Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1494

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
11-06-2018
Zaaknummer
200.139.837/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:1144
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:3597
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Artikel 1:377a lid 1 BW. Ondanks de inzet van verschillende vormen van hulpverlening is het partijen niet gelukt om omgang tussen de man en de minderjarige tot stand te brengen. De minderjarige heeft meermaals laten weten geen omgang met de man te willen. Hij dient gelet hierop en gelet op zijn leeftijd serieus te worden genomen in zijn wensen ten aanzien van het contact met de man. Het hof acht het in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarige om hem te dwingen tot omgang met de man en hem opnieuw te belasten met een (gedwongen) hulpverleningstraject waarbinnen het contact met de man opnieuw zal worden opgestart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.139.837/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/546950 FA RK 13/5622 (RT/MD)

Beschikking van de meervoudige kamer van 1 mei 2018 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. N. Türkkol te Amsterdam,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. G.M.H. Vriesde te Rotterdam.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 9 oktober 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen is overwogen in zijn beschikkingen van 29 maart 2016 en van 5 september 2017.

Bij laatstgenoemde beschikking heeft het hof, alvorens verder te beslissen, de behandeling van de zaak op verzoek van de vrouw pro forma aangehouden tot 8 oktober 2017.

2.2

Het hof heeft bij proces-verbaal van bevindingen van 13 november 2017, naar aanleiding van de in dat proces-verbaal genoemde brieven en journaalberichten van partijen, opnieuw een mondelinge behandeling bepaald. Het hof heeft partijen daarbij verzocht om tien dagen voor de zitting informatie van de Opvoedpoli over te leggen en/of de behandelaar van de Opvoedpoli als informant naar de zitting mee te nemen.

2.3

Op 2 maart 2018 is de minderjarige [zoon] (hierna wederom te noemen: [de minderjarige] ) afzonderlijk door de voorzitter in bijzijn van de griffier gehoord. Ter zitting van 5 maart 2018 heeft de voorzitter van de inhoud van het gesprek met [de minderjarige] zakelijk mededeling gedaan.

2.4

De mondelinge behandeling is op 5 maart 2018 voortgezet. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door mr. M. Türkkol;

- de man, bijgestaan door mr. G.M.H. Vriesde, en

- de raad, vertegenwoordigd door de mevrouw F.L.M. Huizinga.

2.5

Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw een nader stuk overgelegd, te weten het onderzoeksverslag van de Opvoedpoli van 18 april 2017.

3 De verdere beoordeling van het hoger beroep

3.1

Aan de orde is de omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] . Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind, tenzij sprake is van één van de in het derde lid van deze bepaling limitatief opgesomde gronden voor ontzegging van dit recht, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.2

De vrouw heeft ter zitting verklaard haar standpunt dat omgang tussen de man en [de minderjarige] in strijd is met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] , te handhaven. De afgelopen jaren zijn verschillende vormen van hulpverlening ingezet om omgang tussen de man en [de minderjarige] tot stand te brengen. Desondanks is dit niet mogelijk gebleken. Ook hebben de afgelopen jaren verschillende onderzoeken plaatsgevonden naar [de minderjarige] . Dit alles is traumatisch voor hem geweest. De hulpverlening heeft daarop aangegeven dat dit voor [de minderjarige] niet werkte. [de minderjarige] staat op dit moment niet open voor omgang met de man en het is niet in zijn belang om hem hiertoe te dwingen. Daarbij komt dat het dwingen van [de minderjarige] tot omgang met de man een averechtse werking zal hebben. [de minderjarige] dient thans met rust te worden gelaten. De man heeft beloofd om de wens van [de minderjarige] te respecteren en om afstand van hem te nemen. Ook heeft hij beloofd om [de minderjarige] een brief te schrijven. In de toekomst is [de minderjarige] wellicht sterker, waardoor hij wel openstaat voor omgang met de man. Gelet op deze omstandigheden dient de bestreden beschikking te worden vernietigd en het verzoek van de man te worden afgewezen, aldus de vrouw.

