Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:146

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
17/00202
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermogensrendementsheffing (Box 3 Wet inkomstenbelasting 2001). Toets aan art. 1 Eerste Protocol EVRM. Voor het jaar 2013 concludeert het Hof dat het reële rendement op risicovrije beleggingen over een lange termijn in aanzienlijke mate afwijkt van het bij de invoering van de vermogensrendementsheffing voorziene (reële) rendement van 4%. Op ‘regelniveau’ is sprake van een schending van de op grond van art. 1 EP vereiste ‘fair balance’. De aan de wetgever toekomende (ruime) beoordelingsmarge en de rechtsstatelijke positie van de rechter houden in dat de wetgever enige tijd moet worden gegund om in de geconstateerde disbalans te voorzien. Gegeven de inkomens- en vermogenspositie van belanghebbende is in dit geval – naar het oordeel van het Hof – evenwel geen sprake van een individuele en excessieve last, zodat de aanslag inkomstenbelasting 2013 in stand blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-01-2018
FutD 2018-0262 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2018/0294 met annotatie van Sonja Dusarduijn
V-N Vandaag 2018/227

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 17/00202

23 januari 2018

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak van 20 maart 2017 in de zaak met kenmerk HAA 15/3615 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

(mr. C.J.M. van Gorkum)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 4 februari 2015 aan belanghebbende voor het

jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting/premie opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.311 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.447.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de inspecteur bij uitspraak van 21 juli 2015 de aanslag gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank heeft bij de uitspraak van 20 maart 2017 het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op 7 april 2017 hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft bij brief van 19 juni 2017 een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft bij brief van 22 juni 2017 een conclusie van dupliek ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft op 28 december 2017 een nader stuk ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018. Belanghebbende is met bericht aan het Hof niet verschenen. Van de zijde van de inspecteur is verschenen Van Gorkum voornoemd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak – waarin belanghebbende en de inspecteur zijn aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’– de volgende feiten vastgesteld.

“1. Eiser heeft bij op 19 februari 2014 ondertekend biljet aangifte ib/pvv 2013 gedaan. Voor zover hier van belang heeft eiser een totaal aan bezittingen aangegeven van € 157.330, geheel bestaande uit ‘bank- en spaartegoeden en premiedepots in Nederland’.

2. Verweerder heeft de aanslag overeenkomstig de aangifte opgelegd. Voor wat betreft het belastbare inkomen uit vermogen is verweerder uitgegaan van een rendementsgrondslag van € 136.191, zijnde de aangegeven bezittingen minus het van toepassing zijnde heffingsvrijvermogen van € 21.139. Dit heeft geleid tot een belastbaar inkomen uit vermogen van € 5.447.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof vult deze feiten als volgt aan.

2.2.1.

Het onder 1. van de rechtbankuitspraak vermelde bedrag van € 157.330 is de som van de (op hele euro afgeronde) saldi op 1 januari 2013 van door belanghebbende bij de [B-bank] volgens opgave van die bank aangehouden [rekening 1] (€ 1.213,52), [rekening 2] (€ 147.109,25) en [rekening 3] (€ 9.008,62).

2.2.2.

De in 2013 ontvangen rente over de onder 2.2.1. gemelde tegoeden beliep volgens opgave van de [B-bank] in totaal € 3.354. De over het aangegeven belastbaar inkomen uit sparen en beleggen geheven belasting beloopt € 1.634, derhalve 48,72 % van de volgens die opgave in 2013 genoten rente.

2.2.3.

Belanghebbende genoot in 2013 inkomsten uit vroegere dienstbetrekking ten bedrage van € 45.759. Hij bezat een eigen woning en had geen eigenwoningschuld. Zijn verzamelinkomen volgens de aangifte en de conform vastgestelde aanslag bedroeg € 48.758.

2.3.

Voorts neemt het Hof het volgende – als feiten van algemene bekendheid – in aanmerking:

2.3.1.

In het eindrapport van de Commissie Van Dijkhuizen, “Naar een activerender belastingstelsel” (raadpleegbaar via: www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/ 2013/06/18/eindrapport-commissie-inkomstenbelasting), is over de forfaitaire heffing over het inkomen uit sparen en beleggen (ook wel: box 3; artikel 5.2, Wet inkomstenbelasting 2001, tekst 2013, hierna: de Wet) onder meer het volgende vermeld (blz. 58-69):

“4.1 Achtergrond box 3

(…) Een nadeel van de forfaitaire heffing is dat het forfaitaire rendement af zal wijken van het daadwerkelijke rendement uit sparen en beleggen. Hierdoor kan de belastingheffing in de praktijk veel hoger of lager uitvallen dan 30 procent van het feitelijke rendement.
Dit geldt voor de langere termijn – het gemiddelde feitelijke rendement over de jaren hoeft niet gelijk te zijn aan het gemiddelde forfaitaire rendement – en meer nog voor de korte termijn. Bij een feitelijk rendement van 1,2 procent is het effectieve marginale tarief 100 procent en bij een feitelijk rendement van zes procent is het effectieve marginale tarief slechts twintig procent.
(…)

4.2.

