Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1530

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
23-003773-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevaarzettend handelen door op een kruising met een te hoge snelheid en onder invloed door rood te rijden, waardoor een aanrijding met een ander voertuig is veroorzaakt. VerkeersOngevalsAnalyse omtrent de kleur verkeerslichten. Geldboete en OBM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2019/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003773-16

Datum uitspraak: 23 maart 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het

vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 7 oktober 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-006889-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 1 januari 2015 te Haarlem als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,82 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem/haar voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

2:
hij op of omstreeks 1 januari 2015 te Haarlem als bestuurder van een voertuig (personenauto), onder invloed van alcohol, daarmee rijdende op de weg, de Europaweg gekomen op en/of nabij de kruising met de Zuiderzeelaan, met hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur heeft gereden en/of (vervolgens) het voor hem, verdachte, rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd waarna en/of (mede) waardoor hij tegen een zich op die kruising bevindende personenauto is aangereden/gebotst , door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en tot een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat i) het gevaarzettende handelen niet door de verdachte, maar door het slachtoffer [slachtoffer] is veroorzaakt, ii) niet is aangetoond dat een eventuele snelheidsovertreding of een overschrijding van het toegestane alcoholpercentage door de verdachte gevaarzettend is geweest, en iii) de getuige [getuige] mogelijk niet heeft verklaard vanuit zijn waarneming maar vanuit zijn cognitie of herinnering omdat hij ter plaatse zeer goed bekend is.

Het hof verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt hiertoe als volgt.

Allereerst stelt het hof vast dat de verkeersregelinstallatie op de kruising van de Europaweg met de Zuiderzeelaan en de Laan van Angers op 1 januari 2015 ten tijde van het ongeval in werking was en naar behoren functioneerde. Het hof gaat voorts uit van de verklaring van de getuige [getuige] bij de raadsheer-commissaris, waaruit volgt dat [getuige] op die dag op de Laan van Angers liep en zag dat het verkeerslicht voor rechtdoor, richting de Zuiderzeelaan, op groen stond en het verkeerslicht voor linksaf, richting de Europaweg, na vijf à zes seconden op groen sprong. Het hof heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze verklaring – die in grote lijnen overeen komt met de verklaring zoals [getuige] die als getuige bij de politie heeft afgelegd - te twijfelen. Het tijdsverloop en de enkele omstandigheid dat [getuige] bij de politie niet heeft vermeld dat het verkeerslicht voor linksaf na enkele seconden (ook) op groen sprong, doen daaraan niet af. Voorts valt niet in te zien, en ontbreekt daarvoor ook enige aanwijzing, dat [getuige] onjuist heeft verklaard vanuit enkel zijn bekendheid ter plaatse en eventuele andere ervaringen met het betreffende verkeerslicht.

Uit het aanvullend proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse blijkt dat signaalgroepen 11 (verkeerslicht Laan van Angers, rechtdoor) en 12 (verkeerslicht Laan van Angers, linksaf) conflicteren met de voor de verdachte relevante signaalgroep 8 (Europaweg, rechtdoor). In combinatie met hetgeen [getuige] blijkens zijn verklaring bij de politie en de raadsheer-commissaris heeft waargenomen, brengt dit met zich dat het verkeerslicht voor rechtdoor op de Europaweg op het in het geding zijnde moment rood licht uitstraalde, welk rood licht door de verdachte niet is gezien dan wel is genegeerd, waarna de aanrijding met het voertuig van [slachtoffer] heeft plaatsgevonden.