3.3

De man heeft ter zitting het volgende verklaard. Onder andere uit het raadsrapport van 27 juni 2014 blijkt dat de angsten van [de minderjarige] niet zijn opgewekt door de man, maar voortkomen uit de angsten van de vrouw. Hiernaar is onvoldoende onderzoek gedaan. Voorts is onvoldoende gewerkt aan de doelen waaraan partijen volgens de raad diende te werken. Zo hebben geen gesprekken tussen de man en de vrouw plaatsgevonden bij het Omgangshuis in het kader van mediation. Uit het dossier blijkt niet dat sprake is van contra-indicaties voor omgang tussen de man en [de minderjarige] . De vrouw heeft haar angsten op [de minderjarige] geprojecteerd en bij [de minderjarige] is een negatief beeld onderstaan over de man. De man en [de minderjarige] hebben recht op een vorm van omgang met elkaar. De bestreden beschikking dient dan ook te worden bekrachtigd, aldus de man.

3.4

De raad heeft het hof ter zitting geadviseerd de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de man om een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen alsnog af te wijzen. Aan [de minderjarige] dient het signaal te worden afgegeven dat zijn mening wordt gehoord. Het op dit moment afwijzen van het verzoek van de man, waarbij de man [de minderjarige] een brief schrijft waarmee hij laat zien dat hij de mening van [de minderjarige] respecteert, biedt wellicht mogelijkheden voor de toekomst. Het afdwingen van een vorm van omgang die [de minderjarige] op dit moment niet aankan, vergroot de kans dat ook in de toekomst geen ruimte meer is voor contact. Daarbij wordt van de man gevraagd om over zijn eigen schaduw heen te stappen en in het belang van [de minderjarige] te denken. Het is belangrijk dat de vrouw de man informatie over [de minderjarige] blijft verstrekken. Zo kan de man, indien [de minderjarige] in de toekomst mogelijk wel behoefte heeft aan omgang met hem, aansluiten bij [de minderjarige] en bij hetgeen hem bezighoudt, aldus de raad.

3.5

[de minderjarige] heeft tijdens zijn gesprek met de voorzitter - kort en zakelijk weergegeven - verteld dat het goed met hem gaat. Hij wil op dit moment geen contact met de man. Hij is teleurgesteld dat de man er lange tijd niet voor hem is geweest. Hierdoor heeft hij geen vertrouwen in de man. Ook wil hij thans geen hulpverlening meer. Wellicht staat hij in de toekomst wel open voor contact met de man, maar op dit moment is dat niet het geval, aldus [de minderjarige] .

3.6

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Partijen hebben een affectieve relatie gehad uit welke relatie [de minderjarige] [in] 2005 is geboren. De man is tot februari 2006 betrokken geweest bij [de minderjarige] . Nadien heeft tussen hen geen contact meer plaatsgevonden. Partijen zijn door de rechtbank bij de bestreden beschikking verwezen naar het Omgangshuis om aldaar begeleide omgang tussen de man en [de minderjarige] te laten plaatsvinden. Dit is niet van de grond gekomen. De raad heeft partijen naar aanleiding van het door het hof gelaste onderzoek eveneens verwezen naar het Omgangshuis, zodat aldaar mediation kon plaatsvinden en met een proefomgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] kon worden gestart. Partijen hebben nadien getracht om gezamenlijk tot een omgangsregeling te komen door aan te vangen met door de grootvader moederszijde (hierna: de grootvader) begeleide omgangsmomenten. In dat kader hebben circa tien begeleide omgangsmomenten tussen de man en [de minderjarige] plaatsgevonden in het restaurant van het OLVG ziekenhuis. Ook heeft de man [de minderjarige] in deze periode een aantal keren op het voetbalveld gezien. Eind mei 2015 is de man zonder een daaraan voorafgaande aankondiging naar de muziekles van [de minderjarige] gekomen. [de minderjarige] is hiervan erg geschrokken. Ook is in deze periode tussen de man en de grootvader een ruzie ontstaan. De begeleide omgang is eind mei 2015 wederom gestopt. [de minderjarige] is in december 2015 door de huisarts verwezen naar de Opvoedpoli wegens het ervaren van grote spanningen ten aanzien van de omgangsregeling met de man. Behandeling van [de minderjarige] kon op dat moment nog niet plaatsvinden, omdat de onderhavige procedure tussen partijen nog niet was afgerond. Het hof heeft partijen bij beschikking van 29 maart 2016 eveneens verwezen naar de Opvoedpoli voor begeleiding en ondersteuning bij de omgang tussen de man en [de minderjarige] . De vrouw had zich op dat moment reeds aangemeld bij de Opvoedpoli. Naast de Opvoedpoli is ook Altra in deze periode bij partijen betrokken geweest. Het traject bij Altra is in de zomer van 2017 beëindigd, waarbij het niet is gelukt een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] op te starten.

