Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1523

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
17/00434 17/00435
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:9642, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

WOZ; verwijzing na beroep in cassatie; is het perceel terecht aangemerkt als niet-woning? Zo ja, dient vervolgens de heffingsmaatstaf van artikel 220e Gemeentewet te worden verminderd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-08-2018
V-N Vandaag 2018/1789
FutD 2018-2297
V-N 2018/46.1.6
Belastingblad 2018/345
NTFR 2018/2369 met annotatie van mr. H. de Jong
V-N 2018/62.21 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 17/00434 en 17/00435

3 mei 2018

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van

[X] , belanghebbenden,

gemachtigde: D.K. Bos

tegen de uitspraak van 24 december 2015 in de zaak met kenmerk ROT 15/747 en ROT 15/2617 van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbenden

en

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2013 (hierna: de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [A-weg] te [B] (hierna: het perceel), voor het kalenderjaar 2014 vastgesteld € 37.000. In hetzelfde geschrift zijn ook de aanslagen onroerendezaakbelastingen gemaakt.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en aanslagen betreffende het perceel gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de waarde van het perceel nader vastgesteld op

€ 33.000 en de aanslagen dienovereenkomstig verminderd.

1.3.

Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank, in hetzelfde geschrift is beroep ingesteld tegen de waarde op de waardepeildatum van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [C-straat] te [D] (hierna: de woning) en de daarmee corresponderende aanslag. De rechtbank heeft in voornoemde beroepen als volgt beslist (waarbij belanghebbenden zijn aangeduid als eisers en de heffingsambtenaar als verweerder):

“De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

-bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van 490,- te betalen aan eisers.”

1.4.

Het Gerechtshof Den Haag heeft op de hoger beroepen tegen de in 1.3 genoemde uitspraak van de rechtbank op 21 september 2016 als volgt beslist:

“Het Gerechtshof

-verklaart het hoger beroep gegrond,

-vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de proceskosten,

-bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,

-veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.488, en

- gelast de Heffingsambtenaar het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124 aan belanghebbenden te vergoeden.”

1.5.

Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2016:2800) beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Bij arrest van 14 juli 2017, nr. 16/05306, ECLI:NL:HR:2017:1328 (hierna: het verwijzingsarrest), heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag vernietigd doch alleen voor zover deze betrekking heeft op de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het perceel en het geding verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

2 Loop van het geding na verwijzing

2.1.

Partijen zijn door de griffier van het Hof bij brief in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het verwijzingsarrest in te dienen. De heffingsambtenaar heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 8 september 2017 en belanghebbenden bij brief van 27 september 2017.

2.2.

Belanghebbenden hebben bij brief van 17 april 2018 een nader stuk ingediend. Op verzoek van belanghebbenden en met instemming van de heffingsambtenaar heeft geen mondelinge behandeling van de zaak plaatsgehad.

3 Feiten

3.1.

De Hoge Raad is in zijn verwijzingsarrest, voor zover voor de onderhavige zaak van belang, van de volgende feiten uitgegaan:

“ 2.1.1. Erflater was op 1 januari 2014 eigenaar en gebruiker van de onroerende zaken [C-straat] te [D] en [A-weg] te [B] . [C-straat] te [D] (hierna: de woning) is een woonhuis met tuin dat erflater bewoonde. [A-weg] te [B] (hierna: het perceel) is een perceel grond dat is gelegen op een paar honderd meter afstand van de woning. Tussen de woning en het perceel zijn woningen en zijstraten gelegen. Voor zowel de woning als het perceel is een WOZ-beschikking voor het jaar 2014 gegeven waarin de waarde is bepaald op € 170.000 respectievelijk € 33.000.

2.1.2.

Op het perceel staan een boomgaard, een werktuigberging met overkapping en een houten tuinhuis. Het perceel was bij erflater in gebruik. De bestemming van het perceel volgens het bestemmingsplan is agrarisch. Voor het perceel is een aanslag OZB opgelegd naar het tarief voor niet-woningen.”

3.2.