Forfaitair rendement vergeleken met feitelijk rendement
Het percentage van vier procent is, anders dan het tarief, een min of meer objectief bedoeld percentage. Bij invoering van de Wet IB 2001 was dit een inschatting van een risicovrij reëel rendement dat men geacht werd gemiddeld over een langere periode eenvoudig te kunnen behalen. Het percentage beoogde aan de lage kant te zijn omdat – zonder tegenbewijsregeling – een incidentele onderschrijding van het gemiddelde rendement zwaarder weegt dan een incidentele overschrijding.
(…)
Nominaal rendement, inflatie en reëel rendement.
Belastingplichtigen ervaren een nominaal rendement op hun vermogen, bijvoorbeeld een spaarrente van twee procent of een koersstijging van tien procent. Uitgaan van het nominaal rendement voor het bepalen van inkomen heeft als belangrijke beperking dat geen rekening wordt gehouden met inflatie. Door inflatie neemt de waarde van het vermogen af. Bij een nominaal rendement (rente) van twee procent en een inflatie van eveneens twee procent levert een vermogen geen inkomsten op.
(…)
De SER constateerde voor de invoering van box 3 dat door de keuze van een matig forfaitair rendement er rekening wordt gehouden met de inflatie. De behandeling van het wetsvoorstel voor invoering van de Wet IB 2001 bevestigt dat bij introductie is uitgegaan van het reële risicovrije rendement. Toenmalig minister Zalm in een overleg met de Tweede Kamer: ‘De vier procent beoogt te zijn het reële rendement dat je op langere termijn met beleggen risicovrij moet kunnen halen. Dan kom je inderdaad uit bij de staatsobligatie als benchmark, als benaderingswijze van het rendement. Wij spreken dan wel over reëel rendement en niet over nominaal rendement.’
(…)
Feitelijk rendement sinds invoering box 3
Tabel 4.2.1 toont het feitelijke gemiddelde nominale en reële rendement op verschillende typen vermogen in box 3 in de jaren 2001 tot en met 2012. Als startjaar is 2001 gekozen omdat in dat jaar box 3 is ingevoerd. Er is bij deze opstelling bij gebrek aan geschikte bronnen geen rekening gehouden met kosten, zoals bewaarloon en transactiekosten (enkele tienden tot een half procent per transactie) bij aandelen en obligaties, beheerkosten bij beleggingsfondsen (een half procent tot enkele procenten per jaar) en kosten van vermogensbeheer. Aan het sparen op een spaarrekening of deposito zijn in de regel (vrijwel) geen kosten verbonden.

Onroerend goed is ondanks het substantiële aandeel in het box 3 vermogen niet opgenomen in de tabel vanwege een gebrek aan statistische informatie. Het is niet bekend of en in welke mate huur- en pachtinkomsten de kosten (…) overtreffen. Wel is informatie beschikbaar over een onderdeel van het rendement: de waardeontwikkeling van woningen. Ook voor overige vorderingen en schulden zou over het feitelijk rendement in belangrijke mate moeten worden gespeculeerd.

Tabel 4.2.1 Feitelijk gemiddeld nominaal en reëel rendement op sparen en beleggen 2001-2012 voor belastingen

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Gem. 2001-

2012

Nominaal rendement

Betaalrekening

0,4

0,5

0,6

0,5

0,5

0,5

0,7

0,8

0,5

0,4

0,5

0,5

0,5

Spaarrekening

3,5

3,2

2,8

2,7

2,5

2,4

2,7

2,9

2,6

2,0

2,2

2,2

2,6

Termijndeposito

3,6

3,3

3,7

3,6

3,6

3,6

3,8

4,2

4,4

3,6

3,6

3,6

3,7

Lange rente

5,0

4,9

4,1

4,1

3,4

3,8

4,3

4,3

3,7

3,0

2,9

2,0

3,8

Aandelen

- 19,2

-32,8

9,2

9,4

30,7

20,1

8,2

-49,5

34,3

18,0

- 9,7

12,6

- 0,9

Inflatie

4,6

3,4

2,1

1,2

1,7

1,1

1,6

2,5

1,2

1,3

2,3

2,5

2,1

Reëel rendement

Betaalrekening

- 4,0

- 2,8

- 1,5

- 0,7

- 1,2

- 0,6

- 0,9

- 1,7

- 0,7

- 0,8

- 1,8

- 1,9

- 1,6

Spaarrekening

- 1,0

- 0,2

0,7

1,5

0,7

1,3

1,0

0,4

1,4

0,7

- 0,1

- 0,3

0,5

Termijndeposito

- 1,0

- 0,1

1,6

2,3

1,9

2,4

2,1

1,7

3,1

2,2

1,2

1,1

1,6

Lange rente

0,3

1,4

2,0

2,9

1,6

2,7

2,6

1,7

2,5

1,7

0,6

- 0,5

1,6

Aandelen

- 22,8

-35,0

6,9

8,1

28,5

18,8

6,5

-50,7

32,8

16,5

-11,7

9,8

- 3,0

Bron: CPB, DNB, CBS, eigen berekeningen


Waar gesteld kan worden dat het gemiddelde nominale rendement op vermogen dat langdurig risicovrij is belegd (lange rente) in de buurt is gekomen van vier procent, geldt dit niet voor het gemiddelde jaarlijkse reële rendement. Dit lag met 1,6 procent aanzienlijk lager. Het gemiddelde reële rendement op spaarrekeningen, de grootste post in box 3, bedroeg 0,5 procent.

