Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1551

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
2300193416
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1590
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens medeplegen van voorbereidingshandelingen voor moord en brandstichting. Gebruik van versleutelde communicatie (Blackberries met een applicatie van Ennetcom, ook wel Pretty Good Privacy genoemd) voor het bewijs. Uitgebreide strafmaatoverweging met onder meer een beschouwing over geweld in de onderwereld. Verwerping van een verweer, gevoerd op de voet van artikel 359a Sv, dat strekt tot strafvermindering, inhoudend dat bij de aanhouding van de verdachte teveel geweld is toegepast (beet door een politiehond). Tien jaren gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001934-16

datum uitspraak: 4 mei 2018

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 mei 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-730014-15 tegen

[verdachte 2],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in [detentieadres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 primair en

3 subsidiair is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open.

Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2017, 7 juli 2017, 9 februari 2018, 16, 18 en 20 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks de periode van 22 december 2014 tot en met 1 februari 2015 te Eindhoven en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het met anderen of een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord c.q. doodslag als bedoeld in de artikelen 289 c.q. 287 van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk

a. a) twee, in elk geval een of meer, (volautomatische) militaire aanvalsgewe(e)r(en), waarvan één doorgeladen, (merk Zastava, model: M70AB2, kaliber: 7,62 x 39 mm) en/of een (doorgeladen) pistoolmitrailleur (merk Fabrique Nationale (Licentiebouw Uzi), model Uzi M61, kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter) en/of een patroonmagazijn (bestemd voor een Uzi M61) en/of

b) (in voornoemde Zastava’s) (telkens) 30, althans een of meer (volmantel) patro(o)n(en) (kaliber 7,62x39 mm) en/of (in voornoemde Uzi) 30, althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter) en/of (in voornoemd patroonmagazijn) 24, althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)) (geschikt om verschoten te worden met voornoemde pistoolmitrailleur) en/of een patroon (kaliber 7,62x39 mm) (geschikt om verschoten te worden met (beide) voornoemde Zastava’s) en/of

c) (twee, in elk geval) een (of meer), (gestolen) personenauto(s) (merk: BMW 335, origineel kenteken: [kenteken A] en/of merk: BMW serie 1, origineel kenteken [kenteken B]) en/of

d) valse en/of gestolen kentekenplaten ([kenteken C] (bevestigd op voornoemde BMW 335) en/of [kenteken D] (bevestigd op voornoemde BMW 335) en/of [kenteken E] (bevestigd op voornoemde BMW serie 1)) en/of

e) een gehuurde personenauto (merk: Citroën, kenteken: [kenteken F]) en/of

f) een bivakmuts en/of

g) een of meer (donkerkleurige) handschoen(en) en/of

h) een of meer (donkerkleurige) kledingstuk(ken) en/of

i. i) een schroevendraaier en/of

j) een peilbaken (IMEI nummer: 351564053310371) en/of

k) een tablet voorzien van software om een peilbaken te volgen en/of

l) vier, althans een of meer PGP (zogenaamde Pretty Good Privacy) Blackberry(s) (telefoonnummers: [946] en/of [415] en/of [184] en/of [694]),

bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd en/of doorgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

2.
hij op of omstreeks de periode van 22 december 2014 tot en met 1 februari 2015 te Eindhoven en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding het met anderen of een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk

a. a) een jerrycan met daarin benzine, althans enige ontvlambare vloeistof en/of

b) een handflare (noodseinfakkel) (merk: Painswessex, model: Red Handflare MK8),

bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad;

3.

hij op of omstreeks 1 februari 2015 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van zijn voornemen om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer perso(o)n(en) (leden, althans een lid, van een arrestatieteam) van het leven te beroven, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen op die leden, althans dat lid, heeft gericht en/of de trekker van dat vuurwapen heeft overgehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 1 februari 2015 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer perso(o)n(en) (leden, althans een lid, van een arrestatieteam) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans zware mishandeling, immers is verdachte (zichtbaar voor leden, althans een lid, van het arrestatieteam) met een militair aanvalsgeweer (merk: Zastava) voor zijn lichaam houdend uit de BMW 335 gestapt en/of heeft voornoemd aanvalsgeweer getoond en/of heeft de trekker van dat aanvalsgeweer overgehaald;


4.
hij op of omstreeks de periode van 22 december 2014 tot en met 1 februari 2015 te Eindhoven en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

vuurwapens van categorie II, te weten

a. a) twee, in elk geval een of meer, (volautomatische) militaire aanvalsgewe(e)r(en), waarvan één doorgeladen, (merk: Zastava, model: M70AB2, kaliber: 7,62 x 39 mm) en/of

b) een (doorgeladen) pistoolmitrailleur (merk Fabrique Nationale (Licentiebouw Uzi), model: Uzi M61, kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)

en/of

munitie van categorie II en/of III, te weten

c) (in voornoemde Zastava’s (telkens) 30, althans een of meer, patro(o)n(en) van kaliber 7.62 x 39mm (volmantel) en/of

d) (in voornoemde pistoolmitrailleur) 30, althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter) (type hollowpoint) en/of

e) een patroon van kaliber 7,62 x39 mm en/of

f) (een patroonmagazijn, bestemd voor een Uzi M61, met daarin) 24, althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)

voorhanden hebben/heeft gehad;

5.
hij op of omstreeks meerdere tijdstippen in de periode van 1 december 2014 tot en met 1 februari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

a. a) een motorvoertuig, te weten een BMW 335 (origineel kenteken ([kenteken A]) en/of

b) een motorvoertuig, te weten een BMW serie 1 (origineel kenteken [kenteken B]) en/of

c) twee kentekenplaten, voorzien van kenteken [kenteken C] en/of

d) twee kentekenplaten, voorzien van kenteken [kenteken E],

in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde A] en/of [benadeelde B] en/of andere nog nader de beschrijven aangevers, in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte;

Subsidiair:


hij op of omstreeks de periode van 31 januari 2015 tot en met 1 februari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

a. a) een motorvoertuig, te weten een BMW 335 (origineel kenteken ([kenteken A]) en/of

b) een motorvoertuig, te weten een BMW serie 1 (origineel kenteken [kenteken B]) en/of

c) twee kentekenplaten, voorzien van kenteken [kenteken C] en/of

d) twee kentekenplaten, voorzien van kenteken [kenteken E],

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van deze goederen / dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 5 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging – moet worden vrijgesproken.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, nu niet bewezen kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer A]. In de kern komen de verweren van de verdediging er op neer dat de verdachte in de nacht van 31 januari 2015 op 1 februari 2015 slechts “een klusje” uit te voeren had, dat niet meer inhield dan dat hij een BMW zou ophalen uit Eindhoven en naar Amsterdam zou brengen. Daarvoor had hij kort voor vertrek, te weten om half twee die nacht, een voor versleutelde communicatie geschikte BlackBerry (hierna gemakshalve telkens genoemd: PGP BlackBerry) gekregen met het, naar het hof begrijpt Amerikaanse, telefoonnummer [184] (hierna *184). De verdachte had geen enkele wetenschap van andere criminele plannen, laat staan van de moordplannen op [slachtoffer A]. Ook was hij niet op de hoogte van de inhoud van de versleutelde berichten die zich in de PGP BlackBerry bevonden en van gesprekken die door anderen over de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen zijn gevoerd.

