Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1467

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
200.218.595/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwikkeling echtscheiding. Vrouw kan aanspraak maken op 25% van het door de man opgebouwde vermogen op grond van artikel 49 Mudawwana.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.218.595/01

zaaknummers rechtbank: C/13/593193 / FA RK 15-6314 (RT/SV)

C/13/611869 / FA RK 16-4848 (RT/SV)

beschikking van de meervoudige kamer van 24 april 2018 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Kaouass te Amsterdam,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. F. Salouli te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar beschikking van de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 21 juni 2017 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 22 maart 2017.

2.2

De man heeft op 8 augustus 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de vrouw van 8 december 2017 met bijlagen, ingekomen op 14 december 2017;

- een brief van de zijde van de man van 22 februari 2018 met bijlagen, ingekomen op 23 februari 2018;

- een brief van de zijde van de vrouw van 23 februari 2018 met bijlagen;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 26 februari 2018, ingekomen op 27 februari 2018.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 8 maart 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 2003 gehuwd te [plaats] (Frankrijk). Hun huwelijk is op 19 juli 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 maart 2017 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [kind a] [in] 2004 en [kind b] [in] 2010.

De man heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit. De vrouw heeft de Franse en Marokkaanse nationaliteit.

3.2

Het verzoek tot echtscheiding is ingediend op 13 augustus 2015.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang:

I. de verdeling van de vanaf 23 april 2013 bestaande huwelijksgoederengemeenschap als volgt vastgesteld:

( i) aan de vrouw worden toegedeeld:

- de auto;

- de op haar naam staande bankrekening(en), onder de verplichting de helft van het saldo d.d. 15 augustus 2015 aan de man te vergoeden;

(ii) aan de man worden toegedeeld:

- de op zijn naam staande bankrekening(en), onder de verplichting de helft van het saldo d.d. 15 augustus 2015 aan de vrouw te vergoeden;

II. bepaald dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de schuld aan de
Nederlandse Voorschotbank, de creditcard schulden per 15 augustus 2015 en de (eventuele) belastingschulden per 15 augustus 2015;

III. bepaald dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de huurachterstand per 15 augustus 2015;

IV. vastgesteld dat aan de vrouw toebehoren de inboedelgoederen van de woning te Marokko die door haar zijn ingebracht;

V. de man veroordeeld om in het kader van de bruidsschat € 950,- aan de vrouw te betalen;

VI. de vrouw veroordeeld tot afgifte van de originele eigendomspapieren van de woning te Marokko aan de man binnen vijf dagen na die beschikking.

4.2

De vrouw verzoekt, na wijziging van haar verzoek ter zitting, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

primair:

I. te bepalen dat partijen de huwelijkse schulden op de peildatum (het saldo van de studieschuld van € 7.000,-, de huurachterstand van € 726,-, de schuld aan de Voorschotbank van € 26.274,-, de creditcardschuld van € 4.700,- en de belastingschulden) gelijkelijk zullen dragen;

II. te bepalen dat aan de vrouw wordt toegedeeld:

- de auto;

- het saldo op de peildatum van de op haar naam staande bankrekeningen;

- de inboedelgoederen in de woning in Marokko;

III. te bepalen dat aan de man wordt toegedeeld:

- het saldo van de op zijn naam gestelde bankrekeningen;

- de uitkering woonverzekering van € 1.370,-;

- de waarde van de woning in Marokko;

- de man te veroordelen aan de vrouw een bedrag van € 20.000,- te betalen wegens overbedeling,

subsidiair:

de man te veroordelen aan de vrouw naar Marokkaans recht een vergoeding te verstrekken van € 20.000,-.

4.3

De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Voor de beoordeling van de verzoeken in hoger beroep dient het hof allereerst te bepalen door welk nationaal recht de huwelijksvermogensrechtelijke betrekkingen van partijen worden beheerst.

Partijen zijn [in] 2003 gehuwd. Het toepasselijke recht dient dan ook te worden vastgesteld aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1987 (hierna: HHV). Vast staat dat partijen geen rechtskeuze hebben gedaan in de zin van artikel 3 HHV, zodat het aankomt op de vraag of partijen samen een eerste gewone verblijfplaats (‘eerste huwelijksdomicilie’) hebben gevestigd in de zin van artikel 4 lid 1 HHV. Het begrip gewone verblijfplaats moet volgens vaste rechtspraak worden uitgelegd als de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd, met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen, waarbij voor de vaststelling van de gewone
verblijfplaats rekening moet worden gehouden met de feitelijke omstandigheden die voor dat begrip bepalend zijn. Voorts geldt volgens vaste rechtspraak daarbij als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, echtgenoten een eerste huwelijksdomicilie in de zin van artikel 4 lid 1 HHV slechts gedurende de eerste zes maanden na hun huwelijk kunnen vestigen.