Het Hof zal van dezelfde feiten uitgaan en voegt hier nog het volgende, in de uitspraak van Gerechtshof Den Haag opgenomen, feit aan toe:

“3.3. De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de vastgestelde waarde van het perceel een taxatierapport overgelegd, opgemaakt door [E] , WOZ-taxateur, gedagtekend 30 maart 2014, waarin de waarde van het perceel is getaxeerd op € 38.000. Aan het tuinhuis en de erfverharding is geen waarde toegekend.”

4 Het verwijzingsarrest

De Hoge Raad heeft in zijn arrest onder meer het volgende overwogen:

“2.2.1. Voor het Hof was voor zover in cassatie van belang in geschil (a) of de woning en het perceel terecht als twee afzonderlijke onroerende zaken voor de Wet WOZ zijn aangemerkt, (b) of de waarde van de woning juist is vastgesteld en (c) of de aanslag OZB voor het perceel terecht is vastgesteld naar het tarief voor niet-woningen.

2.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbenden niet aannemelijk hebben gemaakt dat de woning en het perceel naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen. Er zijn geen (uiterlijke) kenmerken die daarop duiden. Zo is er geen directe verbinding of relatie tussen beide objecten anders dan het gebruik, ligt de woning in de kern en het perceel in het buitengebied van het dorp [D] en kunnen beide objecten afzonderlijk verkocht worden, aldus het Hof.

2.2.3.

Met betrekking tot de waarde van de woning heeft het Hof geoordeeld dat de heffingsambtenaar die waarde met het door hem overgelegde taxatierapport aannemelijk heeft gemaakt.

2.2.4.

Voor wat betreft de toepassing van het tarief met betrekking tot het perceel heeft het Hof geoordeeld dat het perceel terecht is aangemerkt als niet-woning. Het houten tuinhuis op het perceel vertegenwoordigt geen waarde en gelet hierop moet worden geoordeeld dat het perceel niet in hoofdzaak – dat wil zeggen ten minste 70 percent – tot woning dient, aldus het Hof.

2.3.1.

Tegen het in 2.2.2 weergegeven oordeel richt zich het eerste middel met de stelling dat sprake is van een ‘organisatorische’ samenhang tussen woning en perceel omdat het gebruik van het perceel dienstbaar is aan de woning doordat het de gebruiksmogelijkheden en het wooncomfort van de woning vergroot.

2.3.2.

Het middel faalt. Voor de toepassing van de Wet WOZ wordt op grond van het bepaalde in artikel 16, letter d, van die wet als één onroerende zaak aangemerkt een samenstel van twee of meer gebouwde of ongebouwde eigendommen die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang bezien, in aanmerking worden genomen (vgl. HR 13 november 2009, nr. 07/11917, ECLI:NL:HR:2009:BK3060, BNB 2010/12). Het Hof heeft zijn oordeel dat geen sprake is van een samenstel gebaseerd op de uiterlijke kenmerken van beide objecten en de omstandigheid dat zij afzonderlijk van elkaar verkocht kunnen worden. Daarmee heeft het Hof kennelijk verworpen de stelling van belanghebbenden dat het perceel dienstbaar is aan de woning. Aldus gelezen geeft de uitspraak van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De uitspraak is ook niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

2.4.

Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.5.1.

Het derde middel richt zich tegen het in 2.2.4 vermelde oordeel van het Hof.

2.5.2.

Artikel 220a, lid 2, Gemeentewet (tot 1 januari 2006: artikel 220f, lid 2, Gemeentewet) bepaalt dat een onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dient indien de waarde die op grond van de Wet WOZ daarvoor is vastgesteld, in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Het Hof heeft geoordeeld dat het perceel niet in hoofdzaak tot woning dient. Daarbij is het Hof er klaarblijkelijk van uitgegaan dat het zich op het perceel bevindende tuinhuis op zichzelf beschouwd naar aard en inrichting zowel bestemd als geschikt is om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen en daarom is aan te merken als woning (vgl. HR 16 september 2016, nr. 15/04476, ECLI:NL:HR:2016:2084, BNB 2017/22). In cassatie is dat uitgangspunt niet bestreden.