De verdachte wist niet dat er wapens en munitie in de BMW aanwezig waren. Evenmin was hij op de hoogte van de aanwezige benzine en de zogeheten handflare. Ook diverse andere in de tenlastelegging vermelde voorwerpen, te weten een bivakmuts, handschoenen, donkere kleding, een peilbaken en een tablet, heeft de verdachte niet in bezit gehad. Een en ander brengt volgens de verdediging met zich dat de verdachte geen voorwerpen voorhanden heeft gehad die verband hielden met een op handen zijnde liquidatie. Evenmin heeft hij zich daarom schuldig gemaakt aan voorbereiding van brandstichting.

Voorts heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte ook niet zodanig met anderen heeft samengewerkt dat het opzet van anderen om [slachtoffer A] van het leven te beroven aan de verdachte kan worden toegerekend.

Wat betreft de onder 5 subsidiair tenlastegelegde heling van de gestolen BMW 1-serie en de kentekenplaten met het nummer [kenteken E], ontbreekt volgens de verdediging het bewijs dat de verdachte deze heeft verworven of voorhanden heeft gehad. Ten aanzien van de heling van de BMW 335 en de daarop aangebrachte kentekenplaten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft in de kern betoogd dat zij zich kan vinden in de bewezenverklaring zoals opgenomen in het vonnis van de rechtbank en de gronden waarop deze berust.

Enkele algemene overwegingen met betrekking tot en naar aanleiding van de data- en telecommunicatie

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende.

Tijdens de aanhouding van de verdachte in Amsterdam op 1 februari 2015 is vlak naast de auto van het arrestatieteam een PGP BlackBerry, voorzien van een toepassing voor versleutelde communicatie, aangetroffen met IMEI-nummer [4603] (hierna: het toestel *4603). Daarin bevond zich een simkaart met het Amerikaanse telefoonnummer [184] (hierna: telefoonnummer *184), op naam van Ennetcom Consumer Products B.V. te Arnhem. Aan het toestel *4603 was het e-mailaccount [06-account] gekoppeld. Dit e-mailaccount is in de contactenlijst van de door de medeverdachte [verdachte 4] gebruikte PGP BlackBerry aangetroffen met daarbij de naam “Wim”. In de door de medeverdachte [verdachte 3] gebruikte PGP BlackBerry kwam voornoemd e-mailaccount voor in ontvangen en verzonden berichten. Zichtbaar is daarin dat dit e-mailaccount in die berichten gekoppeld is aan de naam “Wim”.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij het hof verklaard dat hij de PGP Blackberry, die hij bij aanhouding bij zich had, pas enkele uren daarvoor had gekregen en gebruikte voor het verzenden van berichten middels een e-mailadres. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat zijn bijnaam “Willem en Wim” is.

Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen, waaronder het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant T-224 van 3 maart 2016 (ZD 05, doorgenummerde pagina 1059 e.v.) vast dat de verdachte, de medeverdachte [verdachte 1] (hierna: [verdachte 1]), [verdachte 4] en [verdachte 3] in hun onderlinge communicatie via PGP BlackBerry’s gebruik maakten van bijnamen. Zo is gebleken dat [verdachte 1] de bijnaam Boet(ie), Boots of Booty had. [verdachte 4] werd Freaks, Frix of Friks(ie) genoemd en [verdachte 3] Paks of Pakkoe. De verdachte werd Wim of Willem genoemd. Tevens blijkt uit de bewijsmiddelen dat:

- [ verdachte 1] gebruik maakte van het telefoonnummer [415] en het e-mailaccount [QB-account];

- [ verdachte 4] gebruik maakte van het telefoonnummer [946] en het e-mailaccount [98-account];

- [ verdachte 3] gebruik maakte van het (Amerikaanse) telefoonnummer [694]en het e-mailaccount [2R-account] en

- de verdachte gebruik maakte van het (Amerikaanse) nummer [184] en het e-mailaccount [06-account].

Onderzoek aan de onder de verdachte, [verdachte 1], [verdachte 4] en [verdachte 3] in beslag genomen PGP-BlackBerry’s heeft een overzicht van een groot aantal berichten opgeleverd die, blijkens de gebezigde namen, de inhoud van de contactenlijsten en de daaraan gekoppelde e-mailaccounts, zijn verzonden naar respectievelijk zijn ontvangen door de verdachte en de hiervoor genoemde personen en/of een aantal onbekend gebleven derden.

Dit betreft ook berichtenverkeer van vóór 1 februari 2015 te 01:30 uur. Weliswaar is door de verdachte gesteld dat hij niet de Wim is, die met het e-mailaccount van het toestel *4603 heeft deelgenomen aan communicatie die vóór dat tijdstip heeft plaatsgevonden, het hof ziet echter in de resultaten van het opsporingsonderzoek geen steun voor die stelling van de verdachte. Integendeel, de berichten zoals aangetroffen in de telefoons van de verdachte, [verdachte 1], [verdachte 4] en [verdachte 3] van voor en na 1 februari 2015 te 01:30 uur vertonen zeer veel continuïteit. Deze komt hierin tot uiting dat – blijkens de aan die berichten gekoppelde namen – telkens dezelfde personen eraan hebben deelgenomen waarbij de belangrijkste gespreksonderwerpen over de gehele periode van ongeveer 24 uur onveranderd blijven. Een deel van deze communicatie in deze periode heeft zelfs betrekking gehad op het vervoer van de BMW’s van Eindhoven naar Amsterdam, zijnde de klus die de verdachte zegt te hebben aangenomen. Het hof acht derhalve bewezen dat het de verdachte is geweest die in de periode van 30 januari 2015 tot het moment van aanhouding op 1 februari 2015 de verzender en ontvanger is geweest van de e-mailberichten gekoppeld aan het e-mailadres [06-account].

Over de periode vanaf 24 december 2014 tot en met 1 februari 2015 is het telefoonnummer *184 blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen frequent in verband te brengen met andere relevante bevindingen uit het opsporingsonderzoek. Het telefoonnummer *184 is vanaf 2 december 2014 actief geweest in het toestel *4603, het toestel dat de verdachte bij aanhouding bij zich had en waarin het telefoonnummer *184 aanwezig was. Dit telefoonnummer heeft zich met regelmaat bevonden in de onmiddellijke nabijheid van locaties waar door [verdachte 1] gehuurde auto’s, het aan deze toegeschreven telefoonnummer *415 en/of diens tablet, met nummer *997, zich bevonden. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen een samenhang tussen de op 22 en 23 december 2014 gestolen kentekenplaten [kenteken C] en [kenteken E], die meermalen in Eindhoven en omgeving op een rijdende auto zijn geregistreerd en de aanwezigheid op die momenten van de telefoonnummers *997, *415 en *184 en van door [verdachte 1] gehuurde auto’s in die regio.

In de periode van 22 en 23 december 2014 werden in Amsterdam twee auto’s, te weten een BMW 335 met kenteken [kenteken A] en een BMW 1-serie met kenteken [kenteken B] alsmede twee sets kentekenplaten met de nummers [kenteken C] en [kenteken E] gestolen. Deze auto’s werden enige tijd later teruggevonden op het Servaasplein te Eindhoven. Op de BMW 335was inmiddels het kenteken [kenteken C] aangebracht. Op de BMW 1-serie zat het kenteken [kenteken E].

Voorts is van betekenis dat de verdachte op 24 december 2014 rond 21:15 uur bij een controle als inzittende van een door [verdachte 1] gehuurde Opel Astra, voorzien van het kenteken 51-NGX-6, is aangetroffen samen met [verdachte 1], [verdachte 3] en [verdachte 4] in de Utrechtsestraat in Amsterdam. Daaraan voorafgaand heeft in hetzelfde tijdsbestek het telefoonnummer *184 reisbewegingen gemaakt, die overeenkomen met die van het telefoonnummer *415 van [verdachte 1], te weten van Amsterdam naar Eindhoven en vice versa. Tevens valt uit kentekenregistraties af te leiden dat het kenteken 51-NGX-6 van de gehuurde Opel Astra op 25 december 2014 in Eindhoven min of meer gelijktijdig is waargenomen met het kenteken [kenteken E] van de gestolen kentekenplaat, in het tijdvak waarin de telefoonnummers *415 en *184 ook in Eindhoven en omgeving uitpeilden.