5.2

De rechtbank heeft geoordeeld dat partijen hun eerste huwelijksdomicilie in Nederland hebben gevestigd. Op grond van artikel 4 lid 2 sub 2a HHV heeft de rechtbank bepaald dat het Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Dit toepasselijk recht is op grond van artikel 7 lid 2 sub 2 HHV gewijzigd in het Nederlands recht vanaf 26 april 2013 (de rechtbank heeft, naar het hof aanneemt bij vergissing,
overwogen dat het Nederlands recht vanaf 23 april 2013 van toepassing is).

5.3

Volgens de vrouw hebben partijen voorafgaand aan het huwelijk afgesproken dat de man naar Frankrijk zou verhuizen om zich daar te vestigen. De eerste periode zou de man in Nederland blijven werken, omdat de vrouw nog bezig was met haar studie. De vrouw bezocht de man in Nederland en ging dan weer terug naar Frankrijk. Ook nadat zij had ontdekt dat zij zwanger was, in december 2013, was zij niet bereid naar Nederland te verhuizen. De man heeft haar geestelijk gedwongen in Nederland te bevallen. De man wilde vervolgens niet meer naar Frankrijk verhuizen. In juni 2005 besloot de vrouw om naar Nederland te komen en zich hier te vestigen om op die manier haar huwelijk te redden. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst de vrouw naar het door haar overgelegde uittreksel uit de basisregistratie personen waaruit blijkt dat zij zich pas op 20 juni 2005 heeft laten registeren in de basisadministratie van de gemeente [woonplaats] , de overgelegde Franse salarisspecificaties uit 2003, de inschrijving van de vrouw in Frankrijk voor een studie over het jaar 2002 en 2003 en een bewijs van studiefinanciering. Ook heeft de vrouw stukken overgelegd met betrekking tot haar zwangerschap, waaruit volgens haar kan worden opgemaakt dat zij tijdens de zwangerschap in Frankrijk woonde. De vrouw stelt zich op het standpunt dat, nu zij pas op 20 juni 2005 het centrum van haar belangen in Nederland heeft gevestigd, vanaf de datum van het huwelijk tot 20 juni 2005 Marokkaans recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime van partijen en vanaf die datum Nederlands recht.

5.2

De man betwist dat partijen voorafgaand aan het huwelijk de bedoeling hadden zich (uiteindelijk) in Frankrijk te vestigen. Partijen zijn direct na hun huwelijk in Nederland gaan samenwonen. Dit was ook de bedoeling van partijen gelet op het feit dat de man werk had in Nederland en ook zijn zus en moeder in Nederland wonen. Een en ander past in de Marokkaanse cultuur waarin het gebruikelijk is dat de vrouw bij de man gaat wonen. Wel is de vrouw twee weken na het huwelijk gedurende een aantal weken naar Frankrijk gegaan om examen te doen. Wat betreft de door de vrouw overgelegde stukken merkt de man op dat hij bij de vrouw vaak erop heeft aangedrongen om zich in Nederland in te schrijven. Volgens hem zien de papieren over de inschrijving van de studie op het studiejaar 2002/2003, terwijl op de overgelegde bankafschriften is te zien dat de vrouw in ieder geval in januari 2005 al een bankrekening had bij een Nederlandse bank.

5.3

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de man zijn gewone verblijfplaats na het huwelijk in Nederland had. Partijen verschillen echter van mening of dat ook geldt voor de vrouw. Naar het oordeel van het hof kan uit de door de vrouw overgelegde stukken niet worden afgeleid dat zij na het huwelijk in Frankrijk is blijven wonen. Weliswaar heeft de vrouw salarisspecificaties van haar baan in Frankrijk overgelegd, maar deze salarisspecificaties zien slechts op de periode tot september 2003. Daarnaast heeft de vrouw de stelling van de man, die erop neerkomt dat de vrouw niet zelf werkte maar haar broer op haar papieren, niet, althans onvoldoende betwist. De gegevens waaruit blijkt van inschrijving aan de universiteit zien slechts op het studiejaar 2002/2003. De omstandigheid dat de vrouw zich heeft aangemeld bij een verloskundige in Frankrijk, acht het hof niet van doorslaggevend belang; niet alleen omdat dit pas bijna een jaar na de huwelijkssluiting is gebeurd, maar ook omdat de vrouw tevens een verloskundige in Nederland had. Zowel ter zitting in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat zij, toen zij in Nederland was, heimwee kreeg en daarom naar Frankrijk vertrok. Daarnaast heeft de vrouw ter zitting in hoger beroep verklaard dat de man haar dwong in Nederland te blijven wonen. Dit wijst erop dat feitelijk sprake was van bewoning in Nederland. Ook als ervan wordt uitgegaan dat voorafgaand aan het huwelijk het de bedoeling van de vrouw was om in Frankrijk te blijven wonen, dient gelet op de feitelijke situatie Nederland als eerste huwelijksdomicilie te worden aangemerkt.