Het rendement op aandelen, bestaande uit dividend en koersresultaten, is sinds de invoering van box 3 negatief. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat het gemiddelde – als gevolg van de aanzienlijke verschillen tussen jaren – gevoelig is voor de gekozen periode. Figuur 4.2.1 [Hof: niet opgenomen] illustreert de schommelingen en toont de nominale vermogensontwikkeling naar type vermogen. Gemeten vanaf het dieptepunt in 2002 of vanaf het dieptepunt in 2008 was er op aandelen wel een positief rendement.
(…)

Effect heffingvrij vermogen box 3
Naast de doelmatigheidsredenen heeft het heffingvrije vermogen in box 3 als effect dat het forfaitaire rendement voor kleinere vermogens het meest wordt gematigd. (…) Het matigende effect is heel groot voor spaarders met een vermogen tot vlak boven het heffingvrije vermogen. Daarboven neemt het vrij snel af.
(…)

Tabel 4.2.2 [Hof: niet opgenomen] laat het rendement zien voor een aantal gefingeerde voorbeeldspaarders en een macro-inschatting. De kleine spaarder heeft weinig rendement gemaakt, maar door het heffingvrije vermogen is het forfaitaire rendement ook laag. (…)
De spaarder met ongeveer 100.000 euro vermogen zag zijn reële vermogen na belasting met gemiddeld 0,9 procent per jaar afnemen (cumulatief -5,8 procent sinds invoering van box 3).
(…)
Bij introductie van box 3 was de veronderstelling dat een risicovrij reëel rendement van vier procent relatief eenvoudig te halen zou zijn.
(…)
Sinds 2000 zijn de rendementen lager geworden. Het gemiddelde reële rendement op spaarrekeningen blijft wel licht positief. Als iemand in 1980 een bedrag op een spaarrekening bij de bank heeft gezet, is dat ‘vermogen’ in 2012 reëel meer waard geworden.
(…)
4.3 Voorstel om forfaitair rendement te koppelen aan gemiddelde voortschrijdende nominale spaarrente
De commissie constateert dat het feitelijke rendement sinds invoering van box 3 in aanzienlijke mate is achtergebleven bij het forfaitaire rendement. Dit was bij invoering van box 3 niet te voorzien.”; zie ook Kamerstukken II 2012/13, 33 447, nr. 2 (herdruk).

2.3.2.

Volgens gegevens van De Nederlandsche Bank (te vinden via de website van de bank: www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/financiele-markten/rentes) beliep het rendement op jongste 10-jarige staatsleningen

Ultimo %

2001 4,957

2002 4,891

2003 4,123

2004 4,091

2005 3,371

2006 3,78

2007 4,289

2008 4,233

2009 3,685

2010 2,985

2011 2,981

2012 1,93

2013 1,96

2014 1,45

2015 0,69

2016 0,29

2017 0,52

2.3.3.

Volgens gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (te vinden via de website http://statline.cbs.nl/Statweb/publication) bedroeg de jaarmutatie van de consumentenprijsindex

In %

2001 4,5

2002 3,4

2003 2,1

2004 1,2

2005 1,7

2006 1,1

2007 1,6

2008 2,5

2009 1,2

In %

2010 1,3

2011 2,3

2012 2,5

2013 2,5

2014 1,0

2015 0,6

2016 0,3

3 Geschil in hoger beroep

3.1.1.

In geschil is de vraag of de vermogensrendementsheffing van artikel 5.2, eerste lid, van de Wet naar haar aard of althans in het geval van belanghebbende in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP).

3.1.2.

In geschil is voorts – naar het Hof verstaat – of de vermogensrendementsheffing in strijd is met het verdragsrechtelijk vastgelegde non-discriminatiegebod.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen geheven belasting tot € 817 en de inspecteur tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

3.3.

Partijen doen hun standpunten voor het overige steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen en beslist:

“ 7. Artikel 5.2, eerste lid, van de Wet IB (tekst 2013) luidt als volgt:

“Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op 4% (forfaitair rendement) van de grondslag sparen en beleggen. De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen.”

8. Ingevolge artikel 2.13 van de Wet IB (tekst 2013) wordt over het voordeel uit sparen en beleggen belasting geheven naar een tarief van 30%.

9. De rechtbank zal eerst het beroep op het gelijkheidsbeginsel, en vervolgens het beroep op artikel 1 EP EVRM bespreken.

10. De rechtbank gaat voorbij aan eisers stelling dat in artikel 5.2 van de Wet IB ten onrechte geen onderscheid wordt gemaakt tussen rendement op spaargeld en rendement op overige beleggingen. Artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, bepaalt immers dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. Dat betekent dat de rechter gehouden is de wet te volgen, ongeacht het antwoord op de vraag of de wetgever in het licht van de vereisten van rechtvaardigheid of doelmatigheid de juiste keuzes heeft gemaakt of wellicht ook andere keuzes had kunnen maken, waaronder begrepen de omstandigheid dat de wetgever voormeld onderscheid niet heeft gemaakt en niet heeft voorzien in de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs.

11. Het vorenstaande laat onverlet dat op grond van artikel 94 van de Grondwet binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, zoals artikel 1 EP EVRM.

12. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:812) over de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2010 als volgt geoordeeld:

“2.3.1. De heffing van inkomstenbelasting over de inkomsten uit sparen en beleggen vindt met ingang van 2001 op forfaitaire wijze plaats in box 3. […] Dit forfaitaire stelsel is naar de opzet van de wetgever ‘robuust’ en daardoor enigszins ruw, aangezien het niet afhankelijk is gesteld van het werkelijke rendement van de bezittingen gedurende het jaar. De wetgever achtte dat uitgangspunt gerechtvaardigd omdat:

“daarmee op een globale maar aanvaardbare wijze zou kunnen worden aangesloten bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. In zoverre kan derhalve niet worden gesteld dat in het concept van de forfaitaire rendementsheffing geen rekening wordt gehouden met de omvang van de werkelijk genoten inkomsten uit vermogen.”

(Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 263).

2.3.2. Van dit forfaitaire stelsel kan, gelet op voormelde uitgangspunten, niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: het EP) (vgl. HR 28 oktober 2012, nr. 10/03727, ECLI:NL:HR:2011:BR0664, BNB 2011/297). Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 van het EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. […] Voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 van het EP is niet voldoende dat het rendement van bepaalde bezittingen – zoals in het onderhavige geval onder de huurbescherming vallende verhuurde woningen – structureel blijft beneden vier percent van het daarin geïnvesteerde bedrag, ook niet indien de bezittingen van de belastingplichtige in box 3 vooral uit dergelijke bezittingen bestaan.”

13. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 juni 2016 (ECLI:NL:HR2016:1129) over de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2011 als volgt geoordeeld:

“4.1.1. Bij de totstandkoming van box 3 met ingang van 2001 heeft de wetgever het forfaitaire rendement bepaald op vier percent. Dit percentage is niet afhankelijk gesteld van het werkelijke rendement van de bezittingen gedurende het jaar. De wetgever achtte dat gerechtvaardigd omdat:

“daarmee op een globale maar aanvaardbare wijze zou kunnen worden aangesloten bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. In zoverre kan derhalve niet worden gesteld dat in het concept van de forfaitaire rendementsheffing geen rekening wordt gehouden met de omvang van de werkelijk genoten inkomsten uit vermogen.”

(Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 263).

2.4.1.2. Van de wetgever mag worden verlangd dat een forfaitair stelsel, waaraan een zekere ruwheid inherent is, zodanig wordt vormgegeven dat daarmee wordt beoogd de werkelijkheid te benaderen (vgl. HR 12 mei 1999, nr. 33320, ECLI:NL:HR:AA2756, BNB 1999/271). Bij de vaststelling van het forfaitaire rendementspercentage op vier percent heeft de wetgever dan ook terecht aansluiting gezocht “bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen”.

2.4.1.3. Van het forfaitaire stelsel van box 3 kan, gelet op voormelde uitgangspunten, niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 EP. Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last (zie HR 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, BNB 2015/174). Indien deze onhaalbaarheid duidelijk zou worden en de wetgever ervoor kiest uit te blijven gaan van een forfaitair rendement, mag van hem worden verlangd dat hij de regeling aanpast teneinde de beoogde benadering van de werkelijkheid te herstellen.

[…]

2.5.2. Anders dan het middel betoogt is voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 EP niet voldoende dat het rendement van een bepaalde bezitting – in dit geval de woning – structureel blijft beneden de vier percent van het daarin geïnvesteerde vermogen. Het middel dat slechts het negatieve rendement van de woning in aanmerking neemt, faalt derhalve;[…]”

14. De Hoge Raad heeft in voormelde arresten geoordeeld dat het forfaitaire stelsel van de vermogensrendementsheffing voor de jaren 2010 en 2011 niet in strijd is met artikel 1 van het EP EVRM. Ter beoordeling ligt thans voor of het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent in 2013 niet meer haalbaar is voor particuliere beleggers en zo ja, of eiser door de in geding zijnde heffing wordt getroffen door een individuele en buitensporig zware last.

15. De rechtbank begrijpt dat eiser zich op het standpunt stelt dat een rendement van 4% in 2013 niet meer haalbaar is en dat hij daardoor wordt geconfronteerd met een buitensporig zware last. Verweerder betwist dit en voert in dat verband aan dat eiser zijn stellingen omtrent de feitelijke ontwikkeling van de rente onvoldoende heeft onderbouwd. Ook indien een haalbaar rendement van 2% tot uitgangspunt wordt genomen is er in het onderhavige geval van een buitensporig zware last geen sprake, aldus verweerder.

16. Uit voormelde arresten van de Hoge Raad moet worden afgeleid dat voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 EP EVRM niet voldoende is dat het rendement van bepaalde bezittingen structureel blijft beneden 4% van het daarin geïnvesteerde bedrag. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat uit het gebruik van de bewoording ‘vooral’ in plaats van ‘geheel of nagenoeg geheel’ in r.o. 2.3.2 van het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2015 volgt dat dit anders is in het geval de bezittingen geheel uit spaarsaldi bestaan omdat het gebruik van deze bewoording daarvoor geen aanknopingspunten biedt.

17. Bij gebreke van enige nadere onderbouwing en een beperking van zijn stellingen tot het rendement op spaartegoeden heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het door de wetgever voor een lange reeks van jaren voor particuliere beleggers veronderstelde rendement van 4% in 2013 niet meer haalbaar is. Gegeven dit oordeel komt de rechtbank niet toe aan de vraag of eiser door de aanslag ib/pvv 2013 wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. De rechtbank concludeert dat de vermogensrendementsheffing in het onderhavige jaar niet leidt tot schending van artikel 1 EP EVRM.

