Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1550

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
2300193116
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens medeplegen van voorbereidingshandelingen voor moord en brandstichting en wegens medeplegen van medeplichtigheid aan poging tot moord. Gebruik van versleutelde communicatie (Blackberries met een applicatie van Ennetcom, ook wel Pretty Good Privacy genoemd) voor het bewijs. Uitgebreide strafmaatoverweging met onder meer een beschouwing over geweld in de onderwereld. Verwerping van een verweer strekkend tot strafvermindering wegens door politie en justitie gedane uitlatingen en gegenereerde publiciteit over de zaak. Vijftien jaren gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001931-16

datum uitspraak: 4 mei 2018

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 mei 2016 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers

13-730011-15 (hierna te noemen: zaak A ‘Rooibos’) en 13-730028-15 (hierna te noemen: zaak B ‘Mango’) tegen

[verdachte 1],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in [detentieadres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak A onder

3 primair en 3 subsidiair is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte met betrekking tot deze onder 3 ten laste gelegde feiten onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open.

Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissingen tot vrijspraak van het in zaak A onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2017, 7 juli 2017, 9 en 12 februari 2018, 16, 18 en 20 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte beperkt hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte – voor zover in appel thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

Zaak A (Rooibos)

1.
hij op of omstreeks de periode van 22 december 2014 tot en met 1 februari 2015 te Eindhoven en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het met anderen of een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord c.q. doodslag als bedoeld in de artikelen 289 c.q. 287 van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk

a. a) twee, in elk geval een of meer, (volautomatische) militaire aanvalsgewe(e)r(en), waarvan één doorgeladen, (merk Zastava, model: M70AB2, kaliber: 7,62 x 39 mm) en/of een (doorgeladen) pistoolmitrailleur (merk Fabrique Nationale (Licentiebouw Uzi), model Uzi M61, kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter) en/of een patroonmagazijn (bestemd voor een Uzi M61) en/of

b) (in voornoemde Zastava’s) (telkens) 30, althans een of meer (volmantel) patro(o)n(en) (kaliber 7,62x39 mm) en/of (in voornoemde Uzi) 30, althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter) en/of (in voornoemd patroonmagazijn) 24, althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)) (geschikt om verschoten te worden met voornoemde pistoolmitrailleur) en/of een patroon (kaliber 7,62x39 mm) (geschikt om verschoten te worden met (beide) voornoemde Zastava’s) en/of

c) (twee, in elk geval) een (of meer), (gestolen) personenauto(s) (merk: BMW 335, origineel kenteken: [kenteken A] en/of merk: BMW serie 1, origineel kenteken [kenteken B]) en/of

d) valse en/of gestolen kentekenplaten ([kenteken C] (bevestigd op voornoemde BMW 335) en/of [kenteken D] (bevestigd op voornoemde BMW 335) en/of [kenteken E] (bevestigd op voornoemde BMW serie 1)) en/of

e) een gehuurde personenauto (merk: Citroën, kenteken: [kenteken F]) en/of

f) een bivakmuts en/of

g) een of meer (donkerkleurige) handschoen(en) en/of

h) een of meer (donkerkleurige) kledingstuk(ken) en/of

i. i) een schroevendraaier en/of

j) een peilbaken (IMEI nummer: 351564053310371) en/of

k) een tablet voorzien van software om een peilbaken te volgen en/of

l) vier, althans een of meer PGP (zogenaamde Pretty Good Privacy) Blackberry(s) (telefoonnummers: [946] en/of [415] en/of [184] en/of [694]),

bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd en/of doorgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

2.
hij op of omstreeks de periode van 22 december 2014 tot en met 1 februari 2015 te Eindhoven en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding het met anderen of een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk

a. a) een jerrycan met daarin benzine, althans enige ontvlambare vloeistof en/of

b) een handflare (noodseinfakkel) (merk: Painswessex, model: Red Handflare MK8),

bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad;

3.

hij op of omstreeks 1 februari 2015 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van zijn voornemen om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer perso(o)n(en) (leden, althans een lid, van een arrestatieteam) van het leven te beroven, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen op die leden, althans dat lid, heeft gericht en/of de trekker van dat vuurwapen heeft overgehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 1 februari 2015 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer perso(o)n(en) (leden, althans een lid, van een arrestatieteam) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans zware mishandeling, immers is verdachte (zichtbaar voor leden, althans een lid, van het arrestatieteam) met een militair aanvalsgeweer (merk: Zastava) voor zijn lichaam houdend uit de BMW 335 gestapt en/of heeft voornoemd aanvalsgeweer getoond en/of heeft de trekker van dat aanvalsgeweer overgehaald;

4.
hij op of omstreeks de periode van 22 december 2014 tot en met 1 februari 2015 te Eindhoven en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, vuurwapens van categorie II, te weten

a. a) twee, in elk geval een of meer, (volautomatische) militaire aanvalsgewe(e)r(en), waarvan één doorgeladen, (merk: Zastava, model: M70AB2, kaliber: 7,62 x 39 mm) en/of

b) een (doorgeladen) pistoolmitrailleur (merk Fabrique Nationale (Licentiebouw Uzi), model: Uzi M61, kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)

en/of munitie van categorie II en/of III, te weten

c) (in voornoemde Zastava’s (telkens) 30, althans een of meer, patro(o)n(en) van kaliber 7.62 x 39mm (volmantel) en/of

d) (in voornoemde pistoolmitrailleur) 30, althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter) (type hollowpoint) en/of

e) een patroon van kaliber 7,62 x39 mm en/of

f) (een patroonmagazijn, bestemd voor een Uzi M61, met daarin) 24, althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)

voorhanden hebben/heeft gehad;

5.
hij op of omstreeks meerdere tijdstippen in de periode van 1 december 2014 tot en met 1 februari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

a. a) een motorvoertuig, te weten een BMW 335 (origineel kenteken ([kenteken A]) en/of

b) een motorvoertuig, te weten een BMW serie 1 (origineel kenteken [kenteken B]) en/of

c) twee kentekenplaten, voorzien van kenteken [kenteken C] en/of

d) twee kentekenplaten, voorzien van kenteken [kenteken E],

in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde A] en/of [benadeelde B] en/of andere nog nader de beschrijven aangevers, in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte;

Subsidiair:


hij op of omstreeks de periode van 31 januari 2015 tot en met 1 februari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

a. a) een motorvoertuig, te weten een BMW 335 (origineel kenteken ([kenteken A]) en/of

b) een motorvoertuig, te weten een BMW serie 1 (origineel kenteken [kenteken B]) en/of

c) twee kentekenplaten, voorzien van kenteken [kenteken C] en/of

d) twee kentekenplaten, voorzien van kenteken [kenteken E],

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van deze goederen/dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen).

Zaak B (Mango)

één of meer ander(en) op of omstreeks 1 november 2014 te Almere, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van zijn/hun voornemen om, tezamen in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer B] en [slachtoffer C] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met (een) vuurwapen(s) een aantal kogels in de richting van de auto en/of de lichamen van die [slachtoffer B] en/of die [slachtoffer C] heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte en/of een van zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 24 oktober 2014 tot en met 1 november 2014 te Amsterdam en/of Almere, in ieder geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is/zijn geweest,

immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

- op of omstreeks 24 oktober 2014 een peilbaken aangekocht en/of

- dat peilbaken op of omstreeks 25 oktober 2014 geplaatst onder de auto van die [slachtoffer B] en/of die

[slachtoffer C] en/of

- vanaf 25 oktober 2014 tot en met 1 november 2014 (telkens) ingelogd op voornoemd peilbaken en/of

- een explosief geplaatst onder voornoemde auto.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 5 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging – moet worden vrijgesproken.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs in zaak A (Rooibos)

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat, hoewel de verdachte zich kan neerleggen bij een bewezenverklaring van het medeplegen van voorbereidingshandelingen, dit niet geldt voor alle onderdelen van het onder 1 tenlastegelegde. De kern van dit betoog houdt in dat de verdachte niet op de hoogte is geweest van de identiteit van het beoogde slachtoffer van de voorgenomen liquidatie.

Daartoe is aangevoerd dat de verdachte niet uitsluitend de gebruiker is geweest van de PGP-BlackBerry met het e-mailaccount [QB-account] en dat hij deze PGP-BlackBerry pas rond middernacht van 31 januari 2015 op 1 februari 2015 had gekregen van een crimineel, aangeduid als ‘meneer X’, die buiten beeld is gebleven. Deze persoon zou volgens de verdachte een leidende rol hebben gehad; zo heeft ook meneer X gebruik gemaakt van de in de auto van de verdachte aangetroffen tablet, had hij de verdachte naar Arnhem gestuurd om peilbakens op te halen en had hij hem gevraagd de auto met de wapens op te halen uit Eindhoven. Volgens de verdachte kan het niet anders dan dat deze meneer X op sleutelmomenten over het baken en de tablet heeft beschikt en dat hij hierop heeft ingelogd.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde voorbereiden van brandstichting, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de jerrycan met benzine en de handflare (opzettelijk) voorhanden heeft gehad. Daarbij is de enkele wetenschap van de aanwezigheid van die combinatie van voorwerpen – zo daar in het geval van de verdachte al van kan worden uitgegaan – onvoldoende om daaruit opzet van de verdachte op die brandstichting te kunnen vaststellen.

Ook ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie dient volgens de raadsman vrijspraak te volgen, niet alleen omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de wapens en munitie in de BMW maar ook omdat bij hem de zeggenschap als (mede)pleger daarover ontbrak.

Bewijs voor het onder 5 subsidiair tenlastegelegde ontbreekt eveneens, nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de beschikkingsmacht over de genoemde voertuigen en kentekenplaten had.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft de bewezenverklaring van het onder 1, 2, 4 en 5 subsidiair tenlastegelegde gevorderd en heeft daartoe betoogd dat zij zich kan vinden in de bewezenverklaring zoals opgenomen in het vonnis van de rechtbank en de gronden waarop deze berust.

Algemene overwegingen met betrekking tot en naar aanleiding van de data- en telecommunicatie

Op grond van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting komt het hof tot de volgende vaststellingen.

Op 1 februari 2015 is in de fouillering van de verdachte een telefoon van het merk BlackBerry, voorzien van een toepassing waarmee versleuteld berichtenverkeer kan plaatsvinden (hierna gemakshalve: PGP-BlackBerry), aangetroffen met IMEI-nummer [8860] (hierna: het toestel 8860). Daarin bevond zich een simkaart met telefoonnummer [415] (hierna: het telefoonnummer *415), op naam van Ennetcom Consumer Products B.V. te Arnhem.

Uit de historische gegevens van het telefoonnummer *415 blijkt dat dit telefoonnummer voor het eerst actief is geweest op 17 september 2014 te 14:51 uur en vanaf dat moment vrijwel dagelijks is gebruikt in een telefoon met IMEI-nummer [9750] (hierna: het toestel 9750). Deze telefoon is ook een PGP-BlackBerry en is op 1 februari 2015 tijdens een doorzoeking gevonden in de woning aan de [straatnaam verdachte A] te Amsterdam, zijnde de verblijfplaats van de verdachte. Blijkens informatie van BlackBerry Netherlands B.V. was aan het toestel 9750 het e-mailadres [QB-account] gekoppeld.

Van het toestel 8860 zijn de historische gegevens opgevraagd. Deze gegevens wijzen uit dat het telefoonnummer *415 voor het eerst op 14 januari 2015 te 15:14 uur is geregistreerd in dit toestel. Blijkens voornoemde informatie van BlackBerry Netherlands B.V. was ook aan het toestel 8860 het

e-mailadres [QB-account] gekoppeld.

Het dossier bevat geen informatie dat het telefoonnummer *415 na 14 januari 2015 nog in het toestel 9750 is gebruikt.

Samengevat komt het vorenstaande er aldus op neer dat:

  • -

    het telefoonnummer *415 in de periode van 17 september 2014 tot en met 14 januari 2015 in het toestel 9750 is gebruikt en vervolgens op 14 januari 2015 is overgegaan in het toestel 8860 en zich daarin nog bevond op het moment dat de verdachte werd aangehouden op 1 februari 2015;

  • -

    het e-mailadres [QB-account] in het toestel 9750 is gebruikt in de periode van 17 september 2014 tot en met 14 januari 2015 en vervolgens vanaf 14 januari 2015 tot het moment van aanhouding van de verdachte op 1 februari 2015 in het toestel 8860.

Zoals hierna nog aan de orde zal komen, zijn in het toestel 8860 diverse e-mailberichten aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met de plannen voor de liquidatie van [slachtoffer A] (onderzoek Rooibos). Deze e-mailberichten zijn grotendeels verzonden of ontvangen op 31 januari 2015.

Het e-mailverkeer liep door tot het moment van aanhouding op 1 februari 2015. Daarnaast zijn in het toestel 8860 diverse “memopad”-notities (hierna: de notities) aangetroffen, die in verband gebracht kunnen worden met de aanslag op [slachtoffer B] en [slachtoffer C] op 1 november 2014 (het onderzoek Mango). Deze notities zijn voorzien van data die liggen tussen 24 oktober 2014 en 31 januari 2015.

Ter terechtzitting in hoger beroep is zowel door het openbaar ministerie als de raadsman van de verdachte bevestigd dat het technisch mogelijk is dat gegevens, waaronder contactlijsten en notities, overgezet worden van de ene PGP-BlackBerry naar een andere PGP-BlackBerry. Gelet op het feit dat het telefoonnummer *415 op 14 januari 2015 is overgegaan op het toestel 8860, dit toestel op die dag actief is geworden en informatie over (data)communicatie die het gebruik van toestel 9750 na 14 januari 2015 aantoont ontbreekt, terwijl het e-mailadres [QB-account] aan beide toestellen gekoppeld is geweest, concludeert het hof dat de notities – de tijdstippen waarop zij zijn aangemaakt (zoals weergegeven in de bewijsmiddelen) mede in aanmerking genomen – op 14 januari 2015 zijn overgezet van het toestel 9750 naar het toestel 8860. Een andere verklaring voor de aanwezigheid van de notities, die dateren van vóór de ingebruikneming van de 8860, moet worden uitgesloten.