Gelet op dit patroon in de onderzoeksbevindingen laat het dossier geen andere conclusie toe dan dat de verdachte in de gehele periode van 25 december 2014 tot en met 1 februari 2015 de gebruiker is geweest van de PGP BlackBerry met IMEI-nummer *4603, die was voorzien van het telefoonnummer *184. In samenhang daarmee staat voorts buiten redelijke twijfel vast dat de verdachte zich in Eindhoven heeft bevonden op de data waarop en de tijdstippen waarin blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen het telefoonnummer *184 contact maakte met een zendmast in Eindhoven of omgeving. Het gaat dan om de data 24 en 25 december 2014 en 1, 2, 4, 5, 10 en 11 januari 2015.

Voorts stelt het hof op grond van de bewijsmiddelen vast dat de aanwezigheid van de verdachte en [verdachte 1] in Eindhoven en omgeving verband houdt met de daar geplaatste en met regelmaat rijdend aangetroffen, gestolen auto’s van het merk BMW.

Met betrekking tot feit 1

Bij een heimelijke doorzoeking van de gestolen BMW 335 in Eindhoven op 17 januari 2015 werden daarin twee Kalasjnikovs, een Uzi, munitie en een jerrycan met benzine aangetroffen. De wapens werden door opsporingsambtenaren onklaar gemaakt en de benzine werd vervangen door water, waarna de wapens en de jerrycan teruggeplaatst werden in deze BMW.

Op 9 januari 2015 werden bij de spyshop [naam spyshop] aan de [adres spyshop] te Arnhem peilbakens aangeschaft. Twee van deze peilbakens zijn op 16 januari 2015 bij de woning van [verdachte 1] door middel van een IMSI-catcher gescand. Eén van deze peilbakens, te weten het peilbaken dat was voorzien van de inlogcode 310371, werd in de ochtend van 31 januari 2015 door de politie aangetroffen onder de huurauto waarin [slachtoffer A] die periode reed. De inlogcode van het peilbaken had [verdachte 1] op 31 januari 2015 om 10:18 uur in zijn PGP-BlackBerry genoteerd. Uit de PGP-berichten blijkt voorts dat [verdachte 1] in elk geval één maal de positie van [slachtoffer A] heeft doorgegeven, te weten op 31 januari 2015 om 16:58 uur.

Op 1 februari 2015 te omstreeks 02:30 uur reden de verdachte, [verdachte 1], [verdachte 4] en [verdachte 3] in een bij [verdachte 1] in gebruik zijnde huurauto (een Citroën C3) vanuit Amsterdam naar het Servaasplein te Eindhoven. Aldaar aangekomen, stapten de verdachte, [verdachte 1] en [verdachte 3] uit en liepen naar de BMW 335. Vervolgens werd de BMW 335 door de verdachte en [verdachte 3] voorzien van het kenteken [kenteken D]. Korte tijd later reden zowel de BMW 335 als de Citroën in de richting van Amsterdam.

Omstreeks 04:23 uur werden de auto’s door een arrestatieteam tot stoppen gedwongen en werden de inzittenden aangehouden: [verdachte 1] als bestuurder van de Citroën met als bijrijder [verdachte 4] en de verdachte als bestuurder van de BMW 335 met [verdachte 3] als bijrijder.

Tijdens de aanhouding stapte [verdachte 3] uit de BMW met een doorgeladen Kalasjnikov in zijn handen. In de kofferbak van de BMW werden een tweede Kalasjnikov en een Uzi aangetroffen. De Uzi was eveneens doorgeladen. In het vak van het rechter voorportier van de BMW werden een patroonmagazijn voor een Uzi en een patroon aangetroffen en op de rechtervoorstoel lag een handflare.

Op de achterbank lag de met water gevulde jerrycan die eerder gevuld was met benzine. In de Citroën werd de Samsung tablet met het nummer *997 aangetroffen.

In de BlackBerry’s van de verdachte (het toestel *4603) en van [verdachte 4], [verdachte 3] en [verdachte 1] zijn na na ontsleuteling zeer belastende berichten, gedateerd 31 januari 2015, aangetroffen, zoals blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen. Het gaat om berichten die in de context van de overige bewijsmiddelen bezwaarlijk anders gelezen kunnen worden dan dat die betrekking hebben op de voorbereidingen om [slachtoffer A] van het leven te beroven. Zoals uit de berichten blijkt zijn in de ochtend van 31 januari 2015 gesprekken gevoerd tussen [verdachte 1] en ene Niffo. Deze gesprekken laten er geen misverstand over bestaan dat er wordt gesproken over Taba, zijnde de bijnaam van [slachtoffer A] en dat [verdachte 1] rond 10:59 uur die dag een peilbaken heeft geplaatst onder de auto die bij [slachtoffer A] in gebruik was. Zelfs het type en het kenteken van de auto worden in deze berichten genoemd. [verdachte 1] deelde vervolgens aan Niffo mede dat hij “m geplakt” had. [verdachte 1] bevond zich rond genoemd tijdstip in de directe omgeving van de garage waar de auto van [slachtoffer A] stond geparkeerd. Dit blijkt uit de aanwezigheid van de simkaart met nummer *997 en de Citroën C3 die in gebruik was bij [verdachte 1]. Het hof gaat er derhalve vanuit dat [verdachte 1] het peilbaken met de inlogcode 310371 onder de auto van [slachtoffer A] heeft geplaatst/geplakt.

[verdachte 1] heeft na plaatsing van het baken contact gehad met Sua om die Sua mee te delen dat de

“gp is geplakt” en dat Sua hem niet meer gaat zien in Marrakech, de stad waar [slachtoffer A] blijkens een toelichting van de politie veelvuldig verbleef. Hierna deelde [verdachte 1] Niffo mee dat de auto’s een eindje verderop staan, maar “vandaag”zouden worden teruggereden. Niffo antwoordde [verdachte 1] daarop: “Deze man MOET MOET dood”, waarop [verdachte 1] antwoordde dat Freaks en Pakkoe, te weten [verdachte 4] en [verdachte 3], hem “zouden geven” en dat die man dood gaat. Het komt goed, aldus [verdachte 1].

Ook de verdachte heeft zich deze dag op een soortgelijke wijze uitgelaten in PGP-gesprekken. Het hof wijst daarbij op de tussen de verdachte en Sua voornoemd op 31 januari 2015 tussen 14:14 uur en 14:46 uur gevoerde gesprekken, waarin wordt gesproken over het lokken van Taba, zoals gezegd de bijnaam van [slachtoffer A], het onder de auto van [slachtoffer A] geplaatste peilbaken (“we hebben nu iets onder zn waggie”) en het “bossen” (kapot maken) van hem. In dit verband komt betekenis toe aan het feit dat de verdachte, evenals zijn medeverdachte [verdachte 1], op de hoogte is van het peilbaken dat onder de auto van Taba is geplakt en dat hij kennelijk weet dat Taba “gebost” moet worden. Voorts is voor de bewijslevering van belang dat zowel [verdachte 1] als de verdachte, die die nacht samen in verband met een auto met daarin onder meer zware automatische vuurwapens zijn aangehouden, onafhankelijk van elkaar op dezelfde dag contact hadden met Sua. Deze persoon speelt blijkens de inhoud van de berichten een belangrijke rol op de achtergrond door instructies te geven en informatie te delen.

