Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1526

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
23-002662-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontucht met zijn minderjarige dochter. Het Hof komt tot een aanzienlijk kortere bewezenverklaarde periode dan de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002662-17

datum uitspraak: 1 mei 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-710286-15 tegen

[naam] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van het in de eerste alinea cumulatief ten laste gelegde seksueel binnendringen. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat hij:

op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 november 2005 tot en met 16 oktober 2014 te Zandvoort en/of te Haarlem, in elk geval in Nederland, (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, [benadeelde] , geboren op 2 november 1998, bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, (telkens) een en/of meermalen:

- de vagina en/of de borst(en) en/of bil(len) van die [benadeelde] heeft betast.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde ontucht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft betoogd dat het dossier te weinig aanknopingspunten biedt om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit te komen zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het oordeel van het hof

Met betrekking tot de bewezenverklaarde periode

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal komt het hof tot een aanzienlijk kortere bewezenverklaarde periode, te weten van 1 januari 2014 tot en met 16 oktober 2014. Hiertoe overweegt het hof dat de verklaringen van de verdachte ten aanzien van de gebeurtenissen binnen deze periode, anders dan ten aanzien van gebeurtenissen daarvóór, voldoende concreet en gedetailleerd zijn. Zo heeft de verdachte verklaard dat hij en zijn dochter op de tuinstoelen zaten, dat het in het voorjaar/de zomer van 2014 was, en dat hun huis toen werd opgeknapt. Bovendien correspondeert deze periode met de verklaring van de aangeefster dat haar vader handtastelijk is als ze thuis is en de zich in het dossier bevindende beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland van 26 januari 2015, onder andere inhoudende dat bij beschikking van 16 juli 2014 een omgangsregeling is vastgesteld waaruit volgt dat de aangeefster in de oneven weken bij de ouders thuis verblijft vanaf zaterdag 10.00 uur tot zondag 12.00 uur.

Met betrekking tot het gevoerd verweer

De verdachte heeft – zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg – gedetailleerd verklaard over het aanraken van de borsten, billen en vagina van zijn dochter, terwijl hij en zijn dochter op tuinstoelen zaten (p. 129). Deze verklaringen heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep afgezwakt, in die zin dat hij heeft verklaard dat hij zijn dochter in het voorjaar/de zomer van 2014 bij haar onderrug, vlak bij haar billen, heeft aangeraakt. Daarna heeft hij haar, toen zij bij hem op schoot wilde komen zitten, met de hand afgeweerd waarbij zijn hand per ongeluk tegen haar borst is aangekomen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het ontuchtige karakter van die aanrakingen ontkend. De raadsvrouw heeft er in dit verband op gewezen dat de verdachte tijdens de politieverhoren meerdere malen heeft opgemerkt een en ander niet meer precies te weten.

Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de eerder door de verdachte bij de politie en de rechtbank afgelegde verklaringen, die gedetailleerd en consistent zijn en steun vinden in de verklaringen van de aangeefster. Dat de verdachte heeft opgemerkt een en ander niet meer precies te weten doet daaraan niet af. Aan de eerst in hoger beroep afgelegde verklaring dat hij de borst van zijn dochter per ongeluk – in een afweerreactie – heeft aangeraakt hecht het hof dan ook geen geloof.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Bewijsmiddelen

Het hof komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen.

1. Proces-verbaal van verhoor van [benadeelde] van 1 april 2015, onder meer inhoudende:

p. 17:

Op dinsdag 18 november 2014 is vanaf omstreeks 13.50 uur, het hieronder genoemde meisje als

getuige/slachtoffer gehoord:

Achternaam: [benadeelde]

Voornamen: [benadeelde]

Geboren op: 2 november 1998

Met VET gedrukte zinnen wordt in deze verslaglegging bedoeld de door verhoorder gestelde vragen c.q.

gemaakte opmerkingen.

De normaal afgedrukte zinnen betreft de antwoorden c.q. opmerkingen van de gehoorde [benadeelde]

.

p. 31:

Er zijn nog wel meer dingen gebeurd, zeg maar, dat ook mijn vader gewoon te handtastelijk is als ik dan

thuis ben.

(…)

Oké. Dus je zegt: hij is ook handtastelijk, als je thuis (het hof begrijpt: aan de [adres 2]

te Haarlem) komt.

Ja.

En... Maar wat doet hij dan precies? Wat bedoel jij met handtastelijk?

Dat hij aan m’n kont zit of aan m’n tieten of aan m’n kut zit.

Dat hij aan je kont zit of je tieten of je kut. Kun je dat uitleggen of misschien voordoen

of, of... uitleggen hoe dat dan gaat? Wat doet hij dan?

Dan zitten we gewoon, dan ben ik net binnengekomen en hij is dan net klaar van zijn vrachtwagen, want hij... hij is bezig om vrachtwagenchauffeur te worden. En nou, dan kom ik thuis, dan zet ik mijn spullen boven neer. Nou, dan ga ik weer naar beneden toe en dan pakt hij wat te drinken en dan vraagt hij dat ook aan mij, dan zeg ik: ja, is goed. Dan gaan we zitten en dan, ja, doet hij zo uit het niets. Dan raakt hij het zeg maar hier aan ( [benadeelde] veegt met haar rechterhand langs haar linker borst/bovenarm).

Eigenlijk een beetje deels over je borst of over je tiet, zeg jij, en je arm.