De vraag die voorligt is of de verdachte degene is geweest, die het toestel 9750 en het toestel 8860, met daarin telkens het telefoonnummer *415, in de periode van 17 september 2014 tot en met 1 februari 2015 heeft gebruikt. In het verlengde daarvan is de vraag aan de orde of de verdachte de verzender en de ontvanger van de ge-encrypte e-mailberichten, gekoppeld aan het e-mailadres [QB-account], is geweest en of hij de opsteller is geweest van de notities die uiteindelijk zijn aangetroffen in het toestel 8860.

Gebruiker van het telefoonnummer *415

In de periode van 24 december 2014 tot 1 februari 2015 is het telefoonnummer *415 frequent in verband te brengen met andere objectieve gegevens. Zo heeft de simkaart met dit nummer zich met regelmaat bevonden in de onmiddellijke nabijheid van locaties waar de door de verdachte gehuurde auto’s zich bevonden. Ditzelfde geldt voor een aan de verdachte toebehorende (Samsung) tablet. Ook is gebleken dat de reisbewegingen van het telefoonnummer *415, de tablet en de huurauto’s significante overeenkomsten laten zien. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Blijkens de (ongedateerde) huurovereenkomsten tussen de verdachte en [autoverhuurbedrijf A] huurde de verdachte in de periode van 24 december 2014 tot 8 januari 2015 een Opel Astra met kenteken

[kenteken H] (hierna: de Opel). De verdachte is in de huurperiode meermalen gecontroleerd in deze auto, waaruit blijkt dat hij ook de gebruiker van de Opel was.

De verdachte was blijkens een door hem en [autoverhuurbedrijf A] gesloten huurovereenkomst van 8 januari 2015 tot 14 januari 2015 de huurder van een Mercedes met kenteken [kenteken G] (hierna: de Mercedes). Ook in deze auto is de verdachte in de huurperiode gecontroleerd, hetgeen bevestigt dat hij de gebruiker was van de Mercedes.

Voorts is na de aanhouding van de verdachte in de door de verdachte gebruikte Citroën C3 met kenteken [kenteken F] (hierna: de Citroën) een Samsung tablet aangetroffen, waarin zich een simkaart bevond met nummer [997] (hierna: het tabletnummer *997). Het tabletnummer *997 is voor het eerst in gebruik genomen op 2 januari 2015. Over deze tablet heeft de verdachte tijdens zijn politieverhoor van 12 februari 2015 verklaard dat het zijn tablet was, die hij deze meestal alleen gebruikte en dat de tablet altijd in de auto lag. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte daar nog aan toegevoegd dat dit “echt een auto tablet” was en ook toen heeft hij verklaard dat hij de tablet altijd bij zich had in de auto.

De verdachte had aldus in de periode van 24 december 2014 tot 1 februari 2015 achtereenvolgens de beschikking over de Opel (tot 8 januari 2015), de Mercedes (van 8 januari 2015 tot 14 januari 2015) en het tabletnummer *997 (vanaf 2 januari 2015). Zowel de Opel, de Mercedes als het tabletnummer *997 zijn op verschillende momenten in de periode van 24 december 2014 tot 1 februari 2015 in de directe nabijheid te plaatsen van het telefoonnummer *415. Daarnaast maken zij op verschillende data dezelfde reisbeweging van Amsterdam naar Eindhoven en/of vice versa, zoals uit het navolgende blijkt. Het hof gaat daarbij uit van het proces-verbaal van bevindingen van 30 juni 2015 (ZD05, p. 357 e.v., hierna: het proces-verbaal) en de zich bij de processtukken bevindende documenten die in dat proces-verbaal zijn genoemd. Uit dit proces-verbaal blijkt het volgende.

Op 24 december 2014 wordt de Opel om 22:51 uur geregistreerd in Eindhoven. Het telefoonnummer *415 straalt daar diezelfde avond om 23:16 uur aan. De scanlocatie van de Opel en de zendmastlocatie van het telefoonnummer *415 bevinden zich blijkens het proces-verbaal in elkaars directe omgeving.

Op 25 december 2014 wordt de Opel om 01:15 uur geregistreerd in Veldhoven. Het telefoonnummer *415 straalt om 01:16 uur in Veldhoven aan. Diezelfde avond om 18:45 uur wordt de Opel geregistreerd in Eindhoven, alwaar het telefoonnummer *415 om 19:16 uur aanstraalt. Om 21:15 uur die avond wordt de verdachte in de Opel gecontroleerd door de politie, op de Utrechtsestraat te Amsterdam. Om 21:16 uur straalt het telefoonnummer *415 aan op de Weesperstraat te Amsterdam. Naar het hof ambtshalve bekend is bedraagt de afstand tussen de Utrechtsestraat en de Weesperstaat te Amsterdam hemelsbreed slechts enkele honderden meters.

Op 1 januari 2015 straalt het telefoonnummer *415 om 22:32 uur een zendmast aan in Eindhoven. Vanaf 22:26 uur wordt ook de Opel in Eindhoven gelokaliseerd. Wederom bevinden zich de zendmastlocatie van het telefoonnummer *415 en de scanlocatie van de Opel zich in elkaars directe omgeving.

Op 2 januari 2015 is een reisbeweging van het telefoonnummer *415 waar te nemen van Amsterdam naar Eindhoven. Om 18:48 uur wordt het telefoonnummer *415 gelokaliseerd in Amsterdam, waarna het telefoonnummer *415 om 22:48 uur een zendmast in Eindhoven aanstraalt. Ook het tabletnummer *997 volgt die dag de route Amsterdam-Eindhoven. Om 19:35 uur straalt het tabletnummer *997 een zendmast aan in Amsterdam en later die avond, om 22:29 uur een zendmast in Eindhoven. Vanaf 21:06 uur die avond wordt ook de Opel in Eindhoven geregistreerd. Uit het proces-verbaal blijkt dat de scanlocatie van de Opel en de zendmastlocaties van het telefoonnummer *415 en het tabletnummer *997 zich in elkaars directe omgeving bevinden.

In de vroege ochtend van 3 januari 2015 bewegen de Opel, het telefoonnummer *415 en het tabletnummer *997 vanuit Eindhoven in de richting van Amsterdam. De Opel wordt die dag om 00:11 uur in Amsterdam geregistreerd, terwijl het telefoonnummer *415 daar om 00:48 een zendmast aanstraalt. Het tabletnummer *997 peilt om 00:10 uur uit in Ouderkerk aan de Amstel.

Ook op 4 januari 2015 verplaatsen zowel het telefoonnummer *415 als het tabletnummer *997 zich rond hetzelfde tijdvak van Amsterdam naar Eindhoven.

Het telefoonnummer *415 peilt om 20:14 uur uit in Amsterdam. Het tabletnummer *997 doet dat om 20:08 uur. Om 22:48 uur bevindt het telefoonnummer *415 zich in Eindhoven, alwaar het tabletnummer *997 om 23:08 uur een zendmast aanstraalt. De Opel is vervolgens in elk geval om 22:45 uur in Eindhoven. Ook deze dag zijn de zendmastlocaties en de scanlocatie in elkaars directe omgeving. Ten aanzien van 4 januari 2015 wordt voorts nog in het proces-verbaal gerelateerd dat zowel het telefoonnummer *415 als de Opel later die nacht terug gaan naar Amsterdam.

Een dag later, op 5 januari 2015 maken het telefoonnummer *415 en het tabletnummer *997 wederom rond hetzelfde tijdvak een reisweging van Amsterdam naar Eindhoven. Het telefoonnummer *415 en het tabletnummer *997 zijn respectievelijk op 17:21 uur en 17:48 uur gelokaliseerd in Amsterdam en stralen om 21:21 uur respectievelijk 19:27 uur zendmasten aan in Eindhoven. De Opel is vanaf 19:34 uur gescand in Eindhoven. Ook nu wordt weer gerelateerd in het proces-verbaal dat het kenteken van de Opel en de (telefoon)nummers zich in elkaars directe nabijheid bevinden.

Op 10 januari 2015 verplaatst het telefoonnummer *415 zich van Amsterdam naar Eindhoven, alwaar het telefoonnummer *415 om 20:52 uur een zendmast aanstraalt. Ook de door de verdachte gehuurde Mercedes is die avond, in elk geval om 23:49 uur, in Eindhoven. Zowel het telefoonnummer *415 als de Mercedes verplaatsen zich later die nacht naar Amsterdam.

Op 11 januari 2015 tot slot beweegt het telefoonnummer *415 van Amsterdam naar Eindhoven. Om 22:25 uur straalt het telefoonnummer *415 in Eindhoven een zendmast aan. Het tabletnummer *997 heeft daar die avond om 21:00 uur een zendmast aangestraald. Ook de Mercedes is die avond, blijkens een registratie om 20:30 uur, in Eindhoven. In de nacht van 11 op 12 januari 2015 is te zien dat het telefoonnummer *415 en het tabletnummer *997 vanuit Eindhoven richting Amsterdam gaan. De Mercedes wordt die nacht om 01:15 uur in Amsterdam geregistreerd.

Uit het voorgaande volgt dat het telefoonnummer *415 in een relatief kort tijdvak, veelvuldig en langdurig aanwezig is op plaatsen waar de verdachte zich blijkens scanregistraties van zijn huurauto’s en zendmastgegevens van het tabletnummer *997 bevond. Daarnaast volgt uit het voorgaande dat het telefoonnummer *415 vaak dezelfde reisbewegingen maakt als de door de verdachte gebruikte huurauto’s en de aan de verdachte toebehorende tablet, die zich telkens in zijn auto bevond, zoals hiervoor reeds overwogen.

Op grond van het voorgaande is de conclusie gerechtvaardigd dat de verdachte in dit tijdvak dan ook de gebruiker is geweest van het telefoonnummer *415.

Gebruiker van het e-mailadres [QB-account]

De hiervoor genoemde omstandigheden zijn voor de verdachte in hoge mate belastend en redengevend voor het bewijs dat de verdachte ook de verzender en de ontvanger is van de versleutelde e-mailberichten gekoppeld aan het e-mailadres [QB-account] en dat hij de opsteller is geweest van de notities in het toestel 8860. Ruimte voor een andere conclusie zou mogelijk kunnen zijn, indien en voor zover de verdachte voor deze omstandigheden een redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring zou hebben gegeven.

De verdachte heeft vrij kort na zijn aanhouding, te weten in zijn politieverhoor op 5 maart 2015, verklaard dat hij de telefoon met daarin het telefoonnummer *415 “een tijdje terug” had gekregen en nadat daarop was doorgevraagd, dat hij dacht die telefoon nog voor de jaarwisseling (het hof begrijpt: 2014/2015) te hebben gekregen. Van wie hij de telefoon had gekregen, heeft hij niet willen verklaren. Ook heeft hij verklaard dat hij de telefoon gebruikte in die zin, dat als hij een berichtje kreeg hij reageerde en dat hij de telefoon ook dagelijks bij zich had. Vervolgens heeft hij, geconfronteerd met de bevindingen van de politie dat het toestel 8860 eerst op 14 januari 2015 actief is geworden, toegegeven dat hij dit toestel op 14 januari 2015 had gekregen.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte op vragen van de rechtbank geantwoord dat hij de PGP BlackBerry (het hof begrijpt: het toestel 8860 met daarin het telefoonnummer *415) heel weinig gebruikte. Soms vroeg hij of iemand er even een bericht mee wilde sturen. Het toestel 8860 heeft hij niet specifiek voor het verplaatsen van de BMW gekregen.

Ter terechtzitting in hoger beroep is de verdachte geconfronteerd met de, na de behandeling in eerste aanleg bekend geworden, voor de onderhavige strafbare feiten belastende, notities in het toestel 8860. Desgevraagd heeft de verdachte toen verklaard dat hij het toestel 8860 zo’n 4 à 5 uur voor zijn aanhouding op 1 februari 2015 in zijn bezit had gekregen. Ook nu wilde hij geen antwoord geven op de vraag van wie hij die telefoon had ontvangen. De verdachte verklaarde voorts dat hij het toestel 8860 kreeg, omdat hij een BMW met wapens van Eindhoven naar Amsterdam moest rijden en via het toestel 8860 instructies zou krijgen, die betrekking hadden op dat transport. Anders dan bij de rechtbank luidde zijn verklaring nu dat hij het toestel wél specifiek in verband met de te verplaatsen auto’s had gekregen. Dat het telefoonnummer *415 veelvuldig in de directe nabijheid van de verdachte is gelokaliseerd, is volgens de verdachte te verklaren uit het feit dat het telefoonnummer *415 bij een ander in bezit moet zijn geweest en dat die ander zich al die keren als passagier bij de verdachte in zijn auto moet hebben bevonden. Op de vraag wie die ander is, is de verdachte het antwoord schuldig gebleven.

Ook is de verdachte ondervraagd over de herkomst van het in zijn woning aangetroffen toestel 9750. De verdachte heeft hierover verklaard dat zijn vrienden regelmatig PGP BlackBerry’s lieten liggen in zijn huurauto’s, wanneer zij deze niet meer gebruikten en, zo begrijpt het hof de daarop gegeven aanvullende toelichting van de raadsman, het Ennetcom-account daarvan hadden verwijderd.

Tegen de achtergrond van deze verklaringen laten de onderzoeksresultaten met betrekking tot 24 oktober 2014 zich moeilijk begrijpen. Op die dag zijn het telefoonnummer *415 en het telefoonnummer eindigend op *285 (waarvan de verdachte heeft verklaard dat een telefoon met dit nummer bij hem in gebruik was) een aanzienlijk deel van de dag op dezelfde locaties uitgepeild. Rond vier uur ’s nachts worden beide nummers geregistreerd in Almere, ’s ochtends en in de vroege middag in de woonomgeving van de verdachte, ’s middags in Arnhem en op locaties op de route daarnaartoe. De verdachte heeft die dag ook een pintransactie uitgevoerd bij een tankstation op de route naar Arnhem, hetgeen overeenstemt met de paallocaties van beide telefoons. Geconfronteerd met deze gegevens heeft de verdachte, laatstelijk ter terechtzitting in hoger beroep, verklaard dat hij mogelijk naar Arnhem was geweest die dag om te chillen. Op 25 oktober 2014 in de nacht heeft het patroon zich voortgezet. Beide telefoonnummers straalden palen aan in en op de route naar Utrecht en daarna in Almere. De verdachte heeft verklaard, zoals elders in dit arrest nader zal worden besproken, dat hij deze route die nacht heeft afgelegd. Dit betekent dat als vaststaand mag worden aangenomen dat het toestel 9750 ook op die dag in bezit van de verdachte was.