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat deze communicatie niet per definitie hoeft te zien op een moord, nu het woord ”bossen”, dat is gebruikt door de verdachte in een PGP-bericht, meer betekenissen zou hebben, waaronder slaan en verraden/naaien, overweegt het hof dat gelet op de context van de berichten waar dit bericht onderdeel van is, in samenhang met de wijze waarop de voorbereidingshandelingen vorm hebben gekregen, slechts één conclusie mogelijk is. Deze luidt dat in dit geval met “bossen” is bedoeld een zeer gewelddadige actie gericht op het leven van [slachtoffer A].

Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen en op grond van hetgeen hiervoor is overwogen af dat de verdachte zeer nauw en bewust met [verdachte 1], [verdachte 4] en [verdachte 3] heeft samengewerkt teneinde een moordaanslag op [slachtoffer A] voor te bereiden. De wijze waarop de voorbereidingshandelingen vorm hebben gekregen kunnen niet tot een andere conclusie leiden. Immers, de auto van [slachtoffer A] is door de [verdachte 1] voorzien van een peilbaken met – naar het hof begrijpt – geen ander doel dan om [slachtoffer A] te lokaliseren en te volgen. [verdachte 1] heeft blijkens de PGP-berichten ook een maal die dag de positie van [slachtoffer A] doorgegeven. Voorts zijn de verdachte, [verdachte 1], [verdachte 4] en [verdachte 3] naar Amsterdam gereden, de woonplaats van [slachtoffer A], waarbij de verdachte en [verdachte 3] in een gestolen, snelle BMW reden, die was voorzien van valse kentekenplaten. In die BMW bevonden zich voorts zeer zware (automatische) vuurwapens, waarvan één zelfs direct onder handbereik van [verdachte 3], en munitie, voorwerpen die naar de ervaring leert veelal worden aangewend om liquidaties te plegen. De verdachte heeft de in de bewezenverklaring vermelde voorwerpen tezamen en in vereniging met genoemde personen dan ook verworven en/of voorhanden gehad met voornoemde bestemming.

Het voorgaande brengt met zich dat de verweren worden verworpen en dat het hof het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht, zoals weergegeven in de bewezenverklaring.

Met betrekking tot feit 2

Zoals hiervoor reeds met betrekking tot feit 1 is vermeld werd bij de heimelijke doorzoeking in de gestolen BMW 335 op 17 januari 2015 in de kofferbak van deze auto, behalve een drietal vuurwapens en munitie, ook een jerrycan met benzine aangetroffen. Nadat de politie de benzine had vervangen door water, is de jerrycan teruggelegd in de BMW.

Op 1 februari 2015 omstreeks 02:30 uur zijn de verdachte, [verdachte 1], [verdachte 3] en [verdachte 4] vanuit Amsterdam naar het Servaasplein te Eindhoven gereden. Op de camerabeelden van die nacht is, zo blijkt uit een proces-verbaal van de verbalisanten die de beelden hebben uitgekeken, te zien dat de verdachte, [verdachte 1] en [verdachte 3] bezig zijn met het vervangen van de kentekenplaten van de gestolen BMW 335. Ook verrichten zij enige activiteit rondom de BMW 1-serie. Korte tijd later reden zowel de BMW 335 als de Citroën achter elkaar in de richting van Amsterdam.

Omstreeks 04:23 uur werden de auto’s door het arrestatieteam tot stoppen gedwongen. Op de rechtervoorstoel van de BMW 335, die door de verdachte werd bestuurd en waarin [verdachte 3] als bijrijder zat, lag een handflare. Op de achterbank werd de oorspronkelijk met benzine gevulde jerrycan aangetroffen. [verdachte 3] had, zo heeft hij als getuige verklaard ter terechtzitting van het hof op 9 februari 2018, tijdens de gehele rit vanuit Eindhoven naar Amsterdam een Kalasjnikov bij zijn voeten. De verdachte heeft verklaard niets te hebben geweten van de voorwerpen in de auto, de Kalasjnikov en de handflare daaronder begrepen.

Eerder in dit arrest is reeds vastgesteld dat de verdachte zich in Eindhoven heeft bevonden op 24 en 25 december 2014 en op 1, 2, 4, 5, 10 en 11 januari 2015. Eveneens heeft het hof daarbij vastgesteld dat de aanwezigheid van de verdachte en [verdachte 1] in Eindhoven en omgeving rechtstreeks verband hield met de daar geplaatste en met regelmaat rijdend aangetroffen, gestolen auto’s van het merk BMW.

Uit de verwisseling van de kentekenplaten op het Servaasplein te Eindhoven op 1 februari 2015 blijkt eveneens een criminele intentie. Dat de verdachte geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de handflare op 1 februari 2015 en van de jerrycan met benzine op 17 januari 2015 kan gezien de vindplaats van de handflare en de jerrycan na de aanhouding, bezien in samenhang met de nauwe betrokkenheid van de verdachte bij de gestolen BMW 335 vanaf 25 december 2014, uitgesloten worden geacht. Daar komt bij dat de inhoud van de berichten die de verdachte via zijn PGP BlackBerry heeft gewisseld met [verdachte 4], [verdachte 3] en [verdachte 1] geen twijfel laat bestaan over de mate waarin de verdachte betrokken was in en bewust was van de plannen voor de moord.

Het hof acht het daarom volstrekt ongeloofwaardig dat de verdachte niet op de hoogte is geweest van de in de BMW aanwezige handflare en jerrycan. Dat de handflare mogelijk is verschoven op de rechtervoorstoel, doet daaraan niet af. Aan die ongeloofwaardigheid draagt ook bij dat de verdachte ontkent te hebben geweten dat [verdachte 3] tijdens de gehele autorit, die anderhalf uur heeft geduurd, een Kalasjnikov bij zijn voeten hield.

Wat betreft het opzet van de verdachte op het gronddelict brandstichting overweegt het hof het volgende.

Zoals blijkt uit het proces-verbaal van wapenonderzoek (ZD08 208) kan de aangetroffen handflare een vlam produceren tot maximaal 30 centimeter hoogte en van maximaal 2900 graden Celsius. Wanneer de flare horizontaal wordt gericht, ontstaat in de directe omgeving gevaar voor brand.

De combinatie van een handflare en een hoeveelheid benzine is zonder meer geschikt voor brandstichting. Voorts acht het hof het een feit van algemene bekendheid dat (vlucht)auto’s die bij liquidaties worden gebruikt, na korte tijd in brand worden gestoken om sporen uit te wissen en de opsporing te bemoeilijken.

Gelet op de overwegingen ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde ligt het dan ook in de rede dat de beoogde uitvoerders zich na de moord op [slachtoffer A] met uiterste spoed van het daarbij te gebruiken voertuig zouden willen ontdoen en deze in brand zouden steken op een plaats waarvandaan zij zich weer snel zouden kunnen verwijderen.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen neemt het hof als vaststaand aan dat de verdachte, [verdachte 1], [verdachte 3] en [verdachte 4] de handflare en de benzine voorhanden hebben gehad, opdat op enig moment – al dan niet na de succesvolle verwezenlijking van het plan om [slachtoffer A] te liquideren – het daarbij te gebruiken voertuig in brand kon worden gestoken.

Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte de jerrycan met benzine en de handflare in nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders in de periode van 22 december 2014 tot en met 1 februari 2015 voorhanden heeft gehad, met het doel daarmee brand te stichten of te doen stichten.

