Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1531

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
23-001179-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zakkenrollerij. Bevestiging vonnis. Eigen waarneming getuige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001179-17

Datum uitspraak: 23 maart 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van

de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer

13-701498-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof een bewijsoverweging toevoegt en de volgende zinsnede in bewijsmiddel 2 schrapt:

“en ik concludeerde dat de man en de vrouw gepoogd hebben mijn portemonnee weg te nemen uit mijn jaszak.”

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken omdat de aangifte van

[getuige 1] niet berust op zijn eigen waarneming en die aangifte strijdig is met de verklaring van de getuige [getuige 2] .

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw en overweegt hiertoe als volgt.

Uit de aangifte volgt onder meer dat [getuige 1] iets voelde in zijn jaszak, dat hij het gevoel had dat iemand in zijn jaszak zat, dat hij zag dat een man dicht achter hem stond, bijna tegen hem aan, dat hij zag dat er ook een vrouw achter hem stond en dat zij heel dicht op hem stond. Voorts volgt uit de aangifte dat [getuige 1] hoorde dat [getuige 2] iets riep in de trant van ‘zakkenrollers’ en dat [getuige 1] daaruit de conclusie trok dat de man en de vrouw gepoogd hadden zijn portemonnee weg te nemen.

Het hof stelt vast dat de aangifte van [getuige 1] geheel berust op zijn eigen waarnemingen, afgezien van zijn conclusie dat de man en de vrouw gepoogd hadden zijn portemonnee weg te nemen.

Gelet op die eigen waarnemingen van [getuige 1] , in combinatie met de verklaring van de getuige [getuige 2] acht het hof het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De overige punten die de raadsvrouw ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd, doen daaraan niet af, nu die hun weerlegging vinden in de bewijsmiddelen.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

23 maart 2018.