Het hof stelt vast dat gedurende de hiervoor gedetailleerd beschreven periode tot 14 januari 2015 het telefoonnummer *415 nog in het toestel 9750 actief was. De verklaring van de verdachte over het toestel 9750 verdraagt zich niet met de wisselende verklaringen van de verdachte over de wijze waarop hij het toestel 8860 heeft verkregen en geeft bovendien geen antwoord op het aansluitend gebruik van het telefoonnummer *415 in de twee toestellen waarvan de eerste op diverse momenten aan de verdachte kan worden gerelateerd en die hij beide in zijn bezit had.

Het hof is van oordeel dat de verdachte niet consistent is geweest in zijn verklaringen over de vraag wanneer hij het toestel 8860 heeft ontvangen. Geconfronteerd met door (nader) onderzoek verkregen, belastende informatie uit toestel 8860 heeft de verdachte telkens anders verklaard over het moment waarop hij het toestel 8860 (met daarin het telefoonnummer *415) heeft ontvangen. Voorts is de verdachte niet eenduidig – en zelfs tegenstrijdig – in zijn verklaring, daar waar het gaat over het doel waarvoor hij die telefoon ontvangen zou hebben.

Het hof constateert voorts dat de verdachte weliswaar heeft betwist de houder/gebruiker te zijn geweest van het telefoonnummer *415 en het toestel 8860 in de periode tot 31 januari 2015, maar heeft nagelaten een concrete, enigszins verifieerbare verklaring te geven over de omstandigheid dat het telefoonnummer *415 veelvuldig samen met de door hem gehuurde auto’s en de aan hem toebehorende en bij hem in gebruik zijnde tabletnummer *997 wordt gelokaliseerd, terwijl dat gezien aard, omvang en inhoud van de hiervoor genoemde locatiegegevens wel van hem mocht worden verwacht.

Tot slot constateert het hof dat de verdachte, hoewel hem in hoger beroep veelvuldig daarnaar is gevraagd, heeft nagelaten te verklaren van wie hij het toestel 8860 (met daarin het telefoonnummer *415) heeft ontvangen, zodat ook op dat punt geen enkel aanknopingspunt is geboden voor een verkenning gericht op beantwoording van de vraag of er onderzoeksbevindingen zijn die zijn verklaring zouden kunnen ondersteunen.

De verklaring van de verdachte over de herkomst van het toestel 9750 in zijn woning acht het hof evenmin geloofwaardig op de gronden die hiervoor zijn vermeld.

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte geen redelijke verklaring heeft gegeven, die de redengevendheid van de hiervoor genoemde, uit de bewijsmiddelen blijkende, feiten en omstandigheden ontzenuwt. Het hof concludeert dan ook op grond van de bewijsmiddelen dat de verdachte in de periode van 17 september 2014 tot en met 1 februari 2015 de verzender en de ontvanger was van de PGP-berichten die gekoppeld zijn aan het e-mailadres [QB-account] en dat hij de opsteller is geweest van de in het toestel 8860 opgeslagen notities.

Meneer X

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte een verklaring afgelegd, onder meer in antwoord op vragen over de BlackBerry-toestellen die bij hem thuis en in zijn fouillering zijn aangetroffen. De verdachte heeft verklaard over een persoon, door hem onder meer getypeerd als ‘een grote jongen’ in het criminele circuit, aangeduid als ‘meneer X’. Deze persoon heeft de verdachte naar zijn zeggen rond middernacht in de nacht van 31 januari 2015 op 1 februari 2015 de PGP-BlackBerry gegeven. Via de PGP-BlackBerry kreeg de verdachte van ‘meneer X’ informatie door over de kentekenplaten en ontving hij instructies om de auto’s met wapens in Eindhoven op te halen. Ook was het die ‘meneer X’ die hem naar Arnhem stuurde om peilbakens op te halen, die de verdachte vervolgens – evenals de in zijn woning opgeslagen PGP-BlackBerry-toestellen – naar verschillende geïnteresseerden moest brengen. De naam van ‘meneer X’ heeft de verdachte niet willen noemen uit angst voor represailles richting hemzelf of zijn familie.

Het hof stelt vast dat de verdachte pas in hoger beroep de persoon van ‘meneer X’ heeft geïntroduceerd als de man die telkens een sleutelrol heeft gespeeld ten aanzien van voor de verdachte belastende omstandigheden. Het feit dat de verdachte eerst in hoger beroep met deze verklaring komt, draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van deze lezing van de verdachte. Voorts is de verdachte zeer vaag en algemeen gebleven in zijn bewoordingen waardoor deze persoon, ook als van zijn bestaan wordt uitgegaan, geen enkele substantie heeft gekregen. Het hof komt daarom tot de slotsom dat de verdachte geen verklaring heeft afgelegd die een ander licht kan werpen op de vele belastende onderzoeksresultaten. Het hof gaat aan die lezing van de verdachte dan ook voorbij.

Verdere overwegingen met betrekking tot de data- en telecommunicatie

Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen, waaronder het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant T-224 van 3 maart 2016 (ZD 05, doorgenummerde pagina 1059 e.v.) vast dat de verdachte, de medeverdachte [verdachte 2] (hierna: [verdachte 2]), [verdachte 4] en [verdachte 3] in hun onderlinge communicatie via PGP BlackBerry’s gebruik maakten van bijnamen. Zo is gebleken dat de verdachte de bijnaam Boet(ie), Boots of Booty had. [verdachte 4] werd Freaks, Frix of Friks(ie) genoemd en [verdachte 3] Paks of Pakkoe. [verdachte 2] werd Wim of Willem genoemd. Tevens blijkt uit de bewijsmiddelen dat:

- de verdachte gebruikmaakte van het telefoonnummer *415 en het e-mailaccount [QB-account];

- [ verdachte 4] gebruikmaakte van het telefoonnummer [946] en het e-mailaccount [98-account];

- [ verdachte 3] gebruikmaakte van het (Amerikaanse) telefoonnummer [694] en het e-mailaccount [2R-account] en

- [ verdachte 2] gebruikmaakte van het (Amerikaanse) nummer [184] en het e-mailaccount [06-account].

Onderzoek aan de onder de verdachte, [verdachte 2], [verdachte 4] en [verdachte 3] in beslag genomen PGP-BlackBerry’s heeft een overzicht van een groot aantal berichten opgeleverd, die blijkens de gebezigde namen, de inhoud van de contactenlijsten en de daaraan gekoppelde e-mailaccounts zijn verzonden naar, respectievelijk zijn ontvangen door de verdachte en de hiervoor genoemde personen en/of een aantal onbekend gebleven derden. De berichten zoals aangetroffen in de telefoons van de verdachte en de drie met name genoemde anderen van voor en na 1 februari 2015 te 01:30 uur vertonen zeer veel continuïteit. Deze komt hierin tot uiting dat – blijkens de aan die berichten gekoppelde namen – telkens dezelfde personen eraan hebben deelgenomen, waarbij de belangrijkste gespreksonderwerpen over de gehele periode van ongeveer 24 uur onveranderd blijven. Een deel van deze communicatie in deze periode heeft zelfs betrekking gehad op het vervoer van de BMW van Eindhoven naar Amsterdam, zijnde de klus die de verdachte zegt te hebben aangenomen.

In de periode van 22 en 23 december 2014 werden in Amsterdam twee auto’s, te weten een BMW 335 met kenteken [kenteken A] en een BMW 1-serie met kenteken [kenteken B] alsmede twee sets kentekenplaten met de nummers [kenteken C] en [kenteken E] gestolen. Deze auto’s werden enige tijd later teruggevonden op het Servaasplein te Eindhoven. Op de BMW 335 was inmiddels het kenteken [kenteken C] aangebracht. Op de BMW 1-serie zat het kenteken [kenteken E].

Uit de bewijsmiddelen blijkt een samenhang tussen de gestolen kentekenplaten [kenteken C] en [kenteken E] die meermalen in Eindhoven en omgeving op een rijdende auto zijn geregistreerd en de aanwezigheid van het tabletnummer *997 en de telefoonnummers *415 en *184 van respectievelijk de verdachte en [verdachte 2] en van door de verdachte gehuurde auto’s in die regio.

Het hof stelt vast dat de aanwezigheid van de verdachte en [verdachte 2] in Eindhoven en omgeving verband houdt met de daar geplaatste en met regelmaat rijdend aangetroffen, gestolen auto’s van het merk BMW.

Met betrekking tot feit 1

Bij een heimelijke doorzoeking van de gestolen BMW 335 in Eindhoven op 17 januari 2015 werden daarin twee Kalasjnikovs, een Uzi, munitie en een jerrycan met benzine aangetroffen. De wapens werden door opsporingsambtenaren onklaar gemaakt en de benzine werd vervangen door water, waarna de wapens en de jerrycan teruggeplaatst werden in deze BMW.

Op 9 januari 2015 werden bij de spyshop [naam spyshop] aan de [adres spyshop] te Arnhem peilbakens aangeschaft. Twee van deze peilbakens zijn op 16 januari 2015 bij de woning van de verdachte door middel van een IMSI-catcher gescand. Eén van deze peilbakens, te weten het peilbaken dat was voorzien van de inlogcode 310371, werd in de ochtend van 31 januari 2015 door de politie aangetroffen onder de huurauto waarin [slachtoffer A] toen reed. De inlogcode van het peilbaken had de verdachte op 31 januari 2015 om 10:18 uur in zijn PGP-BlackBerry genoteerd. Uit de PGP-berichten blijkt dat de verdachte in elk geval één maal de positie van [slachtoffer A] heeft doorgegeven, te weten op 31 januari 2015 om 16:58 uur.

Op 1 februari 2015 te omstreeks 02:30 uur reden de verdachte, [verdachte 2], [verdachte 4] en [verdachte 3] in een bij de verdachte in gebruik zijnde huurauto (een Citroën C3) vanuit Amsterdam naar het Servaasplein te Eindhoven. Aldaar aangekomen, stapten de verdachte, [verdachte 2] en [verdachte 3] uit en liepen naar de BMW 335. Vervolgens werd de BMW 335 door [verdachte 2] en [verdachte 3] voorzien van het kenteken [kenteken D]. Korte tijd later reden zowel de BMW 335 als de Citroën in de richting van Amsterdam.

Omstreeks 04:23 uur werden de auto’s door een aanhoudingsteam van de politie tot stoppen gedwongen en werden de inzittenden aangehouden: de verdachte als bestuurder van de Citroën met als bijrijder [verdachte 4] en [verdachte 2] als bestuurder van de BMW 335 met [verdachte 3] als bijrijder.

Tijdens de aanhouding stapte [verdachte 3] uit de BMW 335 met een doorgeladen Kalasjnikov in zijn handen. In de kofferbak van de BMW werden een tweede Kalasjnikov en een Uzi aangetroffen. De Uzi was eveneens doorgeladen. In het vak van het rechter voorportier van de BMW werden een patroonmagazijn voor een Uzi en een patroon aangetroffen en op de rechtervoorstoel lag een handflare. Op de achterbank lag de met water gevulde jerrycan die eerder gevuld was met benzine. In de Citroën werd de Samsung tablet met het nummer *997 aangetroffen.

In de BlackBerry’s van de verdachte (het toestel 8860) en van de drie anderen zijn na ontsleuteling zeer belastende berichten, gedateerd 31 januari 2015, aangetroffen, zoals blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen. Het gaat om berichten die in de context van de overige bewijsmiddelen bezwaarlijk anders gelezen kunnen worden dan dat die betrekking hebben op de voorbereidingen om [slachtoffer A] van het leven te beroven. Zoals uit de berichten blijkt zijn in de ochtend van 31 januari 2015 gesprekken gevoerd tussen de verdachte en ene Niffo. Deze gesprekken laten er geen misverstand over bestaan dat er wordt gesproken over Taba, zijnde de bijnaam van [slachtoffer A], en dat er rond 10:59 uur een peilbaken is geplaatst onder de auto die bij [slachtoffer A] in gebruik was. Zelfs het type en het kenteken van de auto worden in deze berichten genoemd. De verdachte deelt aan Niffo mee dat hij “m geplakt” heeft.

De verdachte was rond genoemd tijdstip aanwezig in de directe omgeving van de garage waar de auto van [slachtoffer A] stond geparkeerd. Dit blijkt uit de aanwezigheid van het tabletnummer *997 en de Citroën C3, die in gebruik was bij de verdachte. Het hof gaat er derhalve vanuit dat de verdachte het peilbaken met de inlogcode 310371 onder de auto van [slachtoffer A] heeft geplaatst/geplakt.

Vervolgens had de verdachte contact met Sua om die Sua mee te delen dat de “gp is geplakt” en dat Sua hem niet meer gaat zien in Marrakech, de stad waar [slachtoffer A] blijkens mededeling van de politie veelvuldig verbleef. Hierna deelde de verdachte aan Niffo mee dat de auto’s een eindje verderop staan, maar “vandaag” zouden worden teruggereden. Niffo antwoordde de verdachte daarop: “Deze man MOET MOET dood”, waarop de verdachte antwoordde dat Freaks en Pakkoe, te weten [verdachte 4] en [verdachte 3], hem “zouden geven” en dat die man dood gaat. Het komt goed, aldus de verdachte.

