Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1520

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
25-05-2018
Zaaknummer
200.230.866/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 217 Rv. Voeging aan de zijde van een partij die niet in het geding is verschenen. Het hof is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, althans voor de procedure in hoger beroep.

Uitgangspunt is dat bij de beoordeling van de grieven rekening wordt gehouden met het in eerste aanleg gevoerde verweer indien geïntimeerde niet is verschenen. In het geval van een voeging aan de zijde van de niet verschenen geïntimeerde sluit de voegende partij zich aan bij het eerder in eerste aanleg ingenomen standpunt van deze partij en ondersteunt zij dit standpunt. Daarmee mag geen nieuwe (feitelijke) grondslag van het verweer worden geïntroduceerd, maar is en blijft de voegende partij gebonden aan de rechtsstrijd zoals die zich in de procedure in eerste aanleg heeft ontwikkeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.230.866/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/625255 / HA ZA 17-270

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 mei 2018

inzake

1 de vennootschap naar vreemd rechtEARTH WATER INTERNATIONAL LTD,
2. de vennootschap naar vreemd recht EARTH GROUP HOLDINGS LTD,

beide gevestigd te Edmonton, Alberta, Canada,

eiseressen in het incident,

advocaat: mr. J.A.K. van den Berg te Amsterdam,

in de zaak van

EARTH CONCEPTS B.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage ,

appellante in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. W.J.A. Lansing te Utrecht

tegen

de door opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel ontbonden besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid UPSTREAM ADVERTISING B.V.,

laatstelijk gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

niet verschenen.

Partijen worden hierna EWI, EGH (samen: Earth Water c.s.), Earth Concepts en Upstream Advertising genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

Earth Concepts is bij dagvaarding van 25 september 2017 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 juni 2017, onder bovenstaand zaak- en rolnummer gewezen tussen Earth Concepts als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en Upstream Advertising als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie. Vervolgens heeft Earth Concepts op 28 september 2017 een herstelexploot uitgebracht.

Tegen Upstream Advertising is verstek verleend.

Earth Water c.s. hebben een incidentele memorie - met een productie - genomen tot voeging op grond van artikel 217 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Vervolgens heeft Earth Concepts een conclusie van antwoord in het incident genomen.

Ten slotte is arrest gevraagd in het incident.

Earth Water c.s. hebben gevorderd dat zij als gevoegde partij aan de zijde van Upstream Advertising zullen worden toegelaten in de onderhavige appelprocedure tussen Earth Concepts als appellante en Upstream Advertising als geïntimeerde, met veroordeling van Earth Concepts in de kosten van het incident.

Earth Concepts heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van Earth Water c.s. in de kosten van het incident.

2 Beoordeling

In het incident

2.1

In eerste aanleg heeft Earth Concepts (in conventie) onder meer gevorderd dat Upstream Advertising zal worden veroordeeld tot overdracht aan haar van, kort gezegd, een aantal Benelux-merken. Hangende de procedure, namelijk bij vonnis van 20 januari 2015, is Upstream Advertising in staat van faillissement verklaard. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering afgewezen, kort gezegd, omdat de merken rechtsgeldig zijn overgedragen en geleverd aan Earth Water c.s. Tegen dat vonnis is Earth Concepts in hoger beroep gekomen.

2.2

Ter onderbouwing van de incidentele vordering tot voeging aan de zijde van Upstream Advertising hebben Earth Water c.s. - samengevat - aangevoerd dat de merken waarvan Earth Concepts de overdracht (althans levering) vordert al rechtsgeldig door Upstream Advertising zijn overgedragen aan Earth Water c.s. en dat Earth Concepts beoogt in deze procedure de eigendom van de merkregistraties te verkrijgen. Door toewijzing van die vordering zullen Earth Water c.s. nadelig worden getroffen.

2.3

Earth Concepts heeft verweer gevoerd tegen de vordering tot voeging. De gronden van dit verweer zullen, zo nodig, hierna bij de beoordeling worden besproken.

2.4

Op grond van artikel 217 Rv kan een ieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert, nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert.

2.5

Allereerst is de vraag aan de orde of voeging aan de zijde van een partij die niet in het geding is verschenen mogelijk is. Het hof is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, althans voor de procedure in hoger beroep.

Uitgangspunt is dat bij de beoordeling van de grieven rekening wordt gehouden met het in eerste aanleg gevoerde verweer indien geïntimeerde niet is verschenen. In het geval van een voeging aan de zijde van de niet verschenen geïntimeerde sluit de voegende partij zich aan bij het eerder in eerste aanleg ingenomen standpunt van deze partij en ondersteunt zij dit standpunt. Daarmee mag geen nieuwe (feitelijke) grondslag van het verweer worden geïntroduceerd, maar is en blijft de voegende partij gebonden aan de rechtsstrijd zoals die zich in de procedure in eerste aanleg heeft ontwikkeld.

2.6

Het hof is voorts van oordeel dat uit hetgeen Earth Water c.s. hebben aangevoerd voldoende is gebleken dat zij, in verband met (nadelige) gevolgen die een uitspraak in hoger beroep tussen Earth Concepts enerzijds en Upstream Advertising anderzijds feitelijk of juridisch voor hen kan hebben, voldoende belang heeft bij voeging in deze procedure. Uit het over en weer gestelde blijkt genoegzaam dat zowel Earth Concepts als Earth Water c.s. aanspraak maken op dezelfde Benelux-merken waarvan het inmiddels ontbonden Upstream Advertising nog immer als rechthebbende in het merkenregister bij het BBIE staat geregistreerd. Daarmee is het belang van Earth Water c.s. bij de uitkomst in de hoofdzaak voldoende gegeven.

2.7

Niet is gesteld dat de eisen van een goede procesorde (in het bijzonder het voorkomen van onredelijke vertraging van de hoofdzaak) aan toewijzing van de incidentele vordering van Earth Water c.s. tot voeging in de weg staan. Dat als gevolg van voeging door hen de procedure enigszins zal worden vertraagd, is naar het oordeel van het hof onvoldoende reden de vordering af te wijzen.

2.8

Gelet op al het voorgaande zal de incidentele vordering van Earth Water c.s. tot voeging worden toegewezen.

2.9

Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak

2.10

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een memorie van grieven aan de zijde van Earth Concepts, waarna Earth Water c.s. als gevoegde partij een memorie zullen mogen nemen.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident

staat Earth Water c.s. toe zich in de onderhavige procedure tussen Earth Concepts en Upstream Advertising te voegen aan de zijde van Upstream Advertising;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 12 juni 2018 voor het nemen van een memorie van grieven door Earth Concepts;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.C.W. Rang en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2018.