Met betrekking tot feit 4

Zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt zijn er op 17 januari 2015 tijdens de heimelijke doorzoeking in de kofferbak van de gestolen BMW 335 vuurwapens en munitie aangetroffen en zijn die vuurwapens door de politie onbruikbaar zijn gemaakt en zijn teruggelegd.

Op 1 februari 2015 zijn [verdachte 1] en [verdachte 4] in de Citroën en de verdachte en [verdachte 3] in de gestolen BMW 335 van Eindhoven naar Amsterdam gereden. Na de aanhouding werden de bovengenoemde vuurwapens, een patroonhouder en munitie aangetroffen in deze BMW. Er lagen twee vuurwapens in de kofferbak van de BMW en met het derde vuurwapen is [verdachte 3] uit de BMW gestapt. In het portier van de BMW werden een patroonmagazijn voor een Uzi en een patroon aangetroffen. [verdachte 3] heeft als getuige ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat er al een wapen in de BMW lag, toen hij in Eindhoven in de auto stapte.

Op grond van de hiervoor gegeven overwegingen ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en de voor het bewijs daarvan gebezigde bewijsmiddelen acht het hof uitgesloten dat de verdachte zich van de aanwezigheid van de wapens en de munitie in de periode zoals vermeld in de tenlastelegging niet bewust is geweest. Sterker nog, de bewijsmiddelen leiden tot de slotsom dat de verdachte bewust en nauw met [verdachte 1], [verdachte 4] en [verdachte 3] heeft samengewerkt bij de voorbereiding van een moord en in dat verband de wapens en de munitie tezamen en in vereniging met hen voorhanden heeft gehad. Dat de verdachte vooraf mogelijk niet op hoogte is geweest van het precieze aantal, merk en type van de wapens en toebehoren doet in dit geval niet af aan zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid daarvoor.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte met zijn mededaders zodanig nauw en bewust samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van de drie vuurwapens en munitie.

Met betrekking tot feit 5

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de heling van de in de tenlastelegging bedoelde BMW’s en kentekenplaten. De bewijsmiddelen die het hof voor het bewijs bezigt, houden onder meer in dat de verdachte samen met [verdachte 3] – in aanwezigheid van [verdachte 1] – de beide kentekenplaten op de BMW 335 heeft geschroefd en dat hij samen met [verdachte 3] ook doende is geweest bij de BMW 1-serie. De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij wist dat hij namaakkentekens (het hof begrijpt: valse kentekenplaten) op beide BMW’s moest schroeven en dat die kentekenplaten achterin de Citroën C3 hadden gelegen. De verdachte dacht wel dat de auto’s gestolen waren. Het was de bedoeling dat hij eerst de zilveren BMW (het hof begrijpt: BMW 335) zou terugrijden en de volgende dag de zwarte BMW (het hof begrijpt: BMW 1-serie).

Uit de ontsleutelde PGP-berichten blijkt bovendien dat [verdachte 1] op 1 februari 2015 te 03:05 uur een bericht aan de verdachte heeft gestuurd, met de inhoud: “En die 1-serie?”, waarop de verdachte antwoordde: “Doen we later, is faya die schroeven”. Hieruit blijkt de bewustheid van de verdachte dat de identiteit van deze auto moest worden verhuld.

Bovendien had de verdachte ten tijde van zijn aanhouding de sleutel van deze auto bij zich en gooide hij deze in zijn vlucht weg. Kennelijk moest het bezit van deze sleutel verborgen blijven voor de opsporingsambtenaren.

Voorts kent het hof betekenis toe aan de vaststellingen die eerder in dit arrest zijn gedaan onder meer inhoudende dat de verdachte zich in Eindhoven heeft bevonden op 24 en 25 december 2014 en op 1, 2, 4, 5, 10 en 11 januari 2015. Eveneens heeft het hof daarbij vastgesteld dat de aanwezigheid van de verdachte en van [verdachte 1] in Eindhoven en omgeving rechtstreeks verband hield met de daar geplaatste en met regelmaat rijdend aangetroffen, gestolen auto’s van het merk BMW. In het licht van de hiervoor gereleveerde gebeurtenissen in de nacht van 1 februari 2015 en de verklaring van de verdachte daarover kunnen de regelmatig terugkerende activiteiten van hem en van [verdachte 1] in Eindhoven vanaf 24 december 2014 niet anders worden begrepen dan als gericht op het zo min mogelijk laten opvallen van de gestolen auto’s (de BMW 335 in het bijzonder).

Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte zowel de BMW 1-serie en de BMW 335 als de kentekenplaten samen met zijn mededaders opzettelijk voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verkrijging ervan wist dat deze door misdrijf waren verkregen.

Slotsom

De voorgaande overwegingen leiden tot de slotsom dat de door de raadsvrouw gevoerde bewijsverweren worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4 en 5 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij in de periode van 22 december 2014 tot en met 1 februari 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord als bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk

a. a) twee volautomatische militaire aanvalsgeweren (merk Zastava, model: M70AB2, kaliber: 7,62x39 mm) en een pistoolmitrailleur (merk Fabrique Nationale (Licentiebouw Uzi), model Uzi M61, kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)) en een patroonmagazijn (bestemd voor een Uzi M61) en

b) in voornoemde Zastava’s telkens 30 volmantelpatronen (kaliber 7,62x39 mm) en in voornoemde Uzi 30 patronen (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)) en in voornoemd patroonmagazijn 24 patronen (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)) en een patroon (kaliber 7,62x39 mm) en

c) twee gestolen personenauto’s (merk: BMW 335, origineel kenteken: [kenteken A] en merk: BMW serie 1, origineel kenteken [kenteken B]) en

d) valse en/of gestolen kentekenplaten ([kenteken C] (bevestigd op voornoemde BMW 335) en [kenteken D] (bevestigd op voornoemde BMW 335) en [kenteken E] (bevestigd op voornoemde BMW serie 1)) en

j) een peilbaken (IMEI nummer: 351564053310371) en

k) een tablet voorzien van software om een peilbaken te volgen,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

2.
hij in de periode van 22 december 2014 tot en met 1 februari 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk

a. a) een jerrycan met daarin benzine en

b) een handflare (noodseinfakkel) (merk: Painswessex, model: Red Handflare MK8),

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

4.
hij in de periode van 22 december 2014 tot en met 1 februari 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

vuurwapens van categorie II, te weten

a. a) twee volautomatische militaire aanvalsgeweren (merk: Zastava, model: M70AB2, kaliber: 7,62 x 39 mm) en

b) een pistoolmitrailleur (merk Fabrique Nationale (Licentiebouw Uzi), model: Uzi M61, kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)

en

munitie van categorie III, te weten

c) in voornoemde Zastava’s telkens 30 patronen van kaliber 7.62 x 39mm (volmantel) en

d) in voornoemde pistoolmitrailleur 30 patronen (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)

(type hollowpoint) en

e) een patroon van kaliber 7,62 x39 mm en

f) 24 patronen (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter))

voorhanden heeft gehad;

5. subsidiair
hij in de periode van 31 januari 2015 tot en met 1 februari 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

a. a) een motorvoertuig, te weten een BMW 335 (origineel kenteken ([kenteken A]) en

b) een motorvoertuig, te weten een BMW serie 1 (origineel kenteken [kenteken B]) en

c) twee kentekenplaten, voorzien van kenteken [kenteken C] en

d) twee kentekenplaten, voorzien van kenteken [kenteken E],

voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen.