Ook [verdachte 2] laat zich deze dag op een soortgelijke wijze uit in PGP-gesprekken. Het hof wijst daarbij op de tussen [verdachte 2] en Sua voornoemd op 31 januari 2015 tussen 14:14 uur en 14:46 uur gevoerde gesprekken, waarin onomwonden wordt gesproken over het lokken van Taba, zoals gezegd de bijnaam van [slachtoffer A], het onder de auto van [slachtoffer A] geplaatste peilbaken (“we hebben nu iets onder zn waggie”) en het “bossen” (kapot maken) van hem.

In dit verband komt betekenis toe aan het feit dat [verdachte 2], evenals de verdachte, op de hoogte is van het peilbaken dat onder de auto van Taba is geplakt en dat Taba “gebost” moet worden. Voorts is voor de bewijslevering van belang dat de verdachte en [verdachte 2], die die nacht samen in verband met een auto met daarin onder meer zware automatische vuurwapens zijn aangehouden, onafhankelijk van elkaar op dezelfde dag contact hebben met Sua. Deze persoon speelt blijkens de inhoud van de berichten een belangrijke rol op de achtergrond door instructies te geven en informatie te delen.

Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen en op grond van hetgeen hiervoor is overwogen af dat de verdachte zeer nauw en bewust met [verdachte 2], [verdachte 4] en [verdachte 3] heeft samengewerkt teneinde een moordaanslag op [slachtoffer A] voor te bereiden. De wijze waarop de voorbereidingshandelingen vorm hebben gekregen kunnen niet tot een andere conclusie leiden. Immers, de auto van [slachtoffer A] is door de verdachte voorzien van een peilbaken met – naar het hof begrijpt – geen ander doel dan om [slachtoffer A] te lokaliseren en te volgen. Hij heeft blijkens de PGP-berichten ook een maal die dag de positie van [slachtoffer A] doorgegeven. Voorts zijn de verdachte, [verdachte 2], [verdachte 4] en [verdachte 3] naar Amsterdam gereden, de woonplaats van [slachtoffer A], waarbij [verdachte 2] en [verdachte 3] in een gestolen, snelle BMW reden, die was voorzien van valse kentekenplaten. In die BMW bevonden zich voorts zeer zware (automatische) vuurwapens, waarvan één zelfs direct onder handbereik van [verdachte 3], en munitie, voorwerpen die naar de ervaring leert veelal worden aangewend om liquidaties te plegen. De verdachte heeft de in de bewezenverklaring vermelde voorwerpen tezamen en in vereniging met genoemde personen dan ook verworven en/of voorhanden gehad met voornoemde bestemming.

Het voorgaande brengt met zich dat de verweren worden verworpen en dat het hof het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht, zoals weergegeven in de bewezenverklaring.

Met betrekking tot feit 2

Zoals hiervoor reeds met betrekking tot feit 1 is vermeld werd bij de heimelijke doorzoeking in de gestolen BMW 335 op 17 januari 2015 in de kofferbak van deze auto, behalve een drietal vuurwapens en munitie, ook een jerrycan met benzine aangetroffen. Nadat de politie de benzine had vervangen door water, is de jerrycan teruggelegd in de BMW.

Op 1 februari 2015 omstreeks 02:30 uur zijn de verdachte, [verdachte 2], [verdachte 3] en [verdachte 4] vanuit Amsterdam naar het Servaasplein te Eindhoven gereden. Op de camerabeelden van die nacht is, zo blijkt uit een proces-verbaal van verbalisanten die de beelden hebben uitgekeken, te zien dat de verdachte, [verdachte 2] en [verdachte 3] bezig waren met het vervangen van de kentekenplaten van de gestolen BMW 335. Ook verrichtten zij enige activiteit rondom de BMW-1 serie. Korte tijd later reden zowel de BMW 335 als de Citroën achter elkaar in de richting van Amsterdam.

Omstreeks 04:23 uur werden de auto’s door het aanhoudingsteam tot stoppen gedwongen. Op de rechtervoorstoel van de BMW 335, die door [verdachte 2] werd bestuurd en waarin [verdachte 3] als bijrijder zat, lag een handflare. Op de achterbank werd de oorspronkelijk met benzine gevulde jerrycan aangetroffen. [verdachte 3] had, zo heeft hij als getuige verklaard ter terechtzitting van het hof op 9 februari 2018, tijdens de gehele rit vanuit Eindhoven naar Amsterdam een Kalasjnikov bij zijn voeten.

Eerder in dit arrest is reeds vastgesteld dat de verdachte zich in Eindhoven heeft bevonden op 24 en 25 december 2014 en op 1, 2, 4, 5, 10 en 11 januari 2015. Eveneens heeft het hof daarbij vastgesteld dat de aanwezigheid van de verdachte en [verdachte 2] in Eindhoven en omgeving rechtstreeks verband hield met de daar geplaatste en met regelmaat rijdend aangetroffen, gestolen auto’s van het merk BMW.

Uit de verwisseling van de kentekenplaten bij de BMW 335 op het Servaasplein te Eindhoven op 1 februari 2015 blijkt eveneens een criminele intentie.

Dat de verdachte geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid in de BMW van de handflare op

1 februari 2015 en van de jerrycan met benzine op 17 januari 2015 kan, bezien in samenhang met de nauwe betrokkenheid van de verdachte bij de gestolen BMW 335 vanaf 25 december 2014 alsmede het doel waarvoor deze auto voorhanden was, uitgesloten worden geacht. Daar komt bij dat de inhoud van de berichten die de verdachte via zijn PGP BlackBerry heeft gewisseld met [verdachte 2], [verdachte 4] en [verdachte 3] geen twijfel laat bestaan over de mate waarin de verdachte betrokken was in en bewust was van de plannen voor de moord.

Wat betreft het opzet van de verdachte op het gronddelict brandstichting overweegt het hof het volgende.

Zoals blijkt uit het proces-verbaal van wapenonderzoek (ZD08 208) kan de aangetroffen handflare een vlam produceren tot maximaal 30 centimeter hoogte en van maximaal 2900 graden Celsius. Wanneer de flare horizontaal wordt gericht, ontstaat in de directe omgeving gevaar voor brand.

De combinatie van een handflare en een hoeveelheid benzine is zonder meer geschikt voor brandstichting. Voorts acht het hof het een feit van algemene bekendheid dat (vlucht)auto’s die bij liquidaties worden gebruikt, na korte tijd in brand worden gestoken om sporen uit te wissen en de opsporing te bemoeilijken.

Gelet op de overwegingen ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde ligt het dan ook in de rede dat de beoogde uitvoerders zich na de voorgenomen moord op [slachtoffer A] met uiterste spoed van het daarbij te gebruiken voertuig zouden willen ontdoen en deze in brand zouden steken op een plaats waarvandaan zij zich weer snel zouden kunnen verwijderen.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen neemt het hof als vaststaand aan dat de verdachte, [verdachte 2], [verdachte 3] en [verdachte 4] de handflare en de benzine voorhanden hebben gehad, opdat op enig moment – al dan niet na de succesvolle verwezenlijking van het plan om [slachtoffer A] te liquideren – het daarbij te gebruiken voertuig in brand kon worden gestoken.

Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte de jerrycan met benzine en de handflare in nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders in de periode van 22 december 2014 tot en met 1 februari 2015 voorhanden heeft gehad, met het doel daarmee brand te stichten of te doen stichten.

Met betrekking tot feit 4

Zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt zijn er op 17 januari 2015 tijdens de heimelijke doorzoeking in de kofferbak van de gestolen BMW 335 vuurwapens en munitie aangetroffen en zijn die vuurwapens door de politie onbruikbaar gemaakt en teruggelegd.

Op 1 februari 2015 zijn de verdachte en [verdachte 4] in de Citroën en [verdachte 2] en [verdachte 3] in de gestolen BMW 335 van Eindhoven naar Amsterdam gereden. Na de aanhouding werden de bovengenoemde vuurwapens, een patroonhouder en munitie aangetroffen in deze BMW. Er lagen twee vuurwapens in de kofferbak van de BMW en met het derde vuurwapen is [verdachte 3] uit de BMW gestapt. In het portier van de BMW werden een patroonmagazijn voor een Uzi en een patroon aangetroffen. [verdachte 3] heeft als getuige ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat er al een wapen in de BMW lag, toen hij in Eindhoven in de auto stapte.

Op grond van de hiervoor gegeven overwegingen ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en de voor het bewijs daarvan gebezigde bewijsmiddelen acht het hof uitgesloten dat de verdachte zich van de aanwezigheid van de wapens en de munitie in de periode zoals vermeld in de tenlastelegging niet bewust is geweest.

Sterker nog, de bewijsmiddelen leiden tot de slotsom dat de verdachte bewust en nauw met [verdachte 2], [verdachte 4] en [verdachte 3] heeft samengewerkt bij de voorbereiding van een moord en in dat verband de wapens en de munitie tezamen en in vereniging met hen voorhanden heeft gehad.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte met zijn mededaders zodanig nauw en bewust samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van de drie vuurwapens en munitie.

Met betrekking tot feit 5

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de heling van de in de tenlastelegging bedoelde BMW’s en kentekenplaten. De bewijsmiddelen die het hof voor het bewijs bezigt, houden onder meer in dat [verdachte 2] samen met [verdachte 3] in aanwezigheid van de verdachte de beide kentekenplaten op de BMW 335 heeft geschroefd en dat zij beiden ook doende zijn geweest met de BMW 1-serie.

Het hof kent betekenis toe aan de vaststellingen die eerder in dit arrest zijn gedaan, onder meer inhoudende dat de verdachte zich in Eindhoven heeft bevonden op 24 en 25 december 2014 en op 1, 2, 4, 5, 10 en 11 januari 2015. Eveneens heeft het hof daarbij vastgesteld dat de aanwezigheid van de verdachte en van [verdachte 2] in Eindhoven en omgeving rechtstreeks verband hield met de daar geplaatste en met regelmaat rijdend aangetroffen, gestolen auto’s van het merk BMW. In het licht van de hiervoor gereleveerde gebeurtenissen in de nacht van 1 februari 2015 en de gebleken bestemming van de zich in de auto bevindende voorwerpen en wapens kunnen de regelmatig terugkerende activiteiten van de verdachte en van [verdachte 2] in Eindhoven vanaf 24 december 2014 niet anders worden begrepen dan als gericht op het zo min mogelijk laten opvallen van de beide gestolen auto’s (de BMW-3 serie in het bijzonder).

Daarnaast acht het hof redengevend de inhoud van de PGP-berichten die de verdachte op 31 januari 2015 heeft verzonden om 11:07 en 16:04 uur over het halen van “de waggies” (uit “eindje”, het hof begrijpt: Eindhoven).

Uit de ontsleutelde PGP-berichten blijkt bovendien dat de verdachte op 1 februari 2015 te 03:05 uur een bericht aan [verdachte 2] heeft gestuurd, met de inhoud: “En die 1-serie?”, waarop [verdachte 2] antwoordde: “Doen we later, is faya die schroeven”. Hieruit blijkt de betrokkenheid van de verdachte bij deze auto alsmede zijn bewustheid dat de identiteit van deze auto moest worden verhuld, want de mededeling over de schroeven sluit kennelijk aan bij zijn referentiekader.

Tot slot had [verdachte 2] ten tijde van zijn aanhouding de sleutel van deze auto bij zich en gooide hij deze in zijn vlucht weg. Kennelijk moest het bezit van deze sleutel verborgen blijven voor de opsporingsambtenaren.

Uit het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof af dat de verdachte zowel de BMW 1-serie en de BMW 3-serie als de kentekenplaten samen met zijn mededaders opzettelijk voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verkrijging ervan wist dat deze door misdrijf waren verkregen.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs in zaak B (Mango)

De tenlastelegging

De raadsvrouw heeft in haar pleidooi betoogd dat bedoeld is ten laste te leggen dat de verdachte zelf het peilbaken onder de auto van [slachtoffer B] heeft geplaatst en dat dit aldus moet worden begrepen dat is ten laste gelegd dat de verdachte dit feit alleen, dat wil zeggen niet in vereniging, heeft gepleegd. Dit kan blijken uit de bewoordingen van de tenlastelegging, bezien in samenhang met de daarop door de officier van justitie in eerste aanleg gegeven toelichting. De advocaat-generaal heeft hierop niet gereageerd.

Het hof stelt vast dat de tenlastelegging, voor zover hier van belang, als volgt is geredigeerd. Het verwijt houdt in dat de verdachte en/of een van zijn mededaders opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is/zijn geweest bij de door een of meer anderen gepleegde poging tot moord op [slachtoffer B] en [slachtoffer C]. Dit kan bezwaarlijk anders worden gelezen dan dat aan de verdachte het al dan niet medeplegen van medeplichtigheid aan het gronddelict “medeplegen van poging tot moord” ten laste is gelegd. Dat in het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op de medeplichtigheid de woorden “tezamen en in vereniging” ontbreken in de feitelijke omschrijving kan worden getypeerd als een afwijking van een gangbare wijze van ten laste leggen. Dit is reeds daarom wellicht enigszins ongelukkig. Het doet evenwel niet af aan de mate waarin de steller van de tenlastelegging inzicht heeft gegeven in zijn bedoelingen. Dat de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg als haar standpunt kenbaar heeft gemaakt dat de verdachte zelf het peilbaken heeft geplaatst verkleint niet de ruimte die de rechter heeft om binnen de grenzen van de grondslagleer de tenlastelegging ook zo op te vatten of te hanteren dat de verdachte anderszins in de hoedanigheid van medepleger van de medeplichtigheid strafbare betrokkenheid heeft gehad bij het plaatsten van het peilbaken. Het gebruik van het woord “mededader” geeft evenmin aanleiding om te oordelen dat de grondslag van het schuldverwijt smaller is. Daders zijn ingevolge artikel 47, eerste lid, Sr onder meer zij die een feit medeplegen. Dat is, zo moet worden aangenomen, de strekking van de tenlastelegging, te weten het medeplegen van medeplichtigheid.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de verdachte vrij te spreken van hetgeen hem in zaak B, zijn deelneming aan de poging tot moord op [slachtoffer B] en [slachtoffer C], is ten laste gelegd. De verweren zijn toegespitst op de aan de verdachte toegeschreven rol bij het plaatsen en volgen van het peilbaken met de inlogcode 293502, dat zich ten tijde van de aanslag op 1 november 2014 onder de auto van het beoogde slachtoffer [slachtoffer B] bevond. Betoogd is dat niet uit het gepresenteerde bewijs kan worden afgeleid dat het de verdachte is geweest, die het baken op 24 oktober 2014, de dag waarop het is geactiveerd, heeft gekocht, opgehaald of verworven. Evenmin kan blijken dat de verdachte op die dag over het baken heeft beschikt in enigerlei vorm. Dit betekent dat de verdachte het baken ook niet heeft geplaatst zoals is tenlastegelegd. Voor een vorm van betrokkenheid van de verdachte in de daarop gevolgde periode tot aan het moment van de aanslag bestaat evenmin bewijs.