Uit het verslag van de Opvoedpoli van 18 april 2017 komt naar voren dat [de minderjarige] sinds het in beeld komen van de man ernstig van slag is geraakt. De spanning nam in deze periode bij [de minderjarige] toe, hij was bang en sliep bij de vrouw. De ontmoetingen die tussen de man en [de minderjarige] in 2015 hebben plaatsgevonden, waarbij de grootouders van [de minderjarige] aanwezig waren, zijn niet naar tevredenheid verlopen. In mei 2015 zijn deze omgangsmomenten gestopt en sindsdien heeft [de minderjarige] de man niet meer gezien. Het persoonlijk contact met de onderzoeker van de Opvoedpoli werd overschaduwd door de grote weerstand die [de minderjarige] liet zien om aan gebeurtenissen te worden herinnerd. Uit de conclusie van het verslag van de Opvoedpoli blijkt dat [de minderjarige] veel weerstand toonde bij de exposure opdrachten. De blootstelling werkte averechts en [de minderjarige] gaf meerdere keren aan dat hij geen contact wil met de man en zich onbegrepen voelde. In overleg met de vrouw en de man is besloten om [de minderjarige] niet meer te dwingen en te belasten. Afgesproken is dat de man, samen met Jeugdzorg, aan [de minderjarige] een brief zal schrijven met daarin zijn verhaal. Daarnaast zal de man in deze brief zijn wens tot contact met [de minderjarige] laat blijken, maar laten weten dat hij uit respect voor [de minderjarige] afstand neemt en hoopt dat [de minderjarige] in de toekomst het initiatief neemt tot contact met de man. De vrouw zal de man op de hoogte houden van de ontwikkelingen ten aanzien van [de minderjarige] .

3.7

Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] afstuit op het bepaalde in artikel 1:377a lid 3 BW. Partijen hebben de afgelopen jaren getracht om omgang tussen de man en [de minderjarige] op te starten. Ondanks dat hiertoe verschillende vormen van hulpverlening zijn ingezet, is het hen niet gelukt om een vorm van omgang tussen de man en [de minderjarige] tot stand te brengen. Uit het verslag van de Opvoedpoli blijkt dat [de minderjarige] sinds het in beeld komen van de man grote spanningen ervaart en daarvan erg van slag is geraakt. Gedurende het traject bij de Opvoedpoli heeft [de minderjarige] meermaals laten weten geen behoefte te hebben aan contact met de man, waarbij [de minderjarige] zeer emotioneel kon worden. Ook in de onderhavige procedure heeft [de minderjarige] ter gelegenheid van zijn gesprek met de voorzitter wederom aangegeven dat hij op dit moment geen contact wenst te hebben met de man. In dit gesprek heeft [de minderjarige] voorbeelden genoemd van spanningsvolle situaties die zich in het verleden in het kader van de begeleide omgangsregeling hebben afgespeeld, waardoor hij thans geen vertrouwen heeft in de man. Gelet hierop en gelet op zijn leeftijd acht het hof het van belang om [de minderjarige] serieus te nemen in zijn wensen ten aanzien van het contact tussen hem en de man. Ook de raad heeft ter zitting verklaard dat aan [de minderjarige] het signaal dient te worden afgegeven dat hij in zijn mening wordt gehoord en dat het dwingen van [de minderjarige] tot omgang met de man juist een averechtse werking kan hebben. Het hof volgt de raad in dit standpunt en acht het dan ook in strijd met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW om hem thans te dwingen tot omgang met de man en om hem opnieuw te belasten met een (gedwongen) hulpverleningstraject waarbinnen het contact met de man opnieuw zal worden opgestart. De bestreden beschikking zal derhalve worden vernietigd en het inleidend verzoek van de man zal worden afgewezen. De vrouw heeft daarnaast onvoldoende belang bij ontzegging aan de man van de omgang, zoals zij in hoger beroep tevens heeft verzocht.

3.8

Het hof overweegt ten overvloede dat de vrouw zich, ondanks bovengenoemd oordeel, dient te houden aan de op haar rustende informatieverplichting ten opzichte van de man. Ter zitting van 5 maart 2018 heeft de vrouw verklaard dat zij zich aan deze verplichting zal houden en de man per email zal informeren hoe het met [de minderjarige] gaat. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw deze toezegging gestand zal doen.

3.9

Dit leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

wijst het verzoek van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kok, mr. A. van Haeringen, en mr. M. van Groenleer, bijgestaan door mr. H. Sapir als griffier en is op 1 mei 2018 in het openbaar uitgesproken.