Dit brengt mee dat de eerste grief van de vrouw faalt. Op grond van artikel 4 lid 2 sub 2a HHV is het Marokkaans recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen, welk recht op grond van artikel 7 lid 2 sub 2 HHV met ingang van 26 april 2013 is gewijzigd in Nederlands recht. Het hof zal de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap in stand laten.

5.4

De vrouw heeft daarnaast gegriefd tegen de uitleg door de rechtbank van artikel 49 Mudawwana (hierna: Mud), het Marokkaanse wetboek van familierecht. Zij stelt zich op het standpunt dat zij op grond van dit artikel recht heeft op 50% van het vermogen van de man. Tijdens het huwelijk heeft zij de taak van verzorging van de huishouding en opvoeding en verzorging van de kinderen op zich genomen. Als gevolg hiervan heeft zij de man in staat gesteld om een aanzienlijk vermogen op te bouwen. Haar inkomen is bovendien gebruikt om de kosten van de huishouding te betalen. Op grond van het Marokkaanse recht is de man echter na de huwelijkssluiting verplicht de vrouw volledig te onderhouden. De vrouw komt tot de conclusie dat alles wat zij aan de kosten van de huishouding heeft bijgedragen, onverschuldigd is betaald. Deze bijdrage van de vrouw heeft de man een besparing opgeleverd. Door de bijdrage van de vrouw is hij in staat geweest de woning in Marokko te bouwen. Verder heeft de man de kinderbijslag ontvangen, terwijl die aan de vrouw had moeten toekomen. Ook met dit geld heeft de man de woning in Marokko kunnen bouwen.

De vrouw maakt aanspraak op de helft van de waarde van de woning in Marokko, die volgens haar € 40.000,- bedraagt.

5.5

De man betwist dat de vrouw enige bijdrage heeft geleverd aan de aankoop van het stuk grond in Marokko. Ook betwist de man dat de vrouw voor de dochter van partijen heeft gezorgd in de periode van 2005 tot 2007, de periode waarin de grond in Marokko is gekocht en de woning is gebouwd. Uit de bankafschriften die de vrouw over deze periode heeft overgelegd, blijkt niet dat de vrouw haar zorgpremie of een deel van de huur betaalde. De man stelt zich daarnaast op het standpunt dat niet het Marokkaans, maar het Nederlands recht van toepassing is op de vraag hoe de bijdragen van partijen in de kosten van de huishouding verdeeld hadden moeten worden. Wat betreft de kinderbijslag voert de man aan dat deze in de jaren 2005-2007 is gebruikt voor de dochter van partijen.