De raadsvrouw heeft gewezen op enkele contra-indicaties voor bezit en beschikkingsmacht aan de zijde van de verdachte ten aanzien van het peilbaken. Daarnaast is aandacht gevraagd voor ontbrekend bewijs voor de aanname dat het de verdachte is geweest die op het peilbaken heeft ingelogd. De raadsvrouw heeft in dit verband kanttekeningen geplaatst bij de bewijskracht van onderzoeksresultaten, waaruit volgens de advocaat-generaal zou blijken dat de verdachte op locaties aanwezig is geweest, vanwaar het peilbaken is geraadpleegd. Inloggen op het baken heeft daarenboven, ook als wordt aangenomen dat de verdachte of enige andere persoon dit heeft gedaan, strafrechtelijk geen betekenis, omdat dit op zichzelf geen ondersteunende handeling is.

Bovendien is niet gebleken dat enige informatie is verschaft, waarmee de daders van de aanslag zijn ondersteund. De raadsvrouw heeft voorts gewezen op de mogelijke rol van een persoon, die tijdens de ondervraging van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep als ‘meneer X’ is aangeduid. Deze persoon zou volgens de verdachte een leidende rol hebben gehad. Het kan niet anders dan dat deze man op enkele sleutelmomenten over het baken heeft beschikt en hierop heeft ingelogd. Tot zover de verdediging.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft in de kern verwezen naar de bewijswaardering zoals toegepast door de rechtbank.

Het oordeel van het hof over het bewijs

Het hof overweegt dat aan de raadsvrouw kan worden toegegeven dat op basis van de gepresenteerde bewijsmiddelen niet met zekerheid kan worden vastgesteld op welk moment en waar de verdachte de beschikking heeft gekregen over het peilbaken. Evenmin bestaat zekerheid over het precieze moment waarop het peilbaken onder de auto van [slachtoffer B] is geplaatst en over de persoon die deze handeling heeft verricht. Daarnaast moet op grond van de onderzoeksbevindingen worden aangenomen dat de verdachte niet alleen heeft gehandeld.

Dat leidt evenwel niet zonder meer tot de conclusie dat er te weinig bewijs bestaat voor hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd. De benadering van de raadsvrouw laat zich kenmerken als segmenterend van aard. De bewijswaarde en bewijskracht van elk onderdeel worden daarbij geïsoleerd beoordeeld en vervolgens gerelativeerd. Daarmee wordt naar het oordeel van het hof geen recht gedaan aan aard, omvang en inhoud van het bewijsmateriaal en wordt het zinvolle verband ervan op ontoereikende gronden genegeerd. Het hof zal in het hiernavolgende een werkwijze volgen waarbij de gepresenteerde bewijsmiddelen in hun onderlinge verband en samenhang worden beoordeeld. Daarbij worden betrokken de verklaringen die de verdachte heeft afgelegd alsmede de evolutie die deze verklaringen tot en met de gedingfase van het hoger beroep hebben doorgemaakt.

De bewijsmiddelen houden onder meer het volgende in.

Op 1 november 2014 rond 5:35 uur heeft een aanslag plaatsgehad op het leven van [slachtoffer B] en [slachtoffer C]. Zij reden in een VW Golf GTI op de Poortdreef in Almere. Een explosief onder hun auto werd tot ontploffing gebracht en zij werden in de auto onder vuur genomen. Beiden vluchtten daarop uit de zwaar beschadigde auto weg. In zijn vlucht werd [slachtoffer B] met vuurwapens beschoten.

Na onderzoek bleek dat onder de auto een peilbaken was aangebracht. Dit had het IMEI-nummer 351564053293502. De inlogcode bestond uit de laatste 6 cijfers van dit nummer. Met die code zal in het navolgende dit baken worden aangeduid. Het peilbaken 293502 was geleverd door het bedrijf GoTEk7 in Calais, Frankrijk. Het peilbaken is geactiveerd in Calais op 24 oktober 2014 om 18:08 uur en direct weer gedeactiveerd.

Op het moment van activeren en ook gedurende de gehele avond van 24 oktober 2014 straalde het telefoonnummer behorend bij het baken (+447420694867) een telefoonmast in de Tidorestraat in Amsterdam aan (niet ver van de [straatnaam verdachte A] waar de verdachte woonde). De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de gebruiker was van het telefoonnummer [285] (hierna: *285). De verdachte was blijkens de printlijst van dit telefoonnummer de gehele avond thuis of in de directe omgeving van zijn woonadres.

Zoals eerder in dit arrest is overwogen is het e-mailadres [QB-account] aan de verdachte toe te schrijven. Onder dit adres is, zo blijkt uit onderzoek van gegevens afkomstig van de server van Ennetcom, op 24 oktober 2014 te 16:05 uur in een (zoals hierboven eveneens is overwogen) aan de verdachte toe te schrijven PGP-BlackBerry een notitie gemaakt luidend: “293502”. Ter terechtzitting in hoger beroep is, zoals reeds overwogen, gebleken dat een account bij Ennetcom kan worden overgezet van de ene PGP-BlackBerry naar het andere. Tevens is daarbij gebleken dat het account slechts in één toestel tegelijk kan worden gebruikt. Dit heeft eerder in dit arrest reeds tot de vaststelling geleid dat de verdachte in de periode van 17 september 2014 tot en met 14 januari 2015 genoemd e-mailaccount heeft gebruikt in de bij de verdachte thuis aangetroffen BlackBerry met het IMEI-nummer eindigend op 9750 en dat de notities die zijn gemaakt in het memopad van deze BlackBerry zijn overgezet naar het toestel dat de verdachte ten tijde van zijn aanhouding bij zich had (met IMEI-nummer eindigend op 8860). Het voorgaande betekent dat de verdachte ongeveer twee uur voordat het peilbaken werd geactiveerd over de inlogcode ervan heeft beschikt. Het dossier biedt weliswaar geen volledig uitsluitsel over de vraag waar en wanneer de verdachte de beschikking over het baken heeft gekregen, noch over de wijze waarop en de periode waarin het baken in Nederland is gekomen, maar dit laat onverlet dat de wetenschap van de verdachte omtrent deze inlogcode voor de bewijsvoering significant is. Reeds dit feit maakt de verklaring van de verdachte dat hij niets heeft geweten over het peilbaken ongeloofwaardig.

Het peilbaken is opnieuw geactiveerd op 24 oktober 2014 om 23:40 uur waarbij het een zendmast gelegen aan de Zeeburgerstraat in Amsterdam heeft aangestraald, nabij de woning van de verdachte. In de directe omgeving daarvan is op dat tijdstip ook het telefoontoestel met het nummer *285, dat bij de verdachte in gebruik was, geregistreerd.

Op 25 oktober 2014 om ongeveer 00:30 uur is het baken bij tankstation Shell Haarrijn A2 geregistreerd. Het baken en de telefoon met nummer *285 hebben, zo kan worden afgeleid uit de registraties, daarbij dezelfde route afgelegd. De verdachte was daar op dat moment ook aanwezig, samen met zijn neef [neef verdachte A]. De verdachte reed in de Mercedes van zijn vader, zo heeft hij verklaard. Deze auto is daar ook waargenomen. Uit beelden van beveiligingscamera’s, uitgekeken door opsporingsambtenaren, blijkt dat de verdachte daar toen een tablet vasthield. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het om een iPhone 6plus ging. Ter terechtzitting van de rechtbank heeft de verdachte echter gezegd dat hij de persoon is, die op de beelden de tablet vasthoudt. Tijdens het verhoor bij de politie op 12 maart 2015 heeft de verdachte verklaard dat de tablet hem niets zegt en dat deze groot is en dat het daarom geen telefoon is. Gelet op het één en ander hoeft er niet aan te worden getwijfeld dat het voorwerp in handen van de verdachte een tablet is geweest. Het peilbaken heeft in de nacht van 25 oktober 2014 zendmasten aangestraald in Nieuwegein. Om 03:30 uur is het peilbaken geregistreerd op de A2 bij Breukelen, waarna deze geen signalen meer heeft uitgezonden tot 12:34 uur. Op dit tijdstip is het baken weer actief geworden in de [straatnaam slachtoffer B] in Almere, de straat waar [slachtoffer B] verbleef. Vaststaat dat het peilbaken zich toen onder de auto van [slachtoffer B] bevond, omdat uit GPS-gegevens van de auto en het baken blijkt dat zij vanaf dat moment zich voortdurend op dezelfde locaties hebben bevonden.

Uit het patroon in de paalgegevens van het telefoonnummer *285 en in de registraties van het peilbaken kan worden afgeleid dat het toestel met daarin genoemd nummer en het peilbaken in de eerste helft van de nacht van 25 oktober 2014 in elkaars directe nabijheid zijn geweest en dezelfde route hebben afgelegd. De verdachte heeft verklaard dat hij die nacht bij [club H] in Nieuwegein is geweest, in de buurt waar ook het peilbaken en het telefoonnummer *285 zijn geregistreerd. De telefoon van de verdachte met nummer *285 heeft daarna enige tijd uitgestaan en is weer ingeschakeld om 04:37 uur in Almere. Om 05:20 uur bevond deze zich in IJburg in Amsterdam, waar de verdachte blijkens zijn verklaring bij zijn neef [neef verdachte A] heeft geslapen.

In het licht van hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen blijkt over het gebruik van een tablet bij het inloggen op peilbakens (waarbij het hof ook de voor het bewijs gebezigde resultaten van het onderzoek-Rooibos betrekt) komt betekenis toe aan de gelijktijdige aanwezigheid van de tablet in de handen van de verdachte en het peilbaken op het tankstation Haarrijn. Het hof stelt vast dat een uitleg van de kant van de verdachte is uitgebleven, die aan dit zinvolle verband van feiten het belastende karakter ontneemt. In dit licht vormt de wijze waarop de verdachte in de nabije omgeving van het baken is gebleven tot halverwege de nacht van 24 op 25 oktober 2014 eveneens een aanwijzing dat hij met een zekere intentie het baken heeft gevolgd dan wel aanwezig heeft gehad. Dat dit op toeval zou zijn gebaseerd kan op grond van de waarnemingen op tankstation Haarrijn worden uitgesloten. Ook de omstandigheid dat de verdachte later die nacht in Almere is geweest en dat het baken in Almere in de directe nabijheid van de verblijfplaats van [slachtoffer B] is aangezet en geactiveerd draagt hieraan bij.

Hieraan doet niet af dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld wanneer en door wie het baken onder de auto van [slachtoffer B] is geplaatst, respectievelijk in- en uitgeschakeld en geactiveerd. Het gegeven dat het baken moet zijn aangezet (wat handmatig dient te worden gedaan) op 25 oktober 2014 om 12:34 uur in Almere, terwijl de verdachte zich blijkens de locatiegegevens van het telefoonnummer *285 toen op een andere plaats moet hebben bevonden, is één van de aanwijzingen dat de verdachte bij zijn ondersteunende handelingen niet alleen heeft gehandeld.

Het peilbaken, en daarmee het voertuig van [slachtoffer B], is vanaf het moment van plaatsing onder dat voertuig en activering intensief gemonitord, zo blijkt uit inloggegevens die door de leverancier, GoTEk7, zijn verstrekt. Bij het inloggen op het peilbaken is onder meer gebruik gemaakt van IP-adressen van het adres [straatnaam verdachte A] te Amsterdam, waar de verdachte woonde, [hotel A] aan de Sarphatistraat in Amsterdam en [coffeeshop A], gelegen in de buurt van dit hotel. Op de dagen waarop vanuit [hotel A] is ingelogd op het baken, was de verdachte daar als gast ingeboekt. Hij heeft verklaard daar met regelmaat, en ook tijdens de nacht van 26 op 27 oktober 2014, te hebben gelogeerd.

Van enkele locaties waar het baken zich op 25 oktober 2014 heeft bevonden is op diezelfde dag aantekening gemaakt onder het e-mailaccount [QB-account]. Deze zijn teruggevonden zowel in de gegevens afkomstig van de server van Ennetcom als in de PGP-BlackBerry met IMEI-nummer *8860 die de verdachte bij zijn aanhouding onder zich had. Vermeld worden onder meer de Leliestraat in Amersfoort en de Kostverlorenstraat in Weesp. De aantekeningen zijn gemaakt om 19:27 uur, enkele uren nadat het baken zich op de genoteerde locaties had bevonden. In diezelfde notitie is ook vermeld het adres Koninginneweg 78 Hilversum. Opvallend is dat op nummer 84 van die weg is gevestigd de [club C], die door [slachtoffer B] regelmatig werd bezocht, zo ook in de nacht van de aanslag. Ook is opgenomen de opmerking: “Beneluxlaan 606 Almere, om de hoek van ze huis”. De Beneluxlaan ligt dichtbij de [straatnaam slachtoffer B], waar [slachtoffer B] verbleef en waar het baken is ingeschakeld.

De notitie waarin deze aantekeningen zijn opgenomen heeft als aanduiding “Zusje”. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat met “zusje” [slachtoffer B] wordt bedoeld. Het gaat hierbij om de getuigenverklaring van [getuige A], een vriend van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting bij het hof op 12 februari 2018. Aan de getuige is bij die gelegenheid de inhoud van een heimelijk afgeluisterd en opgenomen vertrouwelijk gesprek (hierna: OVC-gesprek) van 21 april 2017 voorgehouden, waarin hij kennelijk sprak over een aanslag.