Hetgeen onder 1, 2, 4 en 5 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage die aan dit arrest is gehecht en daarvan deel uit maakt.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 4 en 5 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het hof gaat er van uit dat onder 2 met de vermelding van artikel 157 Sr is beoogd ten laste te leggen brandstichting als bedoeld in deze bepaling onder a.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van voorbereiding van moord.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van voorbereiding van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Het onder 5 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 4 en 5 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 3 primair, 3 subsidiair en 5 primair ten laste gelegde vrijgesproken en hem ten aanzien van het onder 1, 2, 4 en 5 subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren en 9 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is gedurende geruime tijd intensief betrokken geweest bij acties die erop waren gericht [slachtoffer A] van het leven te beroven. Hij heeft zich tezamen met anderen schuldig gemaakt aan onder meer het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor moord en voor daarmee samenhangende brandstichting. Het gronddelict, moord, behoort tot de ernstigste feiten die in onze strafwetgeving strafbaar zijn gesteld.

De verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de feiten vrijwel volledig ontkend. Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 16 april 2018 zijn verklaring herhaald dat hij wel begreep dat het bij de twee in Eindhoven geparkeerde BMW’s “geen zuivere koffie” betrof. Maar elke verdergaande wetenschap over of betrokkenheid bij de voorgenomen moord op [slachtoffer A] heeft de verdachte ontkend.

De voorbereidingen van de moord op [slachtoffer A] waren van een professioneel karakter. Gestolen auto’s werden voorzien van gestolen of valse kentekenplaten en werden koud gezet. Uit de bewijsvoering leidt het hof af dat dat één of meer van deze auto’s zouden worden gebruikt bij het plegen van de moord. Met de eveneens in een van de auto’s klaar gezette benzine en de later meegebrachte handflare zou(den) deze in brand worden gestoken na het plegen van de moord. Er is gebruik gemaakt van een peilbaken om de auto waarin [slachtoffer A] reed te lokaliseren. Daarvan was de verdachte blijkens de bewijsvoering op de hoogte. Met behulp van versleutelde communicatie, waarvoor aparte telefoontoestellen met een dure applicatie werden gebruikt, werd voortdurend de cruciale informatie met de mededaders gedeeld. Tot slot zou de moord worden uitgevoerd met zware automatische wapens waarover de verdachte en zijn mededaders kennelijk de beschikking hebben kunnen krijgen. Dit komt over als een strak geplande en geregisseerde voorbereiding.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat andere personen “met wie je beter niet een potje kunt knikkeren” buiten schot zijn gebleven. Het hof wil wel aannemen dat op de achtergrond personen een rol hebben gespeeld over wie de verdachte niet wil of durft te verklaren. Ook dit blijkt uit de bewijsvoering: er zijn diverse personen geweest die cruciale informatie hebben verschaft en instructies hebben gegeven.

Wat er ook zij van deze context, de verdachte heeft in zeer ruime mate blijk gegeven van een onverschrokken houding en van een volledig gebrek aan respect voor het leven van het beoogde slachtoffer. De voor het bewijs gebezigde berichten die via de zogeheten PGP-BlackBerry’s door verdachte zijn gestuurd op de dag voorafgaand aan zijn aanhouding doen blijken van een enorme verbetenheid om de actie te doen slagen. Het zijn bovendien berichten waaruit kan worden opgemaakt dat de verdachte in direct contact stond met de personen op de achtergrond. Sua, Niffo en Snor, wie zij ook mogen zijn, zijn gezien de inhoud van de berichten onmiskenbaar de mensen die er belang bij hebben dat [slachtoffer A] om het leven wordt gebracht. De verdachte nam kennis van de voortgang om dat doel te bewerkstelligen en droeg ook daadwerkelijk met overtuiging bij aan de realisering van dat doel. Doelgericht en met vasthoudendheid heeft hij zich met anderen gezet aan zijn taak, het scheppen van de voorwaarden voor de moord op [slachtoffer A].

Het hof meent er op basis van de processtukken wel van te mogen uitgaan dat de strafzaak van de verdachte niet op zichzelf staat en in verband staat met andere levensdelicten of pogingen daartoe. De verdediging heeft hiervoor afzonderlijk aandacht gevraagd in die zin dat het hof, in de woorden van de raadsvrouw, de zaak niet als “voorbeeld” zou moeten stellen. Het hof zou de verdachte niet onevenredig zwaar mogen straffen onder verwijzing, zo begrijpt het hof, naar het vele onderwereldgeweld waarmee de samenleving de laatste jaren wordt geconfronteerd. Het hof begrijpt dat beoogd is te betogen dat, huiselijk gezegd, de verdachte niet mag boeten voor het geweld dat door anderen is en wordt gepleegd en voor de vaak als onveilig gekenschetste sfeer die daardoor is ontstaan.

Het hof volgt de verdediging in zoverre dat het benadrukt dat de voorgaande overwegingen telkens betrekking hebben op een weging en waardering van de gedragingen van de verdachte zelf. De straf die het hof zal opleggen staat daarmee in een proportionele verhouding. Dat deze toch veel zwaarder zal zijn dan de straf die de verdediging voor ogen staat, hangt samen met het feit dat het hof, anders dan de raadsvrouw, een nauwere betrokkenheid bij en verdergaande wetenschap van de moordplannen ten aanzien van [slachtoffer A] als vaststaand beschouwt.

Het hof wil en kan echter de ogen niet sluiten voor het vele vuurwapengeweld waarmee de samenleving wordt geconfronteerd en de nietsontziende, onverschillige en brute wijze van toepassing ervan. De zaak van de verdachte wordt daarbij door het hof niet als voorbeeld gesteld. Niettemin heeft als uitgangspunt te gelden dat de strafrechtspleging dient bij de te dragen aan de algemene preventie van strafbare feiten en in dat verband een zekere afschrikkende werking dient te hebben. In zoverre zal ook het oordeel van het hof in deze zaak duidelijk maken dat op deze ernstige vormen van ontwrichtend geweld een zeer stevige reactie van de strafrechter volgt. Steviger zelfs dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Daarmee beoogt het hof niet het signaal af te geven dat “het maar eens afgelopen moet zijn”. Een dergelijke benadering zou kunnen leiden tot een disproportioneel oordeel. Bovendien zou uit het oog worden verloren dat slechts een veelheid aan impulsen en interventies, van zeer uiteenlopende aard, de golf van geweld tot stoppen kan brengen.

Het hof beoogt met de op te leggen straf tevens, gezien het hiervoor reeds aanwezig geachte recidivegevaar, bij te dragen aan bescherming van de samenleving. Het heeft er alle schijn van dat de verdachte slechts een zeer lage drempel heeft hoeven nemen, voordat hij het pad insloeg dat tot deze strafbare feiten heeft geleid. Het beoogde slachtoffer behoorde, zo blijkt uit de processtukken, tot een andere groep personen waarvan de leden kennelijk uit het leven mochten en moesten worden geschoten. Er wordt wel gezegd dat zolang criminelen alleen elkaar vermoorden, dit de rechtsorde niet wezenlijk raakt. In deze cynische benadering gaat het hof niet mee. Ook in deze strafzaak wordt zichtbaar dat risico’s werden genomen en dat de kans werd aanvaard dat bij het te plegen misdrijf onschuldige burgers, omstanders en/of politiemensen ook het slachtoffer van het geweld zouden kunnen worden. De aanwezigheid van niet minder dan drie zware automatische vuurwapens en de onbezonnen wijze waarop de verdachte en zijn mededaders hebben geprobeerd aan hun aanhouding te ontkomen op 1 februari 2015 vormen daarvan de illustratie.