18. De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat de wetgever zich de maatschappelijke discussie over het rendement op spaarsaldi heeft aangetrokken en het systeem van de vermogensrendementsheffing in verband daarmee per 1 januari 2017 heeft gewijzigd. Dat heeft echter geen consequenties voor de aanslag ib/pvv 2013.

19. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Het Hof stelt om misverstanden te voorkomen voorop dat wanneer het Hof hieronder het woord ‘beleggingen’ gebruikt, het daaronder mede verstaat het aanhouden van gelden in de vorm van spaargeld op een bankrekening, en dat het Hof onder het woord ‘belegger(s)’ mede verstaat ‘spaarder(s)’.

Strijd met artikel 1 EP, toetsing op regelniveau

5.2.

Uit de door de rechtbank aangehaalde arresten van de Hoge Raad van 3 april 2014 (BNB 2015/174) en 10 juni 2016 (BNB 2016/177) volgt dat het stelsel van de vermogensrendementsheffing in strijd komt met artikel 1 EP indien komt vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last.

5.3.

Het Hof ziet zich gesteld voor de vraag welk type rendement destijds door de wetgever werd verondersteld en welke periode in ogenschouw moet worden genomen bij de beoordeling van de haalbaarheid van dat rendement als het gaat om de heffing over het jaar 2013. Bij de vraag welk type rendement in de beoordeling moet worden betrokken zijn twee aspecten te onderscheiden: (a) heeft de wetgever een bepaald soort beleggingen voor ogen gehad; en (b) dient daarbij te worden uitgegaan van een rendement gecorrigeerd voor inflatie?

5.3.1.

Met betrekking tot het in 5.3. bedoelde aspect (a)

5.3.1.1. In de parlementaire behandeling is het volgende vermeld:


“Uitgangspunt (…) was dat de forfaitaire rendementsheffing op een zodanige wijze zou moeten worden vormgegeven dat daarmee op een globale maar aanvaardbare wijze zou kunnen worden aangesloten bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een wat langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen

zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. In zoverre kan derhalve niet worden gesteld dat in het concept van de forfaitaire rendementsheffing geen rekening wordt gehouden met de omvang van de werkelijk genoten inkomsten uit vermogen.

Mede tegen deze achtergrond bezien is in het wetsvoorstel niet geopteerd voor een benadering waarbij de hoogte van de [het Hof leest: het] forfaitaire rendement elk kalenderjaar opnieuw zou moeten worden vastgesteld, maar voor een benadering waarbij wordt uitgegaan van een gemiddeld haalbaar rendement dat in verband daarmee ook voor een langere periode vast zou moeten staan. Voordeel daarvan is niet alleen dat daarmee aan belastingplichtigen vooraf een grote mate van zekerheid kan worden geboden omtrent het te betalen belastingbedrag, maar ook en vooral dat door het hanteren van een langjarig vaststaand percentage een zeer stabiele belastingopbrengst kan worden gegarandeerd.
(…)

Bij de vaststelling van de hoogte van het forfaitair in aanmerking te nemen rendement is voorts rekening gehouden met het feit dat vanwege het ontbreken van een tegenbewijsregeling – een regeling die niet past in het concept van het forfaitaire rendement (…) – een incidentele onderschrijding van het gemiddelde rendement zwaarder weegt dan een incidentele overschrijding. Deze benadering heeft ertoe geleid om een forfaitair rendement van 4% voor te stellen. Dit percentage komt overeen met het langjarige rendement dat door een ieder kan worden behaald. De hoogte van het rendement dat zonder risico kan worden behaald – te denken valt aan staatsobligaties – is daarbij leidend. Voor zover er gemiddeld meer rendement kan worden behaald, hangt dit veelal samen met het nemen van meer risico. Het additionele rendement dat samenhangt met het nemen van extra risico wordt binnen het forfaitaire rendement als zodanig niet belast (met dien verstande dat dit additionele rendement wel tot de heffingsgrondslag gaat behoren waarover het forfaitaire rendement in de toekomst jaarlijks zal worden berekend). Daar staat dan tegenover dat met eventuele lagere rendementen of verliezen op risicovolle beleggingen ook geen rekening

hoeft te worden gehouden.” (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 263-264).


5.3.1.2. In het arrest BNB 2015/174 is overwogen dat het, gegeven de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, voor een inbreuk op artikel 1 EP niet voldoende is dat het rendement van bepaalde bezittingen structureel blijft beneden vier percent van het daarin geïnvesteerde bedrag, ook niet indien de bezittingen van de belastingplichtige in box 3 vooral uit dergelijke bezittingen bestaan (r.o. 2.3.2); in deze zin ook r.o. 2.5.2 van het arrest BNB 2016/177. Deze overwegingen houden naar het oordeel van het Hof niet in dat bij de beoordeling van de haalbaarheid van het forfaitair rendement van vier percent bezien moet worden wat voor een lange reeks van jaren het rendement is op (een mix van) alle categorieën van (gangbare) particuliere beleggingen, waaronder met name spaartegoeden, obligaties, aandelen en onroerend goed. Uit – onder meer – het onder 5.3.1.1. aangehaalde citaat van de parlementaire behandeling leidt het Hof af dat de wetgever bij de vaststelling van de hoogte van het forfaitair rendement voor ogen heeft gehad dat dat rendement haalbaar moet zijn voor een particuliere belegger die weinig risico wenst te nemen. Beleggingen in aandelen en onroerende zaken passen niet in dat profiel. Voor de beoordeling van de hiervoor bedoelde haalbaarheid zal het Hof zich derhalve oriënteren op beleggingen in spaarrekeningen, staatsleningen en staatsobligaties.