2.5.3.

Bij de toerekening op de voet van artikel 220a, lid 2, Gemeentewet moet niet alleen de waarde van de tot woning dienende opstal in aanmerking worden genomen maar tevens de waarde van de ondergrond en van de volledig aan de bewoning dienstbare overige delen, zoals tuinen, garages en schuren. Het Hof heeft dit miskend.

2.6.

Uit hetgeen hiervoor in 2.5.3 is overwogen volgt dat middel 3 slaagt. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.”

5 Geschil in hoger beroep na verwijzing

5.1.

Na verwijzing is (nog) in geschil of het perceel door de heffingsambtenaar terecht is aangemerkt als niet-woning. Het Hof leest de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad zo dat deze er niet aan in de weg staat dat indien dit het geval is vervolgens aan de orde kan komen of – gelijk belanghebbenden (subsidiair) betogen in de conclusie na verwijzing – de heffingsmaatstaf op grond van het bepaalde in artikel 220e Gemeentewet dient te worden verminderd. Gelet op het verwijzingsarrest (zie onder 2.3.2), bestaat evenwel geen ruimte voor een beoordeling van het door belanghebbenden (na cassatie) opnieuw bepleite standpunt dat de woning en het perceel naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen.

5.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

6 Beoordeling van het geschil

Toetsingskader

6.1.

Artikel 220a, lid 2, Gemeentewet bepaalt dat een onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dient indien de waarde die op grond van de Wet WOZ daarvoor is vastgesteld, in hoofdzaak – dat wil zeggen voor ten minste zeventig procent – kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

6.2.

Ingevolge artikel 220c Gemeentewet is de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen de WOZ-waarde. In afwijking van voornoemde bepaling wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting op grond van artikel 220e Gemeentewet de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden buiten aanmerking gelaten. Voor de toepassing van artikel 220e van de Gemeentewet gaat het erom of gedeelten van de onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak – niet vereist is dus: volledig – dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Tarief

6.3.

Als processueel vaststaand feit (zie rechtsoverweging 2.5.2 van het verwijzingsarrest) neemt het Hof in aanmerking dat het zich op het perceel bevindende tuinhuis dient te worden aangemerkt als een woning. Alsdan dient (rechtsoverweging 2.5.3 van het verwijzingsarrest) bij de toerekening op de voet van artikel 220a, lid 2, Gemeentewet niet alleen de waarde van het tuinhuis (de tot woning dienende opstal) in aanmerking te worden genomen, maar tevens de waarde van de ondergrond en van de volledig aan de bewoning dienstbare overige delen van het perceel.

6.4.

De heffingsambtenaar voert in zijn reactie van 8 september 2017 ter onderbouwing van zijn standpunt dat het tarief voor niet-woningen terecht is gehanteerd het volgende aan:

“Wij gaan er vanuit dat de Hoge Raad doelt op het tuinhuisje dat op het perceel is gelegen. Dit tuinhuisje is echter niet dienstbaar aan wonen. Het maakt onderdeel uit van de boomgaard, die al dan niet hobbymatig in gebruik is, maar in ieder geval geen woonbestemming of agrarische bestemming kent. Het tuinhuisje zelf (de opstal) vertegenwoordigt geen waarde. De grond onder het tuinhuisje maakt onderdeel uit van de agrarische grond die is getaxeerd tegen € 4,36 per m2. Als de grond onder het tuinhuisje al apart in de waardering meegenomen zou moeten worden, gaat dit om ongeveer 90 m2 (zie bijlage 1). De waarde hiervan komt dan op 90 x € 4,36 = € 392,40. Zelfs als deze vierkante meters zouden worden getaxeerd tegen de prijs uit de duurste staffel, zijnde € 56,50, komt de waarde van deze grond uit €5.085,- en maakt het nog slechts 13% van de totale waarde uit. Hieruit volgt dat de onderhavige onroerende zaak voor de heffing van onroerendezaakbelastingen dient te worden aangemerkt als niet-woning. Het tarief voor niet-woningen is derhalve terecht toegepast.”