De houding van de verdachte, zijn hardnekkig ontkennen daaronder begrepen, doet vermoeden dat de verdachte de ernst van de feiten niet inziet of niet wil inzien, hetgeen, naar het oordeel van het hof, niet veel goeds belooft voor de toekomst. Zonder nader inzicht in de beweegredenen van de verdachte en in de omstandigheden waaronder zijn criminele attitude heeft kunnen ontstaan moet worden gevreesd voor herhaling.

In dit verband komt ook veel betekenis toe aan de justitiële documentatie van de verdachte. Uit een uittreksel daarvan, gedateerd 5 april 2018, blijkt van een lange reeks veroordelingen. Vanaf het moment dat de verdachte de leeftijd van 14 jaar had bereikt is hij vrijwel ieder jaar één of meermalen voor agressiedelicten veroordeeld. Dit heeft geculmineerd in een veroordeling wegens poging tot doodslag in 2014. Daarbij is onder meer, kennelijk met toepassing van adolescentenstrafrecht, voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van een jaar opgelegd. De proeftijd van twee jaren was op 18 april 2014 ingegaan. In het kader van de opgelegde bijzondere voorwaarden droeg de verdachte een enkelband. Deze heeft hij op 15 december 2014 doorgeknipt; bij een doorzoeking van de woning waar de verdachte verbleef is op 1 februari 2015 de enkelband aangetroffen. Daarnaast had de verdachte het bij vonnis opgelegde locatiegebod meermalen overtreden. Zoals uit de bewijsmotivering blijkt was de verdachte vanaf 24 december 2014 betrokken bij het beheer van de gestolen BMW’s die in Eindhoven waren geparkeerd. Het verloop van deze gebeurtenissen illustreert een uitzonderlijke brutaliteit.

Slechts korte tijd nadat de verdachte justitie de mogelijkheid had ontnomen om toezicht te houden op de periodes dat hij thuis aanwezig was, is hij aan de slag gegaan met de auto’s in Eindhoven. Daar was hij, blijkens de printlijsten van het telefoonnummer eindigend op *184, ook enkele malen ’s nachts. De verdachte lapt, zo blijkt hieruit, alles aan zijn laars. Hij wil alleen maar zijn eigen (criminele) gang gaan. Daarvan kan zelfs een voorwaardelijke vrijheidsstraf van maar liefst een jaar hem niet weerhouden.

De verdachte is jong. Bovendien heeft hij een verstandelijke beperking. Ten tijde van zijn aanhouding was hij net 21 jaar oud. Hij ondergaat inmiddels meer dan drie jaar voorlopige hechtenis. Langdurige vrijheidsbeneming kan, indien toegepast bij een jeugdige, een verdere verslechtering van diens maatschappelijke perspectieven tot resultaat hebben. De jeugdige leeftijd wordt mede hierom doorgaans in matigende zin betrokken bij de bepaling van de strafmaat. Al het voorgaande in overweging genomen acht het hof evenwel nauwelijks nog ruimte aanwezig om dit aspect een rol van betekenis te doen spelen in de duur van de op te leggen vrijheidsstraf.

Voorts gaat het hof bij de bepaling van het toepasselijk strafmaximum ervan uit dat de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen voor moord en de overtreding van de Wet wapens en munitie in een onderlinge verhouding staan van eendaadse samenloop. Het beschermde rechtsbelang bij de overige bewezen verklaarde feiten verschilt hiervan zodanig dat het hof hier meerdaadse samenloop aanneemt.

In het licht van de voorgaande overwegingen is het hof tot de slotsom gekomen dat de straf die door de advocaat-generaal is geëist onvoldoende recht doet aan de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten tegen de achtergrond van diens persoon. Het hof acht bij wijze van uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek van de tijd die is doorgebracht in voorarrest passend en geboden.

Bespreking van een strafmaatverweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat de wijze waarop de verdachte op 1 februari 2015 is aangehouden disproportioneel was. Uit het omtrent de aanhouding door de Rijksrecherche opgestelde onderzoeksdossier Riddervis blijkt dat de politieambtenaren DSI07 en DSI09 (het hof begrijpt hier en hierna: leden van de Landelijke Eenheid, Dienst Speciale Interventie, DSI) de verdachte onder controle hadden, aangezien zij hem onder schot hadden en de verdachte op zijn knieën zat met zijn handen in de nek. Er was (naar het hof de raadsvrouw begrijpt) geen enkele reden voor de inzet van de politiehond door de DSI06. Aldus is volgens de raadsvrouw sprake van een onrechtmatig optreden van het arrestatieteam, hetgeen een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv oplevert. Reparatie is niet mogelijk, reden waarom op grond van dit verzuim een strafvermindering moet worden toegepast.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat een strafvermindering zoals door de rechtbank is toegepast op zijn plaats is.

Het hof dient allereerst de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van een vormverzuim als bedoeld in voornoemde bepaling. Het hof begrijpt dat de raadsvrouw heeft beoogd te betogen dat bij de aanhouding van de verdachte de eis van proportionaliteit niet in acht is genomen. Ter beoordeling staat derhalve of in casu bij de toepassing van dit dwangmiddel daarvan sprake is geweest.

Uit het dossier Riddervis leidt het hof het volgende af. Door de Rijksrecherche is onderzoek verricht naar de toedracht van een op 1 februari 2015 toegepaste geweldsaanwending, te weten een schietincident, door een of meer politieambtenaren van de afdeling DSI, die bij de aanhouding ondersteuning gaven aan het arrestatieteam.

Op genoemde datum is bij de aanhouding door een politieambtenaar van de DSI gericht op [verdachte 3], die bij de verdachte in de BMW 3-serie zat, geschoten waarbij [verdachte 3] ernstig letsel heeft opgelopen.

Het hof stelt vast dat dit onderzoek zich niet specifiek heeft gericht op geweldstoepassing door de inzet van de politiehond tegen de verdachte maar vooral de aanhouding van [verdachte 3] tot onderzoeksobject had. In het kader van het onderzoek zijn de direct bij de aanhouding betrokken politieambtenaren van de DSI als getuigen gehoord. Uit deze verklaringen, meer in het bijzonder de verklaringen van de DSI06 (de hondengeleider), DSI07 en DSI11(weliswaar heeft de raadsvrouw verwezen naar DSI09, maar het hof begrijpt gelet op de inhoud van het dossier dit als een kennelijke verschrijving), komt omtrent de aanhouding van de verdachte, die de bestuurder van de BMW 3-serie was, het volgende naar voren.

In de Willebroekstraat, nabij de kruising met de Knokkestraat, is het tot een confrontatie gekomen tussen medewerkers van het Aanhoudings- en Ondersteunings Team, behorend tot de DSI, en de inzittenden van de BMW3-serie, te weten de verdachte en [verdachte 3]. De verdachte is daarbij weggerend en is elders door DSI06, DSI07 en DSI11 aangehouden. Hierbij is de diensthond van DSI06 ingezet.

DSI06 heeft – kort samengevat en voor zover hier van belang – verklaard dat hij een man vanaf de bestuurderszijde van de BMW3-serie zag wegrennen en dat hij met de hond uit zijn politievoertuig is gestapt en meteen de wegrennende persoon heeft aangeroepen met “politie”. Hij was gefocust op de vluchtende verdachte, aangezien bij de briefing was doorgegeven dat vluchtende verdachten “voor de hond zouden zijn”. De hond liep met DSI06 mee aan een lange lijn. DSI06 zag dat een collega, naar hem later is gebleken DSI07, met hem oprende achter de verdachte aan. Op enig moment liep DSI07 tussen hem en de verdachte in, circa 25 meter achter de verdachte. DSI06 riep tijdens de achtervolging meermalen “politie, blijven staan”, aan welk bevel door de verdachte geen gevolg werd gegeven. Tegen DSI07 riep DSI06 dat deze opzij moest gaan, omdat hij met de hond was. Kennelijk heeft DSI07 dat niet gehoord, anders zou DSI06 de hond op dat moment de verdachte hebben laten stoppen.