5.3.2.

Met betrekking tot het onder 5.3. bedoelde aspect (b)


5.3.2.1. In het rapport van de Commissie Van Dijkhuizen (hierna ook: het rapport) is helder uiteengezet wat onder nominaal rendement en reëel rendement is te verstaan (zie onder 2.3.1.). Tot een nominaal rendement behoort ook een inflatiecomponent (indien en voor zover er inflatie is). Een reëel rendement is uitsluitend het rendement dat draagkrachtvermeerderend is; dat wil zeggen met eliminatie van een (eventueel) inflatiebestanddeel. Volgens het rapport berust het bij invoering van de vermogensrendementsheffing vastgestelde percentage van 4% op een inschatting van een risicovrij reëel rendement dat men geacht werd gemiddeld over een langere periode eenvoudig te kunnen behalen. In het rapport is dit geadstrueerd met een verwijzing naar een verslag van een algemeen overleg van de vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer van 15 december 1999; hierin is het volgende vermeld:


“Minister Zalm: (…) Dan de 4%. Ik ben erkentelijk voor de waardering die is geuit over de wat uitvoeriger uiteenzetting hierover. De 4% beoogt te zijn het reële rendement

dat je op langere termijn met beleggen risicovrij moet kunnen halen. Dan kom je inderdaad uit bij de staatsobligaties als benchmark, als benaderingswijze van het rendement.
Wij spreken dan wel over reëel rendement en niet over nominaal rendement. In 1995 is er

een rapport verschenen over de disconteringsvoet bij kostenbatenanalyses, waarbij natuurlijk

precies hetzelfde probleem speelt. Dan moet je ook een reëel risicovrij rendement hebben.
Ik zal niet de precieze samenstelling van de studiegroep geven, maar er zaten wel allerlei goede mensen in. De studiegroep heeft de regering geadviseerd, 4% te nemen. Dat is in 1995 overgenomen door het vorige kabinet. Ik kan wel een paar cijfers geven. Als je de Duitse reële rente over de afgelopen 25 jaar neemt, zit je precies op 4%. Voor Nederland hangt het een beetje van de periode af. Je komt tot iets boven of iets onder de 4%, afhankelijk van de

indeling van de periode. Ik denk dat de 4% een vrij stevig percentage is.
Als je heel ver teruggaat in de geschiedenis, toen het verschijnsel inflatie nog niet bestond – als systematisch verschijnsel bestaat het pas vrij recent – kom je ook rentevoeten tegen die rond 4% circuleren. 5 is dan een hoog percentage en 3 is dan een laag percentage.
Het beweegt zich altijd rond 4%. Ik denk dat dit percentage een aardige tijd mee kan gaan,

bijvoorbeeld de eerste eeuw van het volgende millennium of het eerste kwart van de volgende eeuw. Juist omdat het een reëel rendement is, is het heel moeilijk om van jaar op jaar

een koppeling te maken. Je kunt wel de nominale rente nemen en daarvan de inflatie aftrekken, maar bij de reële rente gaat het natuurlijk om de toekomstige inflatie, dus om

de verwachtingscomponent. Bij indexleningen kun je het heel zuiver meten. Wij hebben nu echter geen indexleningen. Bij indexleningen kun je gewoon het reële rendement op

staatsobligaties van dag tot dag volgen via de beurskoers van die indexlening. Ook dan zie je dat het percentage meestal in de buurt van de 4 schommelt. Dat zie je bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk. Het reëel rendement op staatsobligaties is natuurlijk niet volstrekt constant. Los van de inflatieverwachtingen, die kunnen fluctueren, kan ook het reëel

rendement zelf fluctueren, afhankelijk van de conjunctuur. In een wat hogere conjunctuur heb je wat meer spanningen op de kapitaalmarkt en een wat hoger reëel rendement op

staatsobligaties dan in een wat lagere conjunctuur. Ik denk dan ook dat de 4% redelijk robuust is. Ik pleit er niet voor, het percentage met grote regelmaat te herzien.”, Kamerstukken II 1999/2000, 26 727 en 26 728, nr. 8, p. 26-27.


5.3.2.2. De hiervoor aangehaalde passage bevestigt, zoals onder 5.3.1.2. is overwogen, dat de hoogte van het forfaitair rendement is gebaseerd op het rendement dat op langere termijn met betrekkelijk risicoloos beleggen kan worden behaald. Het gaat dan om het reële rendement.
Het Hof heeft geen reden te veronderstellen dat de Minister destijds met de begrippen reëel rendement en nominaal rendement iets anders heeft bedoeld dan de Commissie Van Dijkhuizen (als vermeld onder 2.3.1.). Dit betekent dat de wetgever de hoogte van het forfaitair rendement bij invoering van de Wet heeft gebaseerd op de (reële) rente die (uitsluitend) draagkrachtvermeerderend is. Daaraan staat niet in de weg dat in de reële rente – zo begrijpt het Hof – een verwachting omtrent toekomstige inflatie tot uiting komt.