Het Hof merkt ten aanzien van het door de heffingsambtenaar verwoorde standpunt aangaande het tuinhuis (“het tuinhuisje is echter niet dienstbaar aan wonen”) op dat dit niet verenigbaar is met het in 6.3 verwoorde processueel vaststaande feit dat het zich op het perceel bevindende tuinhuis dient te worden aangemerkt als een woning.

6.5.

Belanghebbenden voeren, voor zover van belang, het volgende aan in hun brief van 27 september 2017:

“Gezien alle processtukken is het ons inziens alleen mogelijk om met betrekking tot de

berging/overkapping met bijbehorende (onder)grond het debat te voeren of die delen van de

onroerende zaak wel of niet behoren tot de delen die dienen tot woning dan wel volledig

dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Dit betreft een berging/overkapping van 75 m2 met

maximaal 220 m2 bijbehorende (onder)grond. De waarde hiervan is blijkens het

taxatierapport namens de SVHW en opgesteld door [E] , d.d. 21-04-2015,

maximaal te stellen op:

220 m2 / 3220 m2 x (€ 22.600 + € 12.295) = € 2.384 (aandeel in grondwaarde; zie blz 11 taxatierapport)

Werktuigenberging/overkapping waarde = €3.257 (zie taxatierapport blz. 11)

Totaal € 5.641

Dit is € 5641 / € 33000 x 100% = 17,1% van de WOZ-waarde. Op basis hiervan kan de

conclusie worden getrokken dat de onroerende zaak voor minimaal 100% - 17,1% = 82,9%

bestaat uit delen die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Ons inziens is derhalve het tarief voor woningen toepasbaar bij de heffing van OZB voor het

object [A-weg] [B] . De OZB dient op basis van alle feiten en omstandigheden

alsmede de als onaantastbaar geldende uitgangspunten naar onze mening te worden

vastgesteld op € 33.000 x 0,1139% = € 37 (OZB eigenaar woning) in plaats van de bij

bezwaar nader vastgestelde bedragen van € 58 (€ 33.000 x 0,1765%) + € 44 (€ 33.000 x

0.1354%) = € 102, zijnde de tarieven voor een niet-woning. Wij concluderen derhalve tot

vermindering van de OZB-aanslagen met € 65.”

6.6.

Op het perceel staan, naast eerdergenoemd tuinhuis (de tot woning dienende opstal), een boomgaard en een werktuigberging met overkapping. Het Hof is van oordeel dat van de boomgaard niet kan worden geoordeeld dat deze volledig dan wel hoofdzakelijk dienstbaar is aan woondoeleinden. Daarbij acht het Hof van belang dat, zoals ook volgt uit de tot de gedingstukken behorende foto’s, dat in de onderhavige boomgaard een substantieel aantal fruitbomen (geordend in rechte lijnen) zijn geplant. Voorts beslaat volgens het in 3.3 van de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag genoemde taxatierapport en de tot de gedingstukken behorende foto’s van de boomgaard de grond met daarop de fruitbomen (de boomgaard) het overgrote deel van het totale perceeloppervlak (totale perceeloppervlakte 3.220 m2). Onder die omstandigheden is de boomgaard niet op één lijn te stellen met een tuin bij een woning en is geen sprake van volledige of hoofdzakelijke dienstbaarheid aan woondoeleinden. Ook van de werktuigberging met overkapping acht het Hof het gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd (waaronder de foto’s met daarop zichtbare zich in en voor de werktuigberging bevindende landbouwwerktuigen) niet aannemelijk dat deze volledig dan wel hoofdzakelijk dienstbaar is aan woondoeleinden; veeleer ligt het in de rede dat daar met name werktuigen (waaronder landbouwwerktuigen) worden opgeborgen die worden gebruikt in de boomgaard. Alsdan is ten aanzien van de boomgaard en de werktuigberging met overkapping geen sprake van het volledig dan wel hoofdzakelijk dienstbaar zijn aan woondoeleinden in de zin van onderscheidenlijk artikel 220a, lid 2, en artikel 220e Gemeentewet.