En dan sta ik op en dan, zeg maar, raakt hij het zeg maar hier zo aan, zeg maar zo ( [benadeelde] strijkt met

haar linkerhand over haar linker bil). En dan wil ik gaan zitten en dan doet hij zo, ho. Zo. ( [benadeelde]

wrijft met haar rechter hand over haar vagina).

2. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 21 juli 2015, onder meer inhoudende:

p. 92:

V: Waar woon je op dit moment?

A: [adres 2] in Haarlem.

V: Hoe lang woon je daar?

Tussen de 14 en 15 jaar zo’n beetje nu.

3. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 22 juli 2015, onder meer inhoudende:

p. 128:

V: We hebben gisteren ook tegen je gezegd dat [benadeelde] heeft gezegd dat je aan haar borsten, billen en

vagina zat. Dat vond ze niet fijn. Daarom wilde ze niet meer bij jullie komen. Je zei toen dat je het niet

hebt gedaan of in ieder geval niet expres hebt gedaan. Klopt dit wel?

A: Ik zal het best wel een keertje gedaan hebben ja.

p. 129:

V: Hoe ging dat dan?

A: Jeetje, dat weet ik niet meer. Zij zat op mijn stoel en ik zat op de stoel daarnaast. We zaten toen op

tuinstoelen vanwege het opknappen van het huis.

V: Waar zaten jullie dan?

A: We zaten op een tuinstoel naast elkaar in de huiskamer.

V: Ik zie je een beweging met je hand maken.

A: Ja, met de vingers.

V: Waar heb je haar aangeraakt dan?

A: Borsten, billen en vagina.

V: Jij zegt ik heb haar borsten, billen en vagina aangeraakt.

A: Ja vluchtig, met de vingertoppen. Vluchtig, een soort gebaar.

V: Jullie zaten op een stoel. Hoe kon je dan bij haar billen komen?

A: Zij zat zo. Met mijn (het hof begrijpt: haar) benen over mijn benen heen, over de armleuning van de

tuinstoel. Toen ik naast haar zat toen kon ik met mijn linker hand vluchtig. [benadeelde] lag deels

wijdbeens waardoor ik met mijn hand haar kon aanraken of betasten.

V: Als zij zo bij jou ligt waar raak je haar dan aan?

A: Der kont, billen en vagina.

p. 130:

V: Wat voel je dan als je [benadeelde] haar bil aanraakt?

A: Der kont.

V: Wat doe je dan met je hand?

A: Kort met de hand zo...

V: Ik zie je met je vingers een soort van knijpbeweging maken?

A: Nee, het is meer een beetje friemelen.

V: Maar je vertelde ook dat je aan baar borsten hebt gezeten. Hoe is dat dan gegaan?

A: Ook zo kort en vluchtig. Bij haar bloesje zo voor. Maar niet er in.

p. 131:

V: Wat betastte je eerder, haar billen of borsten?

A: U bedoelt de volgorde dat was van boven naar beneden.

V: Dus eerst de borsten en toen haar billen? Klopt dat?

A: Ja en toen ook haar vagina.

V: Hoe ging dat dan dat je aan haar vagina hebt gezeten. Hoe deed je dat dan?

A: Kort en vluchtig met friemelende beweging.

V: Je vertelde dat je met jouw handen haar vagina betastte. Even voor de duidelijkheid, was de

aanraking aan haar vagina over of onder haar kleding?

A: Kort daarvoor.

V: Dus tegen de legging aan.

A: Ja.

p. 132:

V: Gebeurde het thuis vaker dat er dergelijke aanrakingen plaatsvonden op de borsten en billen? Door

wie en bij wie dan ook?

A: Kort en vluchtig. Dat zal best wel een paar keer voorgekomen zijn.

4. Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Noord-Holland op 27

juni 2017, onder meer inhoudende:

In de periode met de tuinstoelen is het gebeurd. Dat was toen het huis werd opgeknapt in het voorjaar/de

zomer van 2014. Kort en vluchtig over de borsten, vagina en billen, over de kleren. Dat geef ik toe.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 16 oktober 2014 te Haarlem telkens ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, [benadeelde] , geboren op 2 november 1998, bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, telkens meermalen:

- de vagina en de borsten en billen van die [benadeelde] heeft betast.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 178 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 178 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig feit, te weten het plegen van ontuchtige handelingen bij zijn destijds minderjarige dochter. De verdachte heeft misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen als vader door zijn dochter in haar ouderlijk huis, waar zij zich veilig zou moeten voelen, meermalen te betasten op haar meest intieme plekken. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten als het onderhavige gedurende lange tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Uit de slachtofferverklaring van de dochter van de verdachte blijkt ook dat de handelingen van de verdachte een grote impact op haar hebben gehad en nog altijd hebben. Dat moet de verdachte dan ook zwaar worden aangerekend, te meer nu uit zijn proceshouding volgt dat hij hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid wenst te nemen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 april 2018, waar uit volgt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde is het hof, met de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Het hof zal hieraan een proeftijd verbinden van twee jaren, teneinde de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Het hof zal één dag in onvoorwaardelijke vorm opleggen, conform de duur van de inverzekeringstelling. Daarnaast acht het hof het op zijn plaats de verdachte te veroordelen tot een taakstraf van na te melden duur. Nu het hof een kortere periode bewezen acht, komt het hof tot een lagere straf dan door de rechtbank opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 in de eerste alinea cumulatief ten laste gelegde seksueel binnendringen.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 91 (eenennegentig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 130 (honderddertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 65 (vijfenzestig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. K. Sarghandoy, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 mei 2018.

mr. A.M. Kengen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]