank en is gevorderd door de advocaat-generaal.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 10 maanden passend en geboden.

In het voorgaande ligt besloten dat het hof, in hetgeen is bepleit door de raadsvrouw geen aanleiding ziet tot het opleggen van een lagere straf dan de hierboven bedoelde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. W.M.C. Tilleman en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

9 mei 2018.

mr. W.M.C. Tilleman en mr. M.L.M. van der Voet en mr. A.S.E. Evelo zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.