Uit zijn beantwoording ter terechtzitting van het hof kan worden opgemaakt dat dit de aanslag op [slachtoffer B] van 1 november 2014 was, waarbij hij [slachtoffer B] als “zusje” aanduidde.

Op grond van de eerder in dit arrest gedane vaststellingen kan als vaststaand worden aangenomen dat het de verdachte is geweest, die de hiervoor weergegeven notitie heeft gemaakt.

Vanaf 27 oktober 2014 is ook dagelijks meermalen vanaf het IP-adres behorend bij de woning aan het adres [straatnaam B] te Amsterdam ingelogd op het peilbaken. Deze woning is gelegen in de woonbuurt De Aker. De verdachte heeft verklaard dat dit adres hem niets zegt.

In dit verband is relevant de inhoud van de printlijsten van het telefoonnummer *415, waarvan eerder in dit arrest is vastgesteld dat de verdachte dit nummer in gebruik had. Van betekenis voor de bewijsvoering is dat gedurende een periode van enkele dagen meermalen door het nummer *415 een aantal zendmasten in de buurt De Aker is aangestraald, die niet ver van het adres [straatnaam B] zijn gestationeerd. Dit is gebeurd in de periode van 27 oktober 2014, 21:44 uur tot en met 1 november 2014, 00:12 uur. Op 28, 29 en 31 oktober 2014 is de telefoon telkens gedurende een tijdvak van uren daar aanwezig geweest en heeft deze masten op de Bonhoeffersingel en Langswater aangestraald. Dit is nogmaals en voor de laatste maal gebeurd op 1 november 2014 om 00:12 uur. Daarvoor noch daarna maakte de telefoon verbinding met een paal in die omgeving. Er is daarop slechts één uitzondering, namelijk op 7 november 2014, in de Lederambachtstraat te Amsterdam, een locatie die overigens al weer iets verder van de [straatnaam B] vandaan ligt.

De raadsvrouw heeft gewezen op de printlijsten van het telefoonnummer *285, voor zover betrekking hebbend op het tijdvak tussen 05:00 uur en 11:38 uur op 1 november 2014. Deze telefoon was toen niet op enige locatie in Osdorp. Dus ten tijde van de aanslag heeft de verdachte, zo moet worden geconcludeerd, niet op het baken ingelogd noch kunnen inloggen vanaf de [straatnaam B] in Amsterdam.

Het hof wil dat op basis hiervan wel aannemen, te meer omdat de motorscooter van de verdachte op 1 november 2014 om 03:44 uur op Larenseweg/Hilversumseweg in Hilversum rijdend richting de A1 (een route die [slachtoffer B] later die nacht rond 05:22 uur ook zou rijden op weg naar huis) is waargenomen.

Daar staat echter tegenover dat bij kennisneming van de printlijsten ook opvalt dat gedurende elk tijdvak waarin het toestel met telefoonnummer *415 de genoemde masten in De Aker aanstraalt, van het toestel met het nummer *285 geen locatiegegevens bestaan. In het onderzoeksdossier zijn over mogelijke oorzaken hiervan geen opmerkingen gemaakt. In elk van de tijdvakken wordt wel een tegennummer vermeld, maar is er alleen sprake van inkomende gesprekken en sms-berichten zonder dat het IMEI-nummer van de verdachte of een locatie wordt weergegeven. Het hof stelt op grond daarvan vast dat de telefoon met nummer *285 uitgeschakeld is geweest. Dit gebeurde enkele malen vaker in de onderzochte periode, maar opmerkelijk is de lange duur van het tijdvak 28 oktober 2014 te 18:52 uur tot 30 oktober 2014 te 02:52 uur. In de periode tussen 02:30 uur tot 05:00 uur op 1 november 2014 is er van die telefoon geen gebruik gemaakt, nadat de telefoon zich rond 02:30 uur nog in de buurt van de [straatnaam B] bevond (masten aan de Saaftingestraat en Korte Water; zie de gegevensdrager in het dossier bevattende de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer *285, betreffende de periode van 27 oktober 2014 tot en met 1 november 2014).

De voorgaande, in verband met het adres [straatnaam B] te Amsterdam relevante, bevindingen in samenhang beschouwd leiden tot de slotsom dat het inloggen vanaf dit adres niet los gezien kan worden van de verdachte. Allereerst omdat vanaf andere adressen, waar de verdachte zijn verblijf had of aanwezig was, in diezelfde periode van enkele dagen volgtijdelijk is ingelogd op het baken. Daarnaast omdat de afwijking in het patroon van paallocaties van het telefoonnummer *415 dat aan de verdachte is toe te schrijven, bezien in samenhang met het feit dat het telefoonnummer *285 op de relevante dagen veelal geen contact maakte met het netwerk, zeer significant is.

Het betekent tevens dat een ander dan de verdachte op het baken heeft ingelogd in de uren voorafgaand aan de aanslag op 1 november 2014. Meer in het bijzonder gaat het dan om de zes maal dat is ingelogd in de periode tussen 02:30 uur (nadat het telefoonnummer *285 niet meer in de omgeving van de [straatnaam B] uitpeilde) en 05:38 uur.

De raadsvrouw heeft in haar pleidooi gewezen op de betekenis die het adres [straatnaam B] te Amsterdam heeft in verband met de poging tot moord op [slachtoffer B] en [slachtoffer C]. In het OVC-gesprek van 21 april 2017, waarin [getuige A] voornoemd sprak over deze aanslag op een wijze waaruit blijkt dat hij van de feitelijke gang van zaken goed op de hoogte was, maakt hij melding van ene Djogo die één van de uitvoerders was. Een persoon met de bijnaam Djogo, te weten [persoon A], had, samen met anderen, de beschikking over de woning op het adres [straatnaam B] te Amsterdam. Deze persoon is familie van één van de personen in de auto waarin dit gesprek is gevoerd, te weten van [persoon B].

Het hof gaat er op grond van deze feiten en omstandigheden vanuit dat ook hierin een sterke aanwijzing is gelegen dat de verdachte in de rol van de medeplichtige niet alleen heeft gehandeld en dat ook anderen betrokken zijn geweest in de ondersteunende handelingen. Bovendien dragen de hiervoor weergegeven met het adres [straatnaam B] te Amsterdam samenhangende feiten en omstandigheden bij aan de bewijskracht van de overige gebezigde bewijsmiddelen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte een verklaring afgelegd, onder meer in antwoord op vragen over de PGP-BlackBerry’s die bij hem thuis en in zijn fouillering zijn aangetroffen en de adressen vanwaar op het peilbaken onder de auto van [slachtoffer B] is ingelogd. De verdachte heeft daarbij ook in dit verband verwezen naar de reeds eerder in het arrest besproken ‘meneer X’. Zo heeft deze persoon volgens de verdachte mogelijk een rol gehad bij het vervoeren van het peilbaken vanuit Amsterdam, via tankstation Haarrijn en Nieuwegein naar Almere op 24 en 25 oktober 2014. Ook weet de verdachte zeker dat ‘meneer X’ heeft ingelogd op het peilbaken vanuit [hotel A] en veronderstelt hij dat deze man dit ook heeft gedaan via het wifi-netwerk in de woning van de verdachte aan de [straatnaam verdachte A] in Amsterdam. De naam van ‘meneer X’ heeft de verdachte ook in dit verband niet willen noemen uit angst voor represailles richting hemzelf of zijn familie.

Het hof wil ook in het verband van de aanslag op [slachtoffer B] wel aannemen dat op de achtergrond personen een rol hebben gespeeld en dat het noemen van namen een groot probleem zou kunnen opleveren voor de verdachte. Maar ook hier luidt de conclusie van het hof dat, als in dit relaas van de verdachte wordt meegegaan en ervan wordt uitgegaan dat achter de aanduiding ‘meneer X’ een concreet persoon schuilgaat, geoordeeld moet worden dat dit zeer weinig substantie heeft gekregen. En zelfs als de onmogelijkheid om het relaas te verifiëren niet aan de verdachte wordt tegengeworpen moet dit de slotsom zijn. Ten aanzien van een aantal situaties heeft de verdachte niet meer dan een veronderstelling geuit. Dit geldt bijvoorbeeld voor het inloggen via de wifiverbinding op de [straatnaam verdachte A]. De verdachte heeft bij de politie op 12 maart 2015 verklaard dat de wifiverbinding bij hem thuis beveiligd was, hetgeen ook blijkt uit onderzoek van de politie. Over de wetenschap van ‘meneer X’ ten aanzien van de wificode heeft de verdachte slechts gespeculeerd.

Over een derde persoon in de Mercedes tijdens de rit naar Haarrijn en verder heeft de verdachte gezegd dat deze aanwezig was en dat hij zeker weet dat diens aanwezigheid verband hield met het peilbaken, maar heeft hij in het geheel niet nader verklaard over de redenen voor diens aanwezigheid noch voor diens handelingen ten aanzien van het baken. In [hotel A] heeft de verdachte met ‘meneer X’ verbleven tijdens de betreffende nachten en heeft hij hem met een tablet gezien. Of ‘meneer X’ een rol heeft gehad bij de activatie of raadpleging van het peilbaken, weet de verdachte niet.

Het hof herhaalt hier zijn eerdere overweging dat de verdachte pas in hoger beroep de persoon van ‘meneer X’ heeft geïntroduceerd als de man die telkens een sleutelrol heeft gespeeld. Gedurende de ondervraging door het hof over voor de verdachte belastende feiten en omstandigheden wat betreft de aanslag op [slachtoffer B] werden door de verdachte ook hier aan ‘meneer X’ steeds meer handelingen toegedicht, die een verklaring zouden moeten geven voor die belastende onderzoeksresultaten, hetgeen niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid van deze verklaring.

Daaraan wordt verder afbreuk gedaan, doordat de verdachte tijdens de verhoren bij de politie in de eerste maanden na zijn aanhouding ten aanzien van de gehele tenlastelegging een afwerende en ontkennende opstelling heeft gehad. Bovendien heeft hij ter terechtzitting in eerste aanleg op de hiervoor genoemde onderdelen anders verklaard dan hij heeft gedaan ter terechtzitting van het hof. Zo heeft hij tegenover de rechtbank verklaard dat een onbekend persoon voor de deur van de woning aan de [straatnaam verdachte A] kan hebben gestaan en toen op het peilbaken heeft ingelogd. Wat betreft [hotel A] heeft hij volstaan met de ontkenning dat hij vanaf die locatie op het peilbaken heeft ingelogd.

De slotsom dient derhalve te zijn dat de verdachte op deze wijze niet een scenario heeft gepresenteerd dat enige basis kan bieden voor een alternatieve uitleg van de vele belastende onderzoeksresultaten. Het hof gaat hier dan ook aan voorbij.

Aan het bewijs draagt in het licht van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden tot slot bij het reeds vermelde feit dat de motorscooter van de verdachte op 1 november 2014 om 03:44 uur op Larenseweg/Hilversumseweg in Hilversum rijdend richting de A1 is waargenomen. De printlijsten van de telefoonnummers *285 en *415 sluiten zijn aanwezigheid op die plaats niet uit. De verdachte heeft hiervoor geen verklaring kunnen geven, anders dan de algemene opmerking dat hij het voertuig vaak uitleende. Namen heeft hij daarbij niet genoemd.

Het hof acht op grond van het voorgaande bewezen dat de verdachte in nauwe, volledige en bewuste samenwerking met één of meer anderen het peilbaken onder de auto van [slachtoffer B] heeft geplaatst en daarop in de tenlastegelegde periode meermalen heeft ingelogd. De bijdrage die de verdachte in die samenwerking heeft geleverd heeft bestaan in het activeren van het baken en het volgen van [slachtoffer B] in de avond en nacht waarin het baken op enig moment is geplaatst. Het intentionele karakter hiervan blijkt uit het gebruik van de tablet daarbij en zijn aanwezigheid op plaatsen waar [slachtoffer B] zich die avond en nacht ophield.

Voorts heeft de verdachte vele malen zelf ingelogd op het baken en heeft hij eraan bijgedragen dat één of meer anderen ook op het baken hebben kunnen inloggen. Direct nadat de medepleger of één van de medeplegers van de ondersteunende en bevorderende handelingen voor het laatst op het baken had ingelogd is de aanslag op [slachtoffer B] en [slachtoffer C] gepleegd.

De raadsvrouw heeft betoogd dat het enkele inloggen nog geen medeplichtigheidshandeling oplevert zolang niet blijkt dat de daardoor verkregen informatie aan een ander is verstrekt. Het hof merkt daaromtrent allereerst op dat het, anders dan de raadsvrouw, ook het in vereniging plaatsen van het peilbaken bewezen acht. Het vervolgens daarop inloggen staat daarmee in een betekenisvol verband. Aan de raadsvrouw kan worden toegegeven dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte op enig moment locatiegegevens van [slachtoffer B] of andere informatie heeft gedeeld met één of meer anderen. Wel is gebleken dat, nadat gedurende ongeveer een week veelvuldig op het peilbaken is ingelogd, min of meer gelijktijdig met de laatste inloghandeling de aanslag heeft plaatsgevonden. Daarmee mag een aantoonbare bijdrage aan het gronddelict worden aangenomen. Bovendien heeft de verdachte locatiegegevens die via het baken waren verkregen in zijn BlackBerry-telefoon vastgelegd. In dit perspectief kan het niet anders zijn dan dat de eerder verkregen informatie ook geheel of gedeeltelijk is gedeeld en moet de variant waarin de verdachte en zijn mededader(s) de informatie voor zichzelf hebben gehouden als een louter theoretische worden gekenschetst.