6.7.

Gelet op het onder 6.6 overwogene valt niet in te zien dat de waarden van het tuinhuis, de ondergrond daarvan en de direct aan het tuinhuis grenzende grond (niet zijnde de grond behorende bij de boomgaard/werktuigberging met overkapping ), leiden tot een waarde van ten minste zeventig percent van € 33.000 (= € 23.100). Immers ook bij een zeer welwillende waardebepaling (waarbij voor de 90 m2 grond gelegen onder het tuinhuis € 5.085 in aanmerking wordt genomen, een (rest)waarde voor het tuinhuis van schattenderwijs € 1.000 wordt gehanteerd en voor de grond rondom het tuinhuis welke volledig dan wel in hoofdzaak dienend is aan woondoeleinden € 6.215 in aanmerking wordt genomen) leidt de som van deze waarden niet tot een totale waarde van ten minste zeventig percent van € 33.000 (= € 23.100). Daarbij zij opgemerkt dat bij deze benadering het aantal volledig dan wel in hoofdzaak dienstbaar aan woondoeleinden toe te rekenen vierkante meters rond het tuinhuis bij gebreke van betere gegevens door het Hof is gesteld op 110, waardoor de totale oppervlakte van de ondergrond van het tuinhuis en de daaraan voor woningdoeleinden toe te rekenen grond uitkomt op 200m2. Het aantal toegerekende vierkante meters is vervolgens vermenigvuldigd met en de hoogste staffel uit het taxatierapport (€ 56,50 per m2).

Aangezien er derhalve voor dit geding van dient te worden uitgegaan dat de waarde van het perceel niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen die tot woning dienen dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden, heeft de heffingsambtenaar het perceel terecht aangemerkt als niet-woning en de daarbij passende tarieven gehanteerd.

Heffingsmaatstaf

6.8.

Voorgaande heeft gevolgen voor de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelasting geheven van de gebruiker. Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting wordt op grond van artikel 220e Gemeentewet (zie 6.1) de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden buiten aanmerking gelaten. Zoals overwogen is onder 6.6 zijn de boomgaard en een werktuigberging met overkapping niet in hoofdzaak dienstbaar aan woondoeleinden.

6.9.

Voor het, gelet het geformuleerde criterium in 6.8, buiten aanmerking te laten gedeelte gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden, zoekt het Hof aansluiting bij de in 6.7 opgenomen in goede justitie bepaalde waarde van in totaal € 12.300 (voor het tuinhuis, de daarbij horende ondergrond en direct aan het tuinhuis grenzende grond). Dit leidt tot een heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting van € 33.000 -/- € 12.300 = € 20.700.

Slotsom

6.10.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Het Hof zal de uitspraak van de rechtbank voor zover die ziet op de aanslag in de gebruikersbelasting vernietigen en beslissen zoals hierna vermeld.

7 Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten gemaakt in de procedure op de voet van artikel 8:75 in verbinding met artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn aan de orde de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde verleende rechtsbijstand. Het Hof bepaalt het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op € 250,50 (procedure na verwijzing: 0,5 [schriftelijke inlichtingen] x € 501 x 1 [wegingsfactor] = € 250,50).

8 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank doch alleen voor zover deze betrekking heeft op de aanslag onroerendezaakbelasting wegens gebruik van het perceel 2014;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de aanslag onroerendezaakbelasting wegens gebruik van het perceel 2014;

  • -

    vermindert de aanslag onroerendezaakbelasting wegens gebruik van het perceel 2014 tot één berekend naar een heffingsmaatstaf van € 20.700 en een tarief van 0,1354%; en

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden ten bedrage van

€ 250,50.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M. van den Bosch, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. G.H.G. Otten als griffier. De beslissing is op 3 mei 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.