Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1535

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
23-001718-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis, met uitzondering van de strafoplegging. Vordering tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001718-17

Datum uitspraak: 23 maart 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van

de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 13-701708-17 en 13-029931-17 (TUL) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging, met inbegrip van de vordering tenuitvoerlegging; in zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken met aftrek van voorarrest en tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie winkeldiefstallen, waarbij hij (deels) gebruik heeft gemaakt van een geprepareerde tas. Met zijn handelwijze heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien overlast voor de benadeelden.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 februari 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld wegens onder meer een winkeldiefstal, hetgeen in zijn nadeel weegt.

De ernst van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigt, in het licht van de recidive, en mede gelet op de door strafrechters in Nederland gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting, in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een duur die de in eerste aanleg opgelegde straf te boven gaat. Het hof houdt echter rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, en in het bijzonder met de omstandigheid dat hij bij HVO Querido verblijft en dat hij zijn woning kan verliezen als hij langdurig gedetineerd zal raken.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf zoals in eerste aanleg opgelegd passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. De advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.

Het hof stelt vast dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd en slechts ruim één maand na de veroordeling waarop de vordering betrekking heeft, aan onderhavige strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Kennelijk heeft de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf weinig indruk op hem gemaakt, in ieder geval onvoldoende om hem ervan te weerhouden wederom vergelijkbare feiten te begaan. Het hof ziet dan ook geen enkele aanleiding om de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet of slechts ten dele te gelasten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2017 met parketnummer 13-029931-17, te weten van een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

23 maart 2018.