5.6

Het hof overweegt als volgt. In de periode van 26 april 2003 tot 26 april 2013 was Marokkaans recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen. Het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht kent geen wettelijke gemeenschap van goederen. Op grond van artikel 49 Mud behouden beide echtgenoten de bevoegdheid om over hun vermogen te beschikken. Wel bepaalt de tweede zin van lid 1 van artikel 49 Mud dat partijen binnen het kader van het beheer van vermogensbestanddelen die zijn verworven gedurende het huwelijk overeenstemming kunnen bereiken over het vermogensrechtelijk gebruik en de verdeling ervan. Lid 2 bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien er geen overeenstemming is, gebruik wordt gemaakt van de algemene beginselen van het bewijsrecht, met inachtneming van de werkzaamheden van ieder van beide echtgenoten, alsmede met wat is ingebracht aan inspanningen en wat is gedragen aan lasten met betrekking tot de ontwikkeling van het vermogen van het gezin. Tussen partijen is niet in geschil dat het vermogen van de man met name wordt gevormd door de woning in Marokko. Gelet op de tekst van artikel 49 Mud is het hof van oordeel dat voor de vraag of de vrouw aanspraak kan maken op een gedeelte van dit vermogen van de man van belang is of de vrouw een bijdrage heeft geleverd in de jaren dat de man de grond in Marokko aankocht en de woning op deze grond werd gebouwd, derhalve de jaren 2005-2007. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat ook na 2007 bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden, heeft zij deze stelling in het licht van het verweer van de man onvoldoende onderbouwd. Wat betreft de bijdrage van de vrouw overweegt het hof dat niet noodzakelijk is dat de vrouw een concrete bijdrage aan de aankoop van de grond of bouw van de woning moet hebben geleverd. Werkzaamheden in de huishouding door een echtgenoot die hebben bijgedragen aan de vermogensaanwas van de andere echtgenoot kunnen ook een grondslag vormen voor een aanspraak op vergoeding jegens laatstgenoemde echtgenoot (vergelijk hof Amsterdam 23 maart 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BL9459, r.o.2.2. en hof Arnhem-Leeuwarden 28 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2648, r.o. 2.4). Hoewel partijen van mening verschillen hoe groot het aandeel van de vrouw was in de verzorging en opvoeding van [kind a] ( [kind b] is na 2007 geboren), is het hof van oordeel dat de vrouw in ieder geval een aandeel heeft gehad in de opvoeding van [kind a] en in het voeren van de huishouding. Daarnaast heeft de man ter zitting in hoger beroep erkend dat de vrouw vanaf 2007 (tot 2011) de huur van de echtelijke woning heeft betaald. Verder blijkt uit het door de vrouw overgelegde bankafschrift dat de vrouw op 24 juli 2007 een bedrag van € 2.300,- per kas heeft opgenomen van haar spaarrekening. De vrouw heeft verklaard dat zij dit geld aan de man gaf en dat dit geld in Marokko werd uitgegeven. Het hof acht deze verklaring voldoende aannemelijk, gelet op de periode waarin het geld werd opgenomen en de omstandigheid dat de man niet heeft weersproken dat partijen in de periode rond de datum van opname van het geld met vakantie naar Marokko gingen.

Gelet op deze omstandigheden is voldoende komen vast te staan dat de vrouw een bijdrage heeft geleverd aan de vermogensaanwas van de man in de periode 2005 tot 2007 in de zin van artikel 49 Mud. Bij deze beoordeling is niet van belang of Nederlands recht van toepassing is op de vraag hoe de kosten van de huishouding moeten worden verdeeld, wat verder ook van deze stelling zij. Voor zover de vrouw zich op het standpunt stelt dat zij ook in de periode daarna heeft bijgedragen aan vermogensaanwas aan de zijde van de man, heeft zij deze stelling onvoldoende onderbouwd nu gesteld noch gebleken is dat de man in deze periode enig vermogen heeft opgebouwd.

Het hof gaat bij het bepalen van de vergoeding uit van de taxatiewaarde van de woning van € 40.000,-, nu de man onvoldoende heeft onderbouwd dat van een andere waarde moet worden uitgegaan. De man heeft gesteld dat hij nog € 5.540,89 moet betalen in verband met de aankoop van materialen voor de bouw van de woning. De vrouw heeft deze schulden betwist. Het hof houdt geen rekening met deze schulden, nu uit de verklaring van de heer [X] niet blijkt dat de man nog een bedrag van € 600,- verschuldigd is, zoals hij stelt, en uit het als productie 8 overgelegde overzicht zonder nadere toelichting en vertaling, die ontbreken, evenmin volgt dat de man nog een bedrag aan de heer [Y] moet betalen.

Nu niet is komen vast te staan dat de vrouw heeft bijgedragen aan de aankoopkosten van de grond, gaat het hof voor de waardering van de door de man aan de vrouw te betalen vergoeding uit van een percentage van 25% van het door de man opgebouwde vermogen, derhalve € 10.000,-. Om misverstanden tussen partijen te voorkomen wijst het hof partijen erop dat de man dit bedrag aan de vrouw is verschuldigd, naast het bedrag van € 950,- dat de man reeds op grond van de beschikking van de rechtbank van 22 maart 2017 aan de vrouw dient te betalen.

5.7

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij het verzoek van de vrouw om haar een vergoedingsrecht van 50% van de waarde van de woning in Marokko toe te kennen, is afgewezen en

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 10.000,- (zegge: tienduizend euro) ten titel van vergoeding op grond van artikel 49 Mudawwana;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.A. van den Berg, G.J. Driessen-Poortvliet en M.C. Schenkeveld, bijgestaan door mr. B.J. Voerman als griffier, en is op 24 april 2018 in het openbaar uitgesproken.