Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1474

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2018
Datum publicatie
21-08-2018
Zaaknummer
17/210
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:1760, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:583
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting; is sprake van schending van de hoorplicht in de bezwaarfase? Telefonische hoorzittingen; geen sprake van door de heffingsambtenaar gevoerd beleid omtrent dit type hoorzittingen; heffingsambtenaar heeft verzoek belanghebbende voor telefonische hoorzitting over het hoofd gezien; heffingsambtenaar niet gehouden tot toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken in de bezwaarfase

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-08-2018
FutD 2018-2290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 17/00210

3 mei 2018

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , te [Z] , belanghebbende,

gemachtigde: mr. J. van Gemert

tegen de uitspraak van 20 maart 2017 in de zaak met kenmerk AMS 16/4057 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 15 april 2016 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft daartegen op 22 mei 2016 bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak van 16 juni 2016 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank heeft bij de uitspraak van 20 maart 2017 het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op 22 maart 2017 hoger beroep ingesteld en dat bij faxbericht van 10 mei 2017 gemotiveerd. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2018. Belanghebbendes gemachtigde is met kennisgeving aan het Hof niet verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. B. Brekveld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

Op dinsdag 12 april 2016 omstreeks 14.31 uur is geregistreerd dat de auto van belanghebbende, met kenteken [kenteken] (hierna: de auto), stilstond op de locatie Tweede Nassaustraat ter hoogte van nummer 27 te Amsterdam.

2.2.

Ingevolge de Verordening Parkeerbelastingen 2016 van de gemeente Amsterdam (Gemeenteblad 2015, afd. 3A, nr. 321/1261, hierna: de Verordening) is in geval van parkeren op die locatie op dat tijdstip belasting ter zake van het parkeren verschuldigd (artikel 1, aanhef en onderdeel a van de Verordening). Die parkeerbelasting is echter – voor zover hier van belang – op grond van artikel 3, vierde lid, van de Verordening niet verschuldigd door hen die belastingplichtig zijn ingevolge het bepaalde in artikel 1, aanhef en onderdeel b, van de Verordening (een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze).

2.3.

Belanghebbende beschikt over een vergunning (deelvergunningsgebied Westerpark 1.2 – Westerstaatsman). Volgens de door de heffingsambtenaar overgelegde plattegrond, behorend bij de vergunningsvoorwaarden, is de straat waar belanghebbende de auto heeft neergezet geheel gemarkeerd als zone waar de vergunning niet geldig is van maandag tot en met zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur (deelvergunningsgebied Westerpark 1.3 – Witteneiland).

2.4.

In het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag van 22 mei 2016 staat het volgende vermeld:

“(…)

Ik verzoek u (…) om toezending van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Tot slot wordt verzocht om telefonisch te worden gehoord in deze zaak (…)”.

2.5.

Tot de gedingstukken behoort een brief van de heffingsambtenaar aan gemachtigde van belanghebbende van 31 mei 2016, met als onderwerp ‘Verzoek tot aanleveren gronden/Verzoek tot horen.’:

“(…)

Wij gaan er vanuit de gronden van het bezwaar binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief te hebben ontvangen.

In uw bezwaarschriften heeft u aangegeven gehoord te willen worden.

Wij nodigen u daarom uit om uw standpunt mondeling toe te lichten op een hoorzitting op 13 juni 2016.

Wij vragen u om 11.00 uur aanwezig te zijn op het bezoekadres:

Nieuwpoortstraat 5-7 te Amsterdam.

Ik verzoek u zo spoedig mogelijk te laten weten of u aanwezig wilt zijn bij de hoorzitting. U kunt dit doen door per omgaande een schriftelijke mededeling naar bovenvermeld adres te sturen of te faxen naar bovenvermeld faxnummer. Indien wij voor 6 juni 2016 niets van u vernemen, gaan wij ervan uit dat u niet aanwezig wenst te zijn bij de hoorzitting.

U kunt iemand machtigen om namens u aanwezig te zijn op de hoorzitting. (…)

Tot drie dagen voor de hoorzitting kunt u de stukken komen inzien. U kunt hiervoor telefonisch een afspraak maken op bovenvermeld telefoonnummer.

Indien u geen gebruik maakt van de mogelijkheid om te worden gehoord, bijvoorbeeld omdat u van mening bent dat uw bezwaarschrift voldoende duidelijk en volledig is, zal er op grond van uw bezwaarschrift en bijbehorende stukken een uitspraak worden gedaan. U krijgt dan de beslissing op uw bezwaarschrift thuisgestuurd

(…)”.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of sprake is van schending van de hoorplicht in de bezwaarfase. Voorts is tussen partijen in geschil of de heffingsambtenaar ten onrechte niet de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft toegezonden aan belanghebbende. Belanghebbende betoogt verder dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door een oordeel te geven over de vraag of al dan niet sprake is van parkeren in de zin van de Verordening.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft omtrent het geschil onder meer als volgt overwogen en beslist (waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de heffingsambtenaar als verweerder):