De hiervoor omschreven gedragingen en handelingen van de verdachte impliceren dat hij in volledige en nauwe samenwerking met anderen opzet heeft gehad op het plaatsen van en inloggen op het baken, het registreren en doorgeven van verblijfplaatsen van [slachtoffer B] en door hem gevolgde routes en daarmee op het, middels in ieder geval GPS-locatiegegevens, intensief volgen van [slachtoffer B] in een periode die direct vooraf is gegaan aan een aanslag op het leven van [slachtoffer B]. Het voorgaande impliceert tevens dat het inloggen op het baken onder meer plaats heeft gehad vanaf een adres, dat door een getuige in verband wordt gebracht met het adres van één van de uitvoerders van de liquidatie. Daarmee is de lijn tussen de verdachte en de feitelijke uitvoeders een zeer korte. Voornoemde omstandigheden belasten de verdachte voor wat betreft zijn opzet op het gronddelict in hoge mate. Het hof weegt deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien in het licht van de overige bewijsmiddelen mee voor het bewijs dat de verdachte de opzet had op de poging tot moord op [slachtoffer B]. Het hof laat daarbij tevens meewegen dat de verdachte voor deze voor het bewijs redengevende omstandigheden geen enkele verklaring heeft willen geven.

Overwegingen met betrekking tot [slachtoffer C]

Voor zover het tenlastegelegde gronddelict ziet op [slachtoffer C] overweegt het hof als volgt.

[slachtoffer C] bevond zich ten tijde van de aanslag bij [slachtoffer B] in de auto. Uit het dossier komen evenwel geen aanknopingspunten naar voren om aan te nemen dat de aanslag mede tot doel had [slachtoffer C] van het leven te beroven. Evenmin heeft het hof antwoord gekregen op de vraag of de verdachte zich bij de hiervoor aan hem toegeschreven handelingen mede heeft gericht op een te plegen moord op [slachtoffer C] of de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze zou plaatsvinden. Het hof zal de verdachte onder deze omstandigheden wegens het ontbreken van bewijs vrijspreken van het tenlastegelegde met betrekking tot [slachtoffer C].

Samenhang met bewijs in de zaak Rooibos

Het hof bezigt voorts de inhoud van de bewijsmiddelen met betrekking tot de zaak-Rooibos voor het bewijs. Hieruit blijkt ondubbelzinnig dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd in de voorwaardenscheppende sfeer voor de voorgenomen moord op [slachtoffer A]. De activiteiten van de verdachte in dit verband zijn uitgevoerd in een periode van ruim een maand. Die periode is aangevangen kort nadat de aanslag op [slachtoffer B] was voorbereid en uitgevoerd. Minder dan twee maanden na de aanslag op [slachtoffer B] zijn de voorbereidingen voor de moord op [slachtoffer A] reeds gestart. Blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen wist de verdachte dat de moord op [slachtoffer A] met fors vuurwapengeweld zou worden uitgevoerd en was zijn opzet in het kader van de voorbereiding ervan daarop gericht. Dit draagt bij aan de bewijskracht van de bewijsmiddelen die het hof gebruikt voor de bewijslevering in de zaak-Mango.

Het voorgaande betekent dat het hof de gevoerde bewijsverweren verwerpt. Het hof acht bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd in dier voege dat bewezen zal worden verklaard het medeplegen van medeplichtigheid aan poging tot moord in vereniging door samen met één of meer anderen het peilbaken onder de auto van [slachtoffer B] te plaatsen en daarop in te loggen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A (Rooibos) onder 1, 2, 4 en 5 subsidiair en in zaak B (Mango) eerste cumulatief ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A (Rooibos)
1.
hij in de periode van 22 december 2014 tot en met 1 februari 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord als bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk

a. a) twee volautomatische militaire aanvalsgeweren (merk Zastava, model: M70AB2, kaliber: 7,62x39 mm) en een pistoolmitrailleur (merk Fabrique Nationale (Licentiebouw Uzi), model Uzi M61, kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)) en een patroonmagazijn (bestemd voor een Uzi M61) en

b) in voornoemde Zastava’s telkens 30 volmantelpatronen (kaliber 7,62x39 mm) en in voornoemde Uzi 30 patronen (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)) en in voornoemd patroonmagazijn 24 patronen (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)) en een patroon (kaliber 7,62x39 mm) en

c) twee gestolen personenauto’s (merk: BMW 335, origineel kenteken: [kenteken A] en merk: BMW serie 1, origineel kenteken [kenteken B]) en

d) valse en/of gestolen kentekenplaten ([kenteken C] (bevestigd op voornoemde BMW 335) en [kenteken D] (bevestigd op voornoemde BMW 335) en [kenteken E] (bevestigd op voornoemde BMW serie 1)) en

j) een peilbaken (IMEI nummer: 351564053310371) en

k) een tablet voorzien van software om een peilbaken te volgen,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

2.
hij in de periode van 22 december 2014 tot en met 1 februari 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk

a. a) een jerrycan met daarin benzine en

b) een handflare (noodseinfakkel) (merk: Painswessex, model: Red Handflare MK8),

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

4.
hij in de periode van 22 december 2014 tot en met 1 februari 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

vuurwapens van categorie II, te weten

a. a) twee volautomatische militaire aanvalsgeweren (merk: Zastava, model: M70AB2, kaliber: 7,62 x 39 mm) en

b) een pistoolmitrailleur (merk Fabrique Nationale (Licentiebouw Uzi), model: Uzi M61, kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)

en

munitie van categorie III, te weten

c) in voornoemde Zastava’s telkens 30 patronen van kaliber 7.62 x 39mm (volmantel) en

d) in voornoemde pistoolmitrailleur 30 patronen (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter) (type hollowpoint) en

e) een patroon van kaliber 7,62 x39 mm en

f) 24 patronen (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter))

voorhanden heeft gehad;

5.
hij in de periode van 31 januari 2015 tot en met 1 februari 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

a. a) een motorvoertuig, te weten een BMW 335 (origineel kenteken ([kenteken A]) en

b) een motorvoertuig, te weten een BMW serie 1 (origineel kenteken [kenteken B]) en

c) twee kentekenplaten, voorzien van kenteken [kenteken C] en

d) twee kentekenplaten, voorzien van kenteken [kenteken E],

voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen;

Zaak B (Mango)

anderen op 1 november 2014 te Almere, ter uitvoering van hun voornemen om, tezamen en in vereniging opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer B] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met vuurwapens kogels in de richting van de auto en het lichaam van die [slachtoffer B] hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte en/of een of meer van zijn mededaders in de periode van 24 oktober 2014 tot en met 1 november 2014 in Nederland, opzettelijk middelen en inlichtingen heeft verschaft,

immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

- een peilbaken op of omstreeks 25 oktober 2014 geplaatst onder de auto van die [slachtoffer B] en

- vanaf 25 oktober 2014 tot en met 1 november 2014 telkens ingelogd op voornoemd peilbaken.

Hetgeen in zaak A onder 1, 2, 4 en 5 subsidiair en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage bij dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1, 2, 4 en 5 subsidiair en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het hof gaat er van uit dat onder 2 met de vermelding van artikel 157 Sr is beoogd ten laste te leggen brandstichting als bedoeld in deze bepaling onder a.

Het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van voorbereiding van moord.

Het in zaak A onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van voorbereiding van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het in zaak A onder 4 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Het in zaak A onder 5 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd.

Het in zaak B bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van medeplichtigheid aan medeplegen van poging tot moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 1, 2, 4 en 5 subsidiair en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 3 primair, 3 subsidiair en 5 primair en het in zaak B tweede cumulatief ten laste gelegde vrijgesproken en hem ten aanzien van het in zaak A onder 1, 2, 4 en 5 subsidiair en het in zaak B bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. Tevens zijn beslissingen genomen omtrent de in beslag genomen voorwerpen, als nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is tweemaal betrokken geweest bij acties die erop waren gericht iemand van het leven te beroven. Hij heeft zich tezamen met een of meer anderen schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het medeplegen van poging tot moord en aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor moord. Het gronddelict, moord, behoort tot de ernstigste feiten die in onze strafwetgeving strafbaar zijn gesteld. Bovendien blijkt uit de bewijsvoering dat de betrokkenheid van de verdachte zich in beide gevallen heeft uitgestrekt over een periode van aanzienlijke duur en dat deze op uiteenlopende momenten in die respectieve periodes gestalte heeft gekregen.

De verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de feiten in de zaak Rooibos op hoofdlijnen ontkend. Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 16 april 2018, meer dan drie jaren na de pleegdatum, voor het eerst verklaard dat hij op 1 februari 2015 een auto met wapens heeft opgehaald. Aanvankelijk heeft hij daarover gezegd dat hij niet heeft geweten wat het doel hiervan was noch wie het beoogde slachtoffer was. Uiteindelijk heeft hij erkend dat hij ook toen wel heeft ingezien dat de wapens met een te plegen levensdelict te maken konden hebben, maar is hij gebleven bij zijn stelling niet te hebben geweten wie het beoogde slachtoffer was. Schoorvoetend en met grote aarzeling kwam deze gedeeltelijke bekentenis tot stand. Tot dan toe had de verdachte volhard in een volledige ontkenning van elke strafbare betrokkenheid bij alle in deze zaak ten laste gelegde feiten.

Het hof heeft hiervoor bewezen verklaard dat de verdachte die wetenschap over het doel van de actie wel had en dat de rol van de verdachte aanzienlijk groter is geweest dan de enkele bijdrage in de vorm van het op verzoek van een derde overbrengen van een snelle auto met wapens.

Met betrekking tot het in de zaak Mango bewezen verklaarde feit, het medeplegen van medeplichtigheid aan het medeplegen van de poging tot moord op [slachtoffer B] heeft de verdachte elke betrokkenheid ontkend.

In het licht van de hiervoor bewezen verklaarde feiten bestaat er geen enkele aanleiding om uit te gaan van de authenticiteit en oprechtheid van de, eerst in de fase van het hoger beroep ter terechtzitting afgelegde, verklaring over de feiten in de zaak Rooibos. Ook als ervan wordt uitgegaan dat de verdachte bang is voor de gevolgen van een verdergaande verklaring, zijn de door de verdachte veelvuldig herhaalde opmerkingen dat hij tegenover het hof wél eerlijk is geweest en de waarheid heeft gesproken tekenend voor zijn berekenende houding. Dat strekt in de sleutel van de strafwaardigheid van de ten laste van hem bewezen verklaarde feiten tot zijn nadeel.

Daar komt bij dat deze houding doet vermoeden dat de verdachte de ernst van de feiten niet inziet of niet wil inzien, hetgeen naar het oordeel van het hof niet veel goeds belooft voor de toekomst. Zonder nader inzicht in de beweegredenen van de verdachte en in de omstandigheden waaronder deze criminele attitude heeft kunnen ontstaan moet worden gevreesd voor herhaling. De raadslieden hebben in navolging van de reclassering gewezen op de leefomstandigheden van de verdachte en op de omgeving waarin de verdachte is opgegroeid. Hij is geconfronteerd geweest met ziekte en verlies van dierbaren en is opgegroeid in een crimineel milieu; het heeft hem aan kansen ontbroken. Het hof wil zonder meer aannemen dat al deze factoren een rol hebben gespeeld in de vorming van de persoon van de verdachte.

Tegelijkertijd kan worden vastgesteld dat de verdachte tot kort voor zijn aanhouding, ondanks regelmatige politiecontacten, naar school ging en niet in verband werd gebracht met ernstige vormen van criminaliteit. Het mag tegen deze achtergrond wellicht verbazing wekken dat de verdachte zo snel tot het plegen van de bewezenverklaarde feiten is overgegaan; daar staat tegenover dat inmiddels als feit van algemene bekendheid kan worden beschouwd dat jong volwassenen in het criminele milieu snel carrière kunnen maken.

De wijze van uitvoering van de feiten typeert het hof zonder meer als professioneel.

Bij de voorgenomen moord op [slachtoffer B] werd het beoogde slachtoffer intensief gemonitord aan de hand van een peilbaken dat onder diens auto was geplaatst. Nadat de auto een week was gevolgd, werd er toegeslagen met zeer fors geweld, te weten door het tot ontploffing brengen van een explosief onder de auto en door met onder andere een automatisch vuurwapen meer dan dertig kogels op [slachtoffer B] af te vuren.

De voorbereidingen van de moord op [slachtoffer A] waren eveneens van een professioneel karakter. Gestolen auto’s werden voorzien van gestolen of valse kentekenplaten en werden koud gezet. Uit de bewijsvoering leidt het hof af dat één of meer van deze auto’s zouden worden gebruikt bij het plegen van de moord. Met de eveneens in een van de auto’s klaar gezette benzine en de later meegebrachte handflare zou(den) deze in brand worden gestoken na het plegen van de moord. Ook in deze zaak is gebruik gemaakt van een peilbaken waarop door de verdachte met regelmaat werd ingelogd om [slachtoffer A] te lokaliseren. Met behulp van versleutelde communicatie, waarvoor aparte telefoontoestellen met een dure applicatie werden gebruikt, werd onder meer de informatie over dit baken en de plaatsen waar dit zich bevond met de mededaders gedeeld. Tot slot zou de moord worden uitgevoerd met zware automatische wapens waarover de verdachte en zijn mededaders kennelijk de beschikking hebben kunnen krijgen. Dit komt over als een strak geplande en geregisseerde voorbereiding.

De raadslieden hebben er aandacht voor gevraagd dat de voorbereiding ondanks de inzet van deze geavanceerde technische middelen heeft plaatsgevonden in een chaotische setting, waarbij diverse andere personen de feitelijke leiding hadden. Dat zou een correctie moeten betekenen op het mogelijk ontstane beeld dat de verdachte met veel raffinement en doortastendheid een spin in het web van de voorbereidingen is geweest. Het hof wil wel aannemen dat van beide door de raadslieden genoemde omstandigheden sprake is geweest. Dat kan worden afgeleid uit het procesdossier zelf maar ook uit de berichtgeving en talrijke publicaties in de media over de spanningen tussen rivaliserende groepen jonge mensen in het criminele circuit in onder meer Amsterdam. In de beide zaken dringt zich een beeld op van jonge mannen die bij voortduring bezig zijn om op verschillende niveaus afspraken te maken en in een zekere onoverzichtelijkheid hun activiteiten af te stemmen. Maar het zijn absoluut geen amateurs. Ook is wel duidelijk dat er diverse personen op de achtergrond zijn die cruciale informatie verschaffen en instructies geven. De verdachte heeft ook verklaard daarover meer te weten maar hij heeft het daarbij gelaten.

