Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1549

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
23-001586-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eendaadse samenloop van medeplegen van overtreding van artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan. Vuurwerk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001586-17

datum uitspraak: 10 april 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 10 april 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 13-846061-16 en 16-997026-12 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 28 december 2016 te Wezep in de gemeente Oldebroek en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, een (grote) hoeveelheid professioneel vuurwerk, waaronder: - 375 kilogram, althans een hoeveelheid knalvuurwerk behorende tot lijst II en/of - 144, althans één of meer mortierbom(men) en/of - 15, althans één of meer flowerbed(s) ingedeeld in categorie F4 en/of - 10, althans één of meer flowerbed(s) met meer dan 500 gram kruit, bestemd voor particulier gebruik, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft opgeslagen en/of heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad en/of aan een ander ter beschikking heeft gesteld;

2:
hij op of omstreeks 28 december 2016 te Wezep in de gemeente Oldebroek en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, 998,5 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voorhanden heeft gehad buiten een inrichting als bedoeld in: artikel 1.1.4 en/of artikel 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1 waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk en/of artikel 2.2.1 waarvoor een melding is gedaan krachtens artikel 2.2.4., immers had hij en/of hadden zijn mededader(s) dit vuurwerk in één of twee voertuig(en) en/of een loods nabij [adres 2] voorhanden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal (om doelmatigheidsredenen: geheel) worden vernietigd, omdat het hof het bewezen verklaarde anders kwalificeert dan de rechtbank – in die zin dat het hof uitgaat van eendaadse samenloop – en een andere straf oplegt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 28 december 2016 te Wezep in de gemeente Oldebroek en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk, waaronder:

- 118 kilogram knalvuurwerk behorende tot lijst II en

- 144 mortierbommen en

- 15 flowerbeds ingedeeld in categorie F4 en

- 10 flowerbeds met meer dan 500 gram kruit,

bestemd voor particulier gebruik, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad;


2:
hij op 28 december 2016 te Wezep, in de gemeente Oldebroek, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, 998,5 kilogram voorhanden heeft gehad buiten een inrichting als bedoeld in:

artikel 1.1.4 en/of artikel 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1 waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk en/of artikel 2.2.1 waarvoor een melding is gedaan krachtens artikel 2.2.4, immers hadden hij en zijn mededader dit vuurwerk in twee voertuigen en een loods nabij [adres 2] voorhanden.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van medeplegen van overtreding van voorschriften, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De economische kamer van de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder

1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van het Vuurwerkbesluit. Het doel van dit besluit is het scheppen van betere waarborgen voor de bescherming van mens en milieu tegen de mogelijke effecten die onder andere het opslaan van vuurwerk kan veroorzaken. Het gaat daarbij onder andere om de bescherming van de bevolking in de omgeving van een inrichting waar vuurwerk aanwezig is. De verdachte heeft de bestelbus van zijn medeverdachte geleend om het door hem in Duitsland gekochte vuurwerk van in totaal bijna 1000 kilo naar Nederland te vervoeren. De verdachte heeft zijn medeverdachte ingeschakeld om de volgeladen bestelbus naar Nederland te besturen. Hij wilde daar ter terechtzitting in hoger beroep geen duidelijke verklaring voor geven. De meest voor de hand liggende verklaring is dat hij aldus zelf buiten schot zou blijven, indien onderweg een controle van het transport plaats zou vinden. Aangekomen in Wezep in Nederland hebben de verdachte en zijn medeverdachte het vuurwerk van de bestelbus deels overgeladen naar de auto van de verdachte en deels naar een loods. De door de verdachte aangekochte partij vuurwerk bestond voor het grootste deel uit professioneel vuurwerk en daarnaast uit een grotere hoeveelheid consumentenvuurwerk dan toegestaan. De verdachte en zijn medeverdachte hebben het vuurwerk voorhanden gehad, terwijl daarbij niet was voldaan aan de veiligheidseisen die daarvoor zijn opgesteld. Daarmee heeft de verdachte aanzienlijke veiligheidsrisico’s genomen, waarmee hij niet alleen zijn eigen veiligheid en die van zijn medeverdachte, maar ook de veiligheid van medeweggebruikers en omwonenden in gevaar heeft gebracht. Gelet op de enorme hoeveelheid vuurwerk die onder de verdachte en zijn medeverdachte is aangetroffen, moet worden aangenomen dat op zijn minst genomen een deel daarvan bestemd was voor de handel. Met zijn handelen heeft de verdachte bijzonder onbezonnen en onachtzaam gehandeld en alleen oog gehad voor financieel gewin. Zowel het invoeren als het voorhanden hebben van voornoemd vuurwerk buiten een inrichting als bedoeld in de artikelen genoemd in de tenlastelegging onder 2 zijn ernstige feiten waar doorgaans een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor wordt opgelegd.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 maart 2018 is hij meermaals eerder ter zake overtreding van het Vuurwerkbesluit onherroepelijk veroordeeld. De verdachte was derhalve een gewaarschuwd mens. Desondanks is hij weer de fout in gegaan. Het baart zorgen dat noch de reclassering, noch de familie van de verdachte er de vinger op kan leggen wat de oorzaak is geweest voor het (opnieuw) recidiveren van de verdachte. Gelet op de recidive, alsmede op de bereidwilligheid van de verdachte om mee te werken aan een meldplicht – zoals ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken – ziet het hof aanleiding om een gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen met de bijzondere voorwaarde van een meldplicht.

Het hof is van oordeel dat de straf die is opgelegd door de rechtbank – mede gelet op de initiërende rol van de verdachte en de recidive – onvoldoende recht doet aan de aard en ernst van de feiten. Het hof zal daarom een groter onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf gelasten. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 55 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1.2.2 en 1.2.4 van het Vuurwerkbesluit, artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer en de artikelen 1a (oud), 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland van 21 mei 2014 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd wederom aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De verdachte wist dat hem 9 maanden gevangenisstraf boven het hoofd hingen indien hij binnen de proeftijd opnieuw een strafbaar feit zou plegen. Door desondanks toch een strafbaar feit te plegen, heeft hij welbewust het risico genomen dat alsnog de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf zal worden gelast. Het feit waarvoor de voorwaardelijke straf was opgelegd, was nota bene gelijksoortig aan het feit waaraan de verdachte zich thans schuldig heeft gemaakt. Het hof acht hetgeen de raadsman omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren heeft gebracht onvoldoende om af te zien van de volledige tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf, dan wel de proeftijd te verlengen of een deel om te zetten naar een taakstraf.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij Reclassering Nederland, Regio Midden-Noord, zo lang en zo vaak als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Midden-Nederland van 21 mei 2014, parketnummer 16/997026-12, te weten van

een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. P.C. Römer en mr. R.D. van Heffen, in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck - Dezentje, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 april 2018.

Mr. A.D.R.M. Boumans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.