Uit bedoelde analyse blijkt voorts dat signaalgroepen 12 en 6 (het voor [slachtoffer] relevante verkeerslicht Zuiderzeelaan, linksaf) niet conflicteren en derhalve tegelijkertijd groen (of geel) licht kunnen hebben, terwijl signaalgroepen 6 en 11 wel conflicteren. Deze gegevens, wederom in combinatie met de verklaring van [getuige] bij de raadsheer-commissaris, leiden tot de conclusie dat het voor [slachtoffer] relevante verkeerslicht op de Zuiderzeelaan voor linksaf naar de Europaweg, eerst op rood moet hebben gestaan (toen signaalgroep 11 op groen stond) en vervolgens (toen ook signaalgroep 12 op groen sprong) op groen is gesprongen. Deze laatste bevinding vindt steun in het feit dat [slachtoffer] bij het verkeerslicht op de Zuiderzeelaan vanuit stilstand wegreed. Aldus kan als onaannemelijk terzijde worden geschoven dat [slachtoffer] mede door rood is gereden en (aldus) mede gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

De wettelijk toegestane maximumsnelheid betrof ter plaatse 50 kilometer per uur. Voldoende is komen vast te staan dat de verdachte aanmerkelijk harder heeft gereden. Dit blijkt uit de verklaringen van [getuige] en de verklaring van de verdachte dat hij misschien 60 à 65 kilometer per uur heeft gereden, en vindt steun in de enorme schade aan beide voertuigen, ontstaan ten gevolge van de aanrijding.

Gelet op de verklaring van de verdachte en het NFI-rapport was de verdachte ten tijde van de aanrijding onder invloed van alcohol.

Met zijn handelen, in het bijzonder het op een kruising door rood rijden met een te hoge snelheid, heeft de verdachte gevaar op de weg veroorzaakt, waarna hij tegen het voertuig van [slachtoffer] is aangereden. Derhalve acht het hof het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 1 januari 2015 te Haarlem als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,82 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

2:
hij op 1 januari 2015 te Haarlem als bestuurder van een personenauto, onder invloed van alcohol, daarmee rijdende op de weg, de Europaweg, gekomen op de kruising met de Zuiderzeelaan, met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur heeft gereden en het voor hem rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd, waarna hij tegen een zich op die kruising bevindende personenauto is aangereden, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 350, subsidiair zeven dagen vervangende hechtenis en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van negen dagen met aftrek van voorarrest, en voor het in eerste aanleg onder 2 bewezen verklaarde tot een geldboete van € 350, subsidiair zeven dagen vervangende hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 450, subsidiair negen dagen vervangende hechtenis en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest, en voor het onder 2 ten laste gelegde tot een geldboete van € 500, subsidiair tien dagen vervangende hechtenis.

De raadsman heeft verzocht de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde een boete van € 300 op te leggen en voor het onder 2 ten laste gelegde te volstaan met een voorwaardelijke geldboete of de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich, als (beginnend) bestuurder van een personenauto, in het verkeer gevaarzettend gedragen door met een hogere snelheid dan was toegestaan door het rode licht te rijden, waarna hij een aanrijding heeft veroorzaakt. Daarbij was de verdachte onder invloed van alcohol, en wel van meer alcohol dan wettelijk toegestaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht en heeft hij de benadeelde aanzienlijke materiële schade toegebracht.

De ernst van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigt, mede gelet op de door strafrechters in Nederland gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting, in beginsel oplegging van onvoorwaardelijke straffen van aanmerkelijke omvang. Met name de ernst van het gevaarlijke rijgedrag van de verdachte, die mede tot uitdrukking komt in de ernstige aanrijding met de personenauto van [slachtoffer] , maakt dat het hof een zwaardere straf zal opleggen dan de politierechter heeft opgelegd en de advocaat-generaal heeft gevorderd.

Het hof houdt anderzijds rekening met het feit dat de verdachte first offender is en met zijn persoonlijke omstandigheden, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, en in het bijzonder met de omstandigheid dat de verdachte de zorg voor zijn oma draagt en zijn draagkracht gering is. Ook daarom zal het hof, in afwijking van de vordering van de advocaat-generaal, naast een enkele geldboete en de ontzegging van de rijbevoegdheid een taakstraf opleggen.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete, een taakstraf en een grotendeels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 450,00 (vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) dagen.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

23 maart 2018.