Wat er ook zij van deze context, de verdachte heeft in zeer ruime mate blijk gegeven van een onverschrokken houding en van een volledig gebrek aan respect voor het leven van de beoogde slachtoffers. De voor het bewijs gebezigde berichten die via de zogeheten PGP-BlackBerry’s door verdachte zijn gestuurd op de dag voorafgaand aan zijn aanhouding wekken ronduit afschuw. Ook stijgt uit deze berichten een enorme verbetenheid op om de actie te doen slagen. Bloedstollende berichten waaruit bovendien kan worden opgemaakt dat de verdachte in direct contact stond met de personen op de achtergrond. Sua en Niffo, wie zij ook mogen zijn, zijn gezien de inhoud van de berichten onmiskenbaar de mensen die er belang bij hebben dat [slachtoffer A] om het leven wordt gebracht. De verdachte uitte onverbloemd de wil dat doel te bewerkstelligen en droeg ook daadwerkelijk met overtuiging bij aan de realisering van dat doel. Doelgericht en met vasthoudendheid heeft hij zich gezet aan zijn taak, het scheppen van de voorwaarden voor de moord op [slachtoffer A]. Bij de voorbereidingen van de moord op [slachtoffer B] was dit niet anders. De gangen van [slachtoffer B] werden nauwgezet en met regelmaat gevolgd en enkele malen vastgelegd in de telefoon die de verdachte in gebruik had. Dat het bij de uitvoering van de aanslag op [slachtoffer B] niet is gelukt om hem te doden kan naar het oordeel van het hof gelet op het extreem zware geweld dat is toegepast, maar nauwelijks in matigende zin doorwerken bij de straftoemeting.

Het hof meent er op basis van de processtukken wel van te mogen uitgaan dat de strafzaak van de verdachte niet op zichzelf staat en in verband staat met andere levensdelicten of pogingen daartoe. De verdediging heeft hiervoor afzonderlijk aandacht gevraagd in die zin dat het hof de verdachte niet onevenredig zwaar zou mogen straffen onder verwijzing naar het vele onderwereldgeweld waarmee de samenleving de laatste jaren wordt geconfronteerd. Huiselijk gezegd, gesteld is dat de verdachte niet mag boeten voor het geweld dat door anderen wordt gepleegd en voor de vaak als onveilig gekenschetste sfeer die daardoor is ontstaan. Het hof volgt de verdediging in zoverre dat het benadrukt dat de voorgaande overwegingen telkens betrekking hebben op een weging en waardering van de gedragingen van de verdachte zelf. De straf die het hof zal opleggen is daarmee in een proportionele verhouding. Dat deze toch veel zwaarder zal zijn dan door de verdediging is voorgesteld, hangt samen met het feit dat het hof ook de strafbare betrokkenheid van de verdachte bij de poging om [slachtoffer B] te vermoorden bewezen acht en met de omstandigheid dat het hof, anders dan de raadslieden, een nauwere betrokkenheid bij en

verdergaande wetenschap van de moordplannen ten aanzien van [slachtoffer A] als vaststaand beschouwt.

Het hof wil en kan echter de ogen niet sluiten voor het vele vuurwapengeweld waarmee de samenleving wordt geconfronteerd en de nietsontziende, onverschillige en brute wijze van toepassing ervan. De zaak van de verdachte wordt daarbij door het hof niet als voorbeeld gesteld. Niettemin heeft als uitgangspunt te gelden dat de strafrechtspleging dient bij de te dragen aan de algemene preventie van strafbare feiten en in dat verband een zekere afschrikkende werking dient te hebben.

In zoverre zal ook het oordeel van het hof in deze zaak duidelijk maken dat op deze ernstige vormen van ontwrichtend geweld een zeer stevige reactie van de strafrechter volgt. Steviger zelfs dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Daarmee beoogt het hof niet het signaal af te geven dat “het maar eens afgelopen moet zijn”. Een dergelijke benadering zou kunnen leiden tot een disproportioneel oordeel. Bovendien zou uit het oog worden verloren dat slechts een veelheid aan impulsen en interventies, van zeer uiteenlopende aard, de golf van geweld tot stoppen kan brengen.

Het hof beoogt met de op te leggen straf tevens, gezien het hiervoor reeds aanwezig geachte recidivegevaar, bij te dragen aan bescherming van de samenleving. Het heeft er alle schijn van dat de verdachte slechts een zeer lage drempel heeft hoeven nemen, voordat hij het pad insloeg dat tot deze strafbare feiten heeft geleid. De beoogde slachtoffers behoorden, zo blijkt uit de processtukken, tot een andere groep personen die kennelijk uit het leven mochten en moesten worden geschoten. Er wordt wel gezegd dat zolang criminelen alleen elkaar vermoorden, dit de rechtsorde niet wezenlijk raakt. In deze cynische benadering gaat het hof niet mee. Ook in deze strafzaak wordt zichtbaar dat risico’s werden genomen en dat de kans werd aanvaard dat bij het te plegen misdrijf onschuldige burgers, omstanders en/of politiemensen ook het slachtoffer van het geweld zouden kunnen worden. De op de openbare weg gepleegde aanslag op [slachtoffer B] op 1 november 2014 en de onbezonnen wijze waarop de verdachte en zijn mededaders hebben geprobeerd aan hun aanhouding te ontkomen op 1 februari 2015 vormen daarvan de illustratie.

Er is voorts door de verdediging aandacht gevraagd voor het gegeven dat [slachtoffer A] vele jaren een huisvriend is geweest van de familie van de verdachte. [slachtoffer A] was een vriend van de oudere broer van de verdachte. Toen deze broer door geweld om het leven was gekomen heeft [slachtoffer A] de verdachte getroost. [slachtoffer A] is door het hof als getuige gehoord en de verdachte heeft op niet mis te verstane wijze uiting gegeven aan door hem gevoelde schaamte en met veel stelligheid beweerd dat hij [slachtoffer A] nooit iets zou aandoen. Het hof heeft deze uitlatingen van de verdachte in aanmerking genomen, maar gelet op het zeer ruim voorhanden bewijs kan niet anders geoordeeld worden dan dat de verdachte ook deze door hem genoemde hindernis kennelijk heeft kunnen en durven nemen. Naar zijn beweegredenen kan slechts worden gegist, maar in zijn voordeel pleit het zeker niet.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 april 2018 is hij eerder ter zake van strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten, onherroepelijk veroordeeld.

De verdachte is jong. Ten tijde van zijn aanhouding was hij twintig jaar oud. Hij ondergaat inmiddels meer dan drie jaar voorlopige hechtenis. Langdurige vrijheidsbeneming kan, indien toegepast bij een jeugdige, een verdere verslechtering van diens maatschappelijke perspectieven tot resultaat hebben. De jeugdige leeftijd wordt mede hierom doorgaans in matigende zin betrokken bij de bepaling van de strafmaat. Al het voorgaande in overweging genomen acht het hof evenwel nauwelijks nog ruimte aanwezig om dit aspect een rol van betekenis te doen spelen in de duur van de op te leggen vrijheidsstraf.

Voorts gaat het hof bij de bepaling van het toepasselijk strafmaximum ervan uit dat de bewezen verklaarde voorbereidingshandelingen voor moord en de overtreding van de Wet wapens en munitie in de zaak Rooibos in een onderlinge verhouding staan van eendaadse samenloop. Het beschermde rechtsbelang bij de overige bewezen verklaarde feiten verschilt hiervan zodanig dat het hof hier meerdaadse samenloop aanneemt.

In het licht van de voorgaande overwegingen is het hof tot de slotsom gekomen dat de straf die door de advocaat-generaal is geëist onvoldoende recht doet aan de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten. Het hof acht als vertrekpunt een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren met aftrek van de tijd die is doorgebracht in voorarrest passend en geboden.

Strafmaatverweer

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat sprake is van een schending van artikel 6, lid 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), omdat reeds enkele dagen na de aanhouding van de verdachte door de politie naar buiten is gebracht dat de verdachte samen met anderen onderweg zou zijn geweest om een liquidatie te plegen, welke liquidatie door de aanhouding ternauwernood zou zijn voorkomen. Door de in dit verband gedane uitlatingen van de hoofdcommissaris van politie en de enige tijd later door het Openbaar Ministerie gehouden persconferentie is de verdachte al in een zeer vroeg stadium en nog voordat een rechter zich een oordeel had kunnen vormen over de zaak publiekelijk weggezet als onderdeel van een liquidatieteam op een wijze die suggereert dat de schuld van de verdachte en de anderen al vaststaat. Bedoelde persconferentie werd gehouden, nadat de verdediging tot kort daarvoor was gehouden aan de aan de verdachte opgelegde beperkingen.

Aldus is door het Openbaar Ministerie een inbreuk gemaakt op de onschuldpresumptie, hetgeen dient te resulteren in een vermindering van de op te leggen straf.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat een algemeen aanvaard uitgangspunt is dat bij strafzaken enige vorm van media-aandacht wordt gegenereerd, niet in de laatste plaats om eventueel gerezen maatschappelijke onrust weg te nemen. Gelet op de in het onderhavige geval in de berichtgeving door politie en justitie gebezigde woordkeuze is van een schending van de onschuldpresumptie geen sprake, zodat het verweer tot strafvermindering dient te worden verworpen.

Het hof stelt bij de beoordeling van het verweer voorop dat een beroep op schending van de onschuldpresumptie zoals gevoerd door de raadsman dient te worden beoordeeld aan de hand van de vraag of publieke uitlatingen van de zijde van politie of justitie hebben geleid tot een verschuiving van de bewijslast van de vervolgende autoriteiten naar de verdachte. Dit kan met name tot uiting komen in ongeoorloofde pressie tijdens verhoorsituaties en in beïnvloeding van het rechterlijk oordeel over de schuld van de verdachte.

Uit hetgeen de raadsman ter terechtzitting van het hof ter onderbouwing van het verweer naar voren heeft gebracht, begrijpt het hof dat een door de politie kort na de aanhouding van de verdachte aangekondigde persconferentie omtrent de zaak geen doorgang heeft gevonden, omdat de verdediging zich daartegen met een beroep op de toegepaste beperkingen had verzet. Dit getuigt van responsiviteit aan de zijde van het Openbaar Ministerie. De hoofdcommissaris van politie heeft later alsnog een persconferentie gehouden kort nadat de beperkingen van de verdachte waren opgeheven. In aansluiting daarop is de raadsman in de gelegenheid geweest in de media een reactie op die berichtgeving te geven. Voorts is door de advocaat-generaal naar voren gebracht, hetgeen door de raadsman niet is weersproken, dat in de uitlatingen van de politie en berichtgeving van het Openbaar Ministerie steeds gesproken is in bewoordingen als “vermoedens”, “mogelijke plannen iemand te liquideren” en waar het de aangehouden personen betrof steeds “verdachten”. Gesteld noch gebleken is dat hiervan invloed is uitgegaan naar het verloop of de resultaten van de van de verdachte afgenomen verhoren. Van een serieus te nemen poging van de politie en/of het Openbaar Ministerie tot beïnvloeding van de strafrechtelijke procedure en/of van de rechterlijke waardering van de schuld van de verdachte kan naar het oordeel van het hof redelijkerwijs evenmin worden gesproken.

Het lijdt geen twijfel dat de media-aandacht voor de onderhavige strafzaak en in die zin ook voor de verdachte aanzienlijk en meer dan gemiddeld is geweest. Het hof wil aannemen dat de verdachte deze aandacht als zwaar en belastend heeft ervaren en dat deze mogelijk nadelige consequenties voor zijn toekomst zal kunnen hebben. De verdachte heeft door het plegen van de bewezenverklaarde feiten deze aandacht echter zelf over zich afgeroepen.

Allereerst door zijn gedragingen met betrekking tot de auto’s en de wapens op 31 januari en 1 februari 2015. Maar daarnaast ook door de vele andere uit zijn gedrag (onder meer het onder zich hebben van peilbakens) voortkomende verdenkingen die in een vroeg stadium van het opsporingsonderzoek reeds waren ontstaan.

Nu een schending van artikel 6, lid 2 EVRM zich niet voordoet, ziet het hof geen aanleiding tot matiging van de op te leggen straf die het hiervoor heeft overwogen. Het verweer wordt daarom verworpen.

In beslag genomen voorwerpen

Het in zaak A onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven onder 1 tot en met 8, 36, 37, 47 en 50 genummerde voorwerpen. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De onder nummers 51 en 52 in zaak A in beslag genomen voorwerpen, aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane feit en die hem toebehoren, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met het algemeen belang en omdat deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke feiten.

Het in zaak A in beslag genomen, nog niet teruggegeven, onder nummer 38 genummerde voorwerp, zal worden teruggegeven aan de verdachte.

Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven onder 1 genummerde voorwerp is tot het begaan van het in zaak B ten laste gelegde en bewezen verklaarde vervaardigd of bestemd. Het zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Het in zaak B onder 2 genummerde voorwerp, bestaand uit een Bulgaars rijbewijs, dient te worden teruggegeven aan de uitgevende instantie.

Het in zaak B ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met betrekking tot het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven onder 3 genummerde voorwerp. Het zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 45, 46, 47, 48, 55, 57, 63, 157, 289 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen tot vrijspraak ter zake van het in zaak A onder 3 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 5 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1, 2, 4 en 5 subsidiair en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 1, 2, 4 en 5 subsidiair en in zaak B bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de in zaak A onder 1 tot en met 8, 36, 37, 47, 50, 51 en 52 genummerde voorwerpen.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: het in zaak B onder 1 genummerde voorwerp.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: het in zaak B onder 3 genummerde voorwerp.

Gelast de teruggave aan de uitgevende instantie van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: het in zaak B onder 2 genummerde voorwerp.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: het in zaak A onder 38 genummerde voorwerp.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.M. Steinhaus, mr. H.S.G. Verhoeff, en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van

mr. N.R. Achterberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

4 mei 2018.