Vervolgens werd de afstand tot de verdachte groter en had DSI06 geen zicht meer op de verdachte. Hij volgde DSI07 en hoorde vervolgens een schot uit de richting van DSI07 en de verdachte, waarbij hem niet duidelijk was wie er had geschoten. Iets verderop hoorde hij weer een schot. Vervolgens zag hij dat DSI07 rechtsaf een plantsoen in rende en toen hij zelf het plantsoen in kwam zag hij op een afstand van ongeveer 20 meter DSI07 met zijn wapen gericht op de verdachte. Beiden stonden stil en met de rug naar DSI06 toe. De verdachte stond met zijn armen iets omhoog, waarbij zijn handen zichtbaar waren. DSI06 is vervolgens bij DSI07 gaan staan en zag toen ook nog een andere collega staan met een getrokken wapen gericht op de verdachte. Op beide wapens brandde het laser. Beide politieambtenaren hielden hun wapen met gestrekte armen voor zich in de richting van de verdachte. Op dat moment zat de verdachte half op zijn knieën. Vervolgens is DSI06 met de hond tussen zijn collega’s doorgelopen naar de verdachte, aangezien deze nog niet fysiek onder controle was gebracht. DSI06 gaf de verdachte een trap in de rug om hem lager bij de grond te krijgen, zodat hij niet kon vluchten. Daarop heeft DSI06 besloten de hond het commando “vast” te geven, waarop de hond de verdachte in het linker onderbeen beet. Tot inzet van de hond was overgegaan om te voorkomen dat de verdachte alsnog weg zou vluchten, aangezien hij eerder ook al niet op waarschuwingsschoten had gereageerd. DSI06 had gehoord dat het om “een zware crimineel” ging (het hof begrijpt: bij de briefing) en dat hij “gestopt moest worden”. Op het latere commando van DSI06 dat de verdachte zijn handen moest laten zien, toen hij voorover lag, reageerde de verdachte niet. Omdat DSI06 ervan uit ging dat de verdachte mogelijk gewapend was, heeft hij de verdachte een paar vuistslagen tegen het hoofd gegeven met het doel de handen zichtbaar te krijgen. De verdachte reageerde hierop door zijn handen te tonen. DSI07 en DS011 zijn er toen bijgekomen en hebben de verdachte gefixeerd. Daarop heeft DSI06 de hond ertoe gebracht de verdachte los te laten. DSI11 heeft kort daarna de bijtwond bij de verdachte bekeken. Het betrof een schone wond met weinig letsel. Op het politiebureau is de verdachte door een arts gezien.

DSI07 en DSI11 hebben omtrent de gang van zaken bij de aanhouding van de verdachte grotendeels gelijkluidend verklaard. Beiden hadden gehoord dat het om verdachten in een zaak met zware vuurwapens ging. Tijdens de achtervolging van de verdachte hebben beiden de verdachte meermalen het bevel gegeven te blijven staan, waaraan de verdachte geen gehoor gaf. DSI07 heeft een waarschuwingsschot gelost, waarop de verdachte evenmin reageerde. Zowel DSI11 als DSI07 hebben hun vuurwapen middels laser en een red dot op de rug van de verdachte gericht. Vervolgens heeft DSI07 de verdachte bevolen zijn handen omhoog te doen, zich om te draaien en op de knieën te gaan, aan welk bevel de verdachte gevolg gaf. DSI11 en DSI 07 stonden daarbij op enige afstand van de verdachte. Hierna vond de geweldstoepassing door DSI06 met de hond plaats, waarna de verdachte is afgeboeid en afgevoerd.

Het hof is van oordeel dat op grond van hetgeen uit de verklaringen van DSI06, DSI07 en DSI11, in onderling verband en samenhang beschouwd, naar voren komt onvoldoende aannemelijk is geworden dat bij het optreden van DSI06 met inzet van de hond sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Uit die verklaringen komt naar voren dat de verdachte, die in verband werd gebracht met zware vuurwapens, op geen enkel bevel om zich over te geven reageerde; zelfs een waarschuwingsschot bleef zonder gevolg. Na een lange en onoverzichtelijke achtervolging door een woonwijk in de nachtelijke uren onder winterse omstandigheden, uitgevoerd door meer leden van het aanhoudingsteam is de verdachte uiteindelijk tot stoppen gebracht en door twee leden van de DSI onder schot gehouden. DSI07 en DSI11 hebben verklaard dat de verdachte voor hen onder controle was op het moment dat zij hem onder schot hadden en hij geknield met zijn handen omhoog/op het hoofd zat. De door deze politieambtenaren bedoelde controle bestond uit het op enige afstand onder schot houden van de verdachte, waarbij de fysieke aanhouding nog moest plaatsvinden. Ook op dat moment was nog niet duidelijk of de verdachte een vuurwapen bij zich droeg. Onder deze omstandigheden heeft DSI06 besloten tot inzet van de hond.

Voor beoordeling van de proportionaliteit van dit optreden is, anders dan de raadsvrouw in haar pleidooi lijkt te veronderstellen, niet alleen van belang wat de inschatting van DSI07 en DSI11 op het moment van de aanhouding inhield. Het gaat om alle relevante feiten en omstandigheden in samenhang beschouwd, die de context hebben gevormd voor inzet van de politiehond.

Op het moment van inzet van de hond en de daarop gevolgde vuistslagen was de aanhouding van de verdachte nog niet voltooid. Er was weliswaar sprake van controle over de verdachte in die zin dat hij onder schot werd gehouden maar overigens bestond aanzienlijke onzekerheid over zijn intenties en het mogelijke bezit van een (zwaar) vuurwapen.

Aan de raadsvrouw kan worden toegegeven dat het door DSI06 toegepaste geweld in de vorm van meerdere vuistslagen tegen het hoofd van de verdachte op het moment dat de politiehond deze reeds “vast” had niet als evident noodzakelijk kan worden aangemerkt. Maar dit is onder de gegeven omstandigheden te weinig om te oordelen dat disproportioneel is gehandeld.

Wat de inzet van de politiehond betreft is van belang dat deze als een minder verstrekkend geweldsmiddel moet worden beschouwd dan het daadwerkelijk gebruik van het dienstwapen in het geval de verdachte opnieuw zou gaan bewegen of zich anderszins niet zou houden aan de instructies van de leden van de DSI. Onder alle gegeven omstandigheden, zoals hiervoor besproken, bestaat geen grond voor het oordeel dat bij de aanhouding de grenzen van de proportionaliteit zijn overschreden.

De camerabeelden die vanuit de politiehelikopter van de aanhouding van de verdachte zijn gemaakt leiden het hof niet tot een ander oordeel.

Nu ook overigens niet is aangevoerd dan wel aannemelijk is geworden dat bij de aanhouding van de verdachte sprake was van enig vormverzuim wordt het verweer verworpen. Het hof zal de hiervoor overwogen op te leggen straf derhalve niet matigen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 46, 47, 55, 57, 157, 289 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing tot vrijspraak ter zake van het onder 3 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 5 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4 en 5 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 4 en 5 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.M. Steinhaus, mr. H.S.G. Verhoeff en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van

mr. N.R. Achterberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

4 mei 2018.