5.3.2.3. Naar het oordeel van het Hof kan uit de parlementaire behandeling niet worden afgeleid dat de wetgever de hoogte van het forfaitair rendement (mede) op een nominalistische grondslag heeft gebaseerd, waarbij geen rekening zou moeten worden gehouden met het draagkrachtverminderende effect van inflatie. Weliswaar is in de kamerstukken sprake van een voorbeeld dat betrekking heeft op de invloed van inflatie op het reële rendement en is in dat verband een heffing over een lager dan het forfaitaire rendement afgewezen, maar daarbij ging het over de vraag of een heffing naar forfaitair rendement in combinatie met een tegenbewijsregeling wenselijk zou zijn, en niet over de onderbouwing van het voorgestelde forfaitair rendement als zodanig. Waar het de wetgever in dit verband om ging was dat het – in het kader van het voorgestelde robuuste stelsel, als eenmaal de hoogte van het forfaitair rendement wettelijk was vastgesteld – niet de bedoeling kon zijn om door middel van een tegenbewijsregeling met incidentele rentefluctuaties rekening te houden (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 279-280).

5.4.

Met betrekking tot de onder 5.3. vermelde aspecten dient derhalve naar het oordeel van het Hof bij de beoordeling van de haalbaarheid van het forfaitair rendement van 4% te worden gekeken naar het reële rendement op (betrekkelijk) risicovrije beleggingen (spaarrekeningen, staatsleningen en -obligaties) over een lange termijn; dat wil zeggen: ten minste vanaf de invoering van de vermogensrendementsheffing tot het onderhavige jaar (2013) en bij voorkeur door daarbij mede één of meerdere gegevens die betrekking hebben op een nog langere periode in aanmerking te nemen. Op deze wijze is het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement te vergelijken met het inmiddels, voor een lange reeks van jaren, feitelijk gerealiseerde rendement en met een in 2013 redelijkerwijs bestaande verwachting daaromtrent.

5.5.

Uitgaande van het onder 5.4. geformuleerde criterium zijn de gegevens relevant omtrent

het reëel rendement zoals die zijn te vinden in tabel 4.2.1 van het onder 2.3.1. geciteerde rapport van de commissie Van Dijkhuizen en de gegevens weergegeven onder 2.3.2. en 2.3.3. Deze gegevens wettigen naar ’s Hofs oordeel de conclusie dat het reële rendement op risicovrije beleggingen (spaarrekeningen, staatsleningen en -obligaties) over een lange termijn in aanzienlijke mate afwijkt van het bij de invoering van de vermogensrendementsheffing voorziene (reële) rendement van 4%, en moet op basis daarvan worden geconcludeerd dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particulieren in 2013 – en beoordeeld over een lange tijdsperiode, teneinde incidentele fluctuaties te elimineren – niet meer haalbaar is. Een en ander behoudens tegenbewijs door de inspecteur.

5.6.

Het oordeel onder 5.5. wordt evenwel niet weerlegd door de gegevens die de inspecteur heeft geproduceerd. Die gegevens – ontleend aan de Memorie van Toelichting bij het Belastingplan 2016 (Kamerstukken II, 2015/16, nr. 3, pag. 9 e.v.) en Bijlage A bij dat kamerstuk - hebben gedeeltelijk betrekking op (een mix van) obligaties, aandelen en onroerend goed en zijn niet goed bruikbaar, omdat beleggingen in aandelen en onroerend goed niet als risicovrije beleggingen kunnen worden beschouwd. Voor zover die gegevens betrekking hebben op staatsobligaties bevestigen die gegevens veeleer het onder 5.5. geconstateerde lage rendement op dat type belegging. Voor zover de inspecteur zich erop heeft beroepen dat het langetermijngemiddelde van het rendement op staatsobligaties volgens de hiervoor bedoelde Bijlage A terugkeert naar een gemiddelde van rond de 4% merkt het Hof op dat - nog daargelaten dat niet duidelijk is of hiermee op het reële rendement is gedoeld - slechts sprake lijkt te zijn van een niet onderbouwde aanname.

5.7.

Naar het oordeel van het Hof is het voor het jaar 2013 aannemelijk geworden verschil tussen het bij invoering van de Wet veronderstelde reële rendement en het – bezien over een lange reeks van jaren – gerealiseerde rendement van een zodanige omvang dat, op regelniveau, niet meer kan worden gesproken van een redelijke en proportionele verhouding tussen het op zichzelf gerechtvaardigde algemeen belang van de staat bij het genereren van belastingopbrengst en het belang van de individuele burger daaraan niet meer dan zijn of haar ‘fair share’ te moeten bijdragen. Bij de reële rendementen zoals die volgen uit de gegevens opgenomen onder 2.3.1., 2.3.2. en 2.3.3. (zie 5.5.) kan een heffing van 1,2% daarvan redelijkerwijs niet (meer) als een (proportioneel) ‘fair share’ worden beschouwd. Alsdan wordt bij particuliere beleggers, in absolute zin, een zodanig omvangrijk deel van het (reële) rendement op hun beleggingen aan de heffing van inkomstenbelasting onderworpen, dat die beleggers daarmee (op regelniveau) worden geconfronteerd met een buitensporige last.

5.8.