“4. De rechtbank stelt vast dat niet in geding is dat de plek waar eiseres heeft geparkeerd een winkelstraat is. Evenmin is in geding dat de parkeervergunning van eiseres daar niet geldig is op het betreffende tijdstip. Nu niet aan de vergunningvoorwaarden is voldaan, is alsnog parkeerbelasting verschuldigd. De enige uitzondering daarop vormt het onmiddellijk

in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen. De rechtbank overweegt dat uit de door verweerder overgelegde foto’s volgt dat er op het moment van het maken van de foto’s geen sprake was van laden en lossen. Het is dan aan eiseres is om aannemelijk te maken dat hier wel sprake van was. De enkele stelling van eiseres daartoe is niet voldoende. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd.”

en

“6. Eiseres voert (…) aan dat sprake is van schending van de hoorplicht. Eiseres heeft verzocht om een telefonische hoorzitting. Verweerder had er niet zondermeer vanuit mogen gaan dat eiseres afstand heeft gedaan van het recht om te worden gehoord. Tot slot voert eiseres aan dat verweerder op grond van de artikelen 7:4 en 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten onrechte niet de op de zaak betrekking hebben stukken aan haar heeft toegezonden.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres bij brief van 13 [Hof: 31] mei 2016 gelegenheid is gegeven om te worden gehoord. Het had op de weg van eiseres gelegen om hierop te reageren, indien zij alsnog een telefonische hoorzitting wenste. Verweerder heeft voor wat betreft de stukken er op gewezen dat de stukken ter inzage hebben gelegen voorafgaande aan het horen, overeenkomstig artikel 7:4 van de Awb. Eiseres is daar op gewezen in de uitnodigingsbrief voor de hoorzitting van 31 mei 2016.

8. Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Verordening hoeft ter zake van het parkeren alleen dan geen parkeerbelasting betaald te worden indien de eigenaar van de auto een vergunning heeft én voldaan wordt aan de vergunningvoorwaarden. Door eiseres is niet betwist dat zij op de hoogte is van de voorwaarden voor het gebruik van de vergunning. De rechtbank stelt vast dat uit het door verweerder overgelegde kaartje behorend bij de vergunningvoorwaarden blijkt dat de straat waar eiseres haar auto geparkeerd heeft, de Tweede Nassaustraat, geheel is gemarkeerd als zone waar de vergunningen niet geldig zijn van maandag tot en met zaterdag van 10:00 tot 18:00 uur. Eiseres heeft haar auto geparkeerd op een dinsdag om 14:31 uur. Daaruit volgt dat zij ter plaatse heeft geparkeerd op een dag en een tijdstip waarop haar vergunning niet geldig was. Eiseres was daarom parkeerbelasting verschuldigd. Niet in geding is dat zij dit niet heeft voldaan. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd.

9. Niet in geding is dat de auto van eiseres op genoemde plaats en tijdstip stil stond op een fiscale parkeerplaats. Eiseres heeft aangevoerd dat geen sprake was van parkeren in de zin van de Verordening Parkeerbelastingen 2016 van de Gemeente Amsterdam omdat zij op het genoemde tijdstip bezig was met laden en/of lossen. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat hier sprake van was. De enkele stelling van eiseres, zonder enige nadere toelichting of onderbouwing daarvan, is niet voldoende. Dit geldt temeer daar uit de door verweerder overgelegde foto’s niet blijkt van het laden of lossen van goederen of het in- of uitstappen van personen. Eiseres heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat geen sprake was van parkeren in de zin van de Verordening.

10. De rechtbank stelt vast dat eiseres bij het pro forma bezwaar van 22 mei 2016 heeft verzocht om telefonisch te worden gehoord. Niet in geding is dat verweerder eiseres bij brief van 31 mei 2016 heeft uitgenodigd voor een hoorzitting op het kantoor van verweerder op 13 juni 2016 om 11.00 uur. Eiseres heeft de ontvangst van deze brief niet betwist. Eiseres is niet verschenen. Evenmin heeft eiseres afgezegd, of verzocht om in plaats van de hoorzitting op het kantoor van verweerder telefonisch te worden gehoord. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de vaste rechtspraak dat om een telefonische hoorzitting kan worden verzocht en dat het bestuursorgaan gehoor dient te geven aan de door belanghebbende moverende redenen ingegeven wens om hem telefonisch te horen, tenzij zwaarder wegende belangen aan de zijde van het bestuursorgaan zich hiertegen zouden verzetten. Verweerder heeft desgevraagd aangegeven dat met de uitnodiging zoals die is verstuurd niet was beoogd het telefonisch horen te weigeren. Dat eiseres telefonisch wilde worden gehoord, is abusievelijk over het hoofd gezien, aldus verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank is deze gang van zaken weliswaar niet geheel correct, maar leidt het niet tot de conclusie dat verweerder het telefonisch horen heeft geweigerd. Onder de omstandigheden van het geval had eiseres tijdig, na ontvangst van de uitnodiging voor de hoorzitting, contact op kunnen nemen met verweerder om te verzoeken om een andere wijze van horen. Eiseres heeft dit niet gedaan. Gelet op die omstandigheden, en nu eiseres wel is uitgenodigd voor een hoorzitting van verweerder, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder de hoorplicht ingevolge artikel 7:2 van de Awb heeft geschonden.

11. Ten aanzien van de inzage in de stukken stelt de rechtbank dat uit de brief van 31 mei 2016 volgt dat de stukken ter inzage hebben gelegen. Eiseres heeft dit niet bestreden. Het niet toezenden van het (volledige) dossier maakt niet dat sprake is van strijd met een rechtsregel. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 20 september 2000 (ECLI:ECLI:NL:HR:2000:AA7148). Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken, dat van eiseres of van haar gemachtigde niet mag worden gevergd dat zij de stukken bij verweerder komt inzien. De rechtbank is daarom van oordeel dat van onzorgvuldigheid geen sprake is.

12. Het beroep van eiseres is daarom ongegrond.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Anders dan belanghebbende kennelijk meent brengt geen rechtsregel mee dat een belanghebbende alleen kan worden uitgenodigd voor een hoorgesprek op een datum gelegen na afloop van de termijn voor het indienen van de gronden van het bezwaar. Dit laat onverlet dat een belanghebbende die meent dat een hoorgesprek pas zinvol is nadat hij de gronden van het bezwaar heeft ingediend, dergelijke gronden nog niet heeft ingediend, en voor een hoorgesprek is uitgenodigd op een datum gelegen voor het verstrijken van de termijn voor het indienen van die gronden, de heffingsambtenaar kan verzoeken het hoorgesprek op een latere datum te doen plaatsvinden. Een dergelijk verzoek heeft belanghebbende, die ook in de bezwaarfase vertegenwoordigd is door een beroepsmatig optredende gemachtigde, niet gedaan.

5.2.

Het is voorts onjuist dat de heffingsambtenaar gehouden zou zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken in de bezwaarfase aan de belanghebbende toe te zenden, dit is niet anders indien deze daarom heeft verzocht. De wetgever heeft bewust een onderscheid gemaakt tussen de verplichtingen van het bestuursorgaan in de bezwaarfase en de verplichtingen van het bestuursorgaan in de beroepsfase. Alleen in de beroepsfase is het bestuursorgaan op grond van artikel 8:42 Awb verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken (aan de rechter) toe te zenden; in de bezwaarfase geldt ter zake van diezelfde stukken op grond van artikel 7:4 Awb enkel een (passief) inzagerecht (Hof Amsterdam 31 oktober 2017, nr. 17/00083, ECLI:NL:GHAMS:2017:4618).

5.3.

Belanghebbende heeft verzocht om telefonisch te worden gehoord. Het Hof stelt voorop dat onjuist is dat (gelijk de rechtbank heeft overwogen) indien is verzocht telefonisch te worden gehoord een bestuursorgaan daaraan moet meewerken, tenzij zwaarder wegende belangen van de zijde van het bestuursorgaan zich hiertegen verzetten. Het Hof is van oordeel dat een bestuursorgaan de vrijheid heeft om het beleid te voeren dat hoorzittingen in persoon en niet per telefoon plaatsvinden. Wel moet het bij de uitvoering van dat beleid de beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen. Een zwaardere eis kan, naar het oordeel van het Hof, niet gesteld worden. Indien een belastingplichtige verzoekt om telefonisch gehoord te worden, en dus om een uitzondering op het beleid te maken, zal de beslissing van het bestuursorgaan derhalve moeten worden gerespecteerd, tenzij die beslissing in strijd zou zijn met enig beginsel van behoorlijk bestuur (Hof Amsterdam 24 augustus 2017, nr. 16/00031, ECLI:NL:GHAMS:2017:4758).

5.4.

In dezen heeft de heffingsambtenaar niet gesteld een beleid te hebben gevoerd om hoorzittingen niet per telefoon te doen plaatsvinden maar over het hoofd te hebben gezien dat belanghebbende om een telefonische hoorzitting heeft verzocht. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat dit niet de conclusie rechtvaardigt dat de hoorplicht is geschonden. Hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen onder 10, laatste vier volzinnen, neemt het Hof over.

5.5.

Anders dan belanghebbende betoogt is de rechtbank (vervolgens) niet buiten de rechtsstrijd getreden door ook een oordeel te geven over de vraag of belanghebbende haar auto op het onder 2.1. bedoelde tijdstip en plaats had geparkeerd en of haar vergunning op dat tijdstip en die plaats geldig was. Belanghebbendes gemachtigde heeft immers in het beroepschrift kenbaar gemaakt dat dit zijns inziens niet het geval is (“Eiseres verschilt hierover van mening met verweerder”).

5.6.

Hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 9. acht het Hof juist. Het Hof neemt die overweging over en maakt die tot de zijne. Daarvan uitgaande is hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 8. tweede en volgende volzinnen, eveneens juist. Het Hof neemt ook dat deel van de rechtbankoverweging over.

Slotsom

De slotsom is alsdan dat het hoger beroep ongegrond is en de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, M.J. Leijdekker en M. van den Bosch, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. G.H.G. Otten als griffier. De beslissing is op 3 mei 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.