Aan de vraag of hier sprake is van een zodanige schending van de fair balance op regelniveau dat dit niet zonder gevolgen kan blijven voor de aan belanghebbende opgelegde aanslag, komt het Hof evenwel niet toe. Naar het oordeel van het Hof houden de aan de wetgever toekomende ruime beoordelingsmarge op het gebied van het belastingrecht en de rechtsstatelijke positie die wetgever en rechter ten opzichte van elkaar innemen in, dat de wetgever enige tijd moet worden gegund om in een situatie die op zichzelf een schending inhoudt van artikel 1 EP, daaraan een einde te maken. Bovendien is de vermogensrendementsheffing met ingang van 1 januari 2017 gewijzigd, teneinde tegemoet te komen aan bezwaren tegen de hoogte van het bij invoering van de Wet vastgestelde forfaitair rendement, en de vraag of die wijziging adequaat is gaat de omvang van het geschil in de onderhavige zaak te buiten.

Strijd met artikel 1 EP, (aanvullende) toetsing op zaaksniveau

5.9.

Het vorenstaande laat onverlet dat het Hof nog dient te toetsen of in het geval van belanghebbende sprake is van een ‘individual and excessive burden’. Indien dat het geval is kan de aan belanghebbende opgelegde aanslag ondanks de aan de wetgever toekomende beoordelingsmarge niet in stand blijven.

5.10.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een individuele en excessieve last kan – anders dan belanghebbende voorstaat – het heffingvrije vermogen niet buiten aanmerking blijven. De heffing over belanghebbendes belastbare inkomen uit sparen en beleggen beloopt alsdan ruim 48% van de door belanghebbende volgens opgave van de [B-bank] in 2013 genoten rente (zie 2.2.2.). Het reële rendement dat belanghebbende in 2013 heeft genoten is evenwel als gevolg van de inflatie aanzienlijk lager dan de door hem genoten rente. De jaarmutatie in de consumentenprijsindex was immers hoger dan het door hem genoten rentepercentage. Uit de gegevens opgenomen in 2.3.1, 2.3.2. en 2.3.3 volgt voorts dat belanghebbende in 2013 geen wezenlijk hoger reëel rendement zou hebben gerealiseerd indien hij zijn vermogen in dat jaar (deels) op andere betrekkelijk risicoloze wijze zou hebben belegd en dat de jaren rondom 2013 hetzelfde beeld vertonen. Van de mogelijkheid te komen tot vermogensaanwas in reële zin met betrekkelijk risicoloze beleggingen was dan ook reeds vóór belastingheffing niet of nauwelijks sprake.

5.11.

Hetgeen is overwogen onder 5.10. rechtvaardigt evenwel nog niet de conclusie dat belastingheffing in box 3 overeenkomstig de wet bij belanghebbende een individuele en excessieve last vormt. Een dergelijk oordeel is namelijk niet alleen afhankelijk van de omvang van de heffing over het desbetreffende inkomensbestanddeel; de totale inkomens- en vermogenspositie van de desbetreffende belastingplichtige dient mede in de beschouwing te worden betrokken.

5.12.

In het licht van hetgeen uit de stukken van het geding bekend is over belanghebbendes inkomens- en vermogenspositie (zie 2.2.3.) is de omstreden heffing over belanghebbendes box 3-inkomen (die volgens hem zou moeten worden gehalveerd tot € 817) op zichzelf beschouwd niet van een dergelijk grote omvang dat die heffing kwalificeert als een individuele en excessieve last. Feiten en omstandigheden die desalniettemin in het geval van belanghebbende tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn niet gesteld.

Strijd met het non-discriminatiegebod (het verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel)

5.13.

Belanghebbende betoogt dat beleggers die hun vermogen op andere wijze dan in spaargelden beleggen ten onrechte hetzelfde worden behandeld als degenen die uitsluitend spaargeld hebben en dat de wetgever voor personen met uitsluitend spaargeld een ander systeem had kunnen en moeten kiezen om zijn doelstellingen te behalen.

De wetgever heeft bij de vormgeving van de vermogensrendementsheffing bewust gekozen voor een ‘robuust’ systeem waarbij alle in box 3 vallende bezittingen van een belastingplichtige die in economische zin rendement kunnen opleveren onder de reikwijdte van het forfaitaire rendement vallen. Daarbij is tot de wetswijziging met ingang van 1 januari 2017 uitgegaan van één ongedifferentieerd forfaitair rendementspercentage van 4 ongeacht de soort bezittingen van een belastingplichtige. Die keuze van de wetgever – vanuit het oogpunt van eenvoud en om belastingontwijking zoveel mogelijk te voorkomen (Kamerstukken II, 1998/99, 26 727, nr. 3, pag. 38) – is niet van redelijke grond ontbloot. De keuze om personen met uitsluitend spaargeld en andere beleggers gelijk te behandelen in box 3 ligt dus binnen de ruime beoordelingsmarge die de wetgever heeft. Het non-discriminatiegebod van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of enige andere Nederland bindende bepaling van Europees of internationaal recht met een inhoud van gelijke strekking als gemeld artikel 14 is daarom niet geschonden. Dat de wetgever andere keuzes had kunnen maken maakt dat niet anders. Voor de vraag of het verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel is geschonden gaat het er niet om of gelet op de doelstellingen een andere keuze beter was geweest. Het gaat er slechts om of de wel gemaakte keuze al dan niet binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever valt.

Slotsom

5.14.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 in verbinding met artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, N. Djebali en M. Greebe, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier. De beslissing is op 23 januari 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.