Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:145

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
17/00025
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting; naheffingsaanslag is opgelegd op basis van gegevens van een scanauto; geen strijd met artikel 8 EVRM omdat geen sprake is van een inmenging in het privéleven; heffingsambtenaar maakt verder aan de hand van het door hem overgelegde scanoverzicht aannemelijk dat de auto stilstond op een ‘fiscale parkeerplaats’ zonder dat daarvoor parkeerbelasting was voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-08-2018
FutD 2018-2307
V-N Vandaag 2018/1809
V-N 2018/49.19.7
NTFR 2018/2062 met annotatie van mr. drs. C.M. Dijkstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 17/00025

23 januari 2018

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer

tegen de uitspraak van 14 december 2016 in de zaak met kenmerk AMS 16/1873 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 april 2015 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 59,90 (€ 5 parkeerbelasting en € 54,90 kosten; hierna: de Naheffingsaanslag).

1.2.

Belanghebbende heeft daartegen op 10 juni 2015 bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak van 15 maart 2016 de Naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank heeft bij de uitspraak van 14 december 2016 het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op 22 januari 2017 hoger beroep ingesteld en dat bij faxbericht van 15 februari 2017 gemotiveerd. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft bij faxbericht van 30 december 2017 nadere stukken ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018. Namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. B. Brekveld. Zonder bericht aan het Hof zijn belanghebbende noch zijn gemachtigde verschenen. Blijkens gegevens van PostNL – in te zien via het internet – is de naar de gemachtigde op 11 december 2017 per aangetekende post verzonden uitnodiging om op de zitting te verschijnen op 14 december 2017 bezorgd op het adres van de gemachtigde. Gemachtigde is aldus tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd, zodat de zitting doorgang kon vinden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1.

In de gemeente Amsterdam wordt de controle op het betalen van parkeerbelasting (mede) uitgevoerd met behulp van een zogenoemde “scanauto”, die de kentekens van de auto’s die geparkeerd staan registreert en vergelijkt met de in de parkeerapparatuur opgeslagen gegevens van geparkeerde auto’s.

2.2.

Op 25 april 2015 omstreeks 15.04 uur, heeft een scanauto geregistreerd dat de auto van belanghebbende, met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto), stilstond op de locatie Nieuwezijds Voorburgwal te Amsterdam ter hoogte van huisnummer 142 (hierna: de locatie), zonder dat er parkeerbelasting was voldaan. Ingevolge de Verordening Parkeerbelastingen 2016 van de gemeente Amsterdam (Gemeenteblad 2015, afd. 3A, nr. 321/1261, hierna: de Verordening) is in geval van parkeren op die locatie op dat tijdstip parkeerbelasting verschuldigd.

2.3.

Tot de gedingstukken behoort een afschrift uit de digitale systemen van Cition B.V., waarop onder meer de volgende gegevens staan vermeld:

“(…)

Scanned 2015 apr 25 – 15:04:40

(…)

Parked Y

Process status Gereed

(…)

Team (CADDY07) Caddy 7

(…)

Scan car Caddy07 – cition - caddy07

(…)

GPS 52.3748173374N, 4.8915608871E

Adress Nieuwezijds Voorburgwal (P)

From To

15:04:40 Initieel 15:04:43 Gescand

15:04:43 Gescand 15:09:48 Verdacht

15:09:48 Verdacht 15:10:13 Wacht op handhaver

15:10:13 Wacht op handhaver 15:13:39 Controle door handhaver

15:13:39 Controle door handhaver 15:13:52 Gereed”

2.4.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de Naheffingsaanslag. Omtrent de activiteiten van de scanauto en de parkeercontroleurs in kwestie is in de uitspraak op bezwaar het volgende vermeld:

De overwegingen

(…) De controleurs hebben gemeld gekregen van de scanauto, die alle voertuigkentekens al rijdend controleert, dat er geen parkeerrecht was voor deze auto. Vervolgens stelden de controleurs negen minuten later vast dat het voertuig op een fiscale parkeerplek stond geparkeerd en dat er geen sprake was van laden en lossen waarna terecht tot het opleggen van een naheffingsaanslag werd overgegaan.

Bij het behandelen van een bezwaarschrift wordt in beginsel uitgegaan van de waarneming van de parkeercontroleurs. (…)”

2.5.

In het kader van de bezwaarprocedure is belanghebbende op 9 maart om 9.00 telefonisch gehoord. Van dit gesprek is geen afzonderlijk verslag opgemaakt. Over dit horen is in de uitspraak op bezwaar nog wel het volgende vermeld:

Uw argumenten

(…) Tijdens de hoorzitting heeft u aangegeven dat het voertuig stil stond op een fietsstrook en dat het voertuig dubbel stond.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil:

  1. of de heffingsambtenaar heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), doordat de Naheffingsaanslag (mede) is vastgesteld op basis van door een scanauto vergaarde gegevens;

  2. of de auto stilstond op een fiscale parkeerplaats, en

  3. of de auto niet langer heeft stilgestaan dan nodig was voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen dan wel het onmiddellijk in- of uitstappen van personen.

3.2.

Voorts is nog in geschil:

  1. of de beslissing van de rechtbank in strijd is met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in die zin dat zij kennis zou hebben genomen van stukken (te weten foto’s en een plattegrond) die niet tot de gedingstukken behoren;

  2. of de heffingsambtenaar in strijd heeft gehandeld met artikel 7:9 van de Awb, doordat hij de beschikking zou hebben gehad over een waarneming van de parkeercontroleurs welke belanghebbende niet bekend is, en

  3. of de heffingsambtenaar in strijd heeft gehandeld met artikel 7:7 van de Awb, doordat hij van het telefonisch horen geen (afzonderlijk) verslag heeft opgemaakt.

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak – waarin belanghebbende en de heffingsambtenaar zijn aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’ – omtrent het geschil als volgt overwogen en beslist:

“5. Hetgeen partijen verdeeld houdt, is het antwoord op de vraag of het belastbare feit, het parkeren, zich heeft voorgedaan. De bewijslast hieromtrent ligt bij de heffingsambtenaar.

6.1.

Op grond van artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening wordt onder ‘parkeren’ verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Deze definitie is vrijwel gelijkluidend aan de definitie van parkeren die in artikel 225 van de Gemeentewet is opgenomen.

6.2.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Verordening is de parkeerbelasting verschuldigd bij de aanvang van het parkeren.

7. De rechtbank stelt vast dat uit de door verweerder overgelegde gegevens van de scanauto blijkt dat het voertuig van eiser met kenteken [kentekennummer] om 15:04 uur voor het eerst is gescand op de locatie met GPS-coördinaten 52.3748173374N,4.8915608871E en daarna gedurende in ieder geval ongeveer negen minuten op deze locatie heeft gestaan. Deze GPS-coördinaten komen overeen met een fiscale parkeerplaats aan de Nieuwezijds Voorburgwal ter hoogte van huisnummer 142. Op grond van de door verweerder overgelegde gegevens van de scanauto, bezien in combinatie met de door verweerder overgelegde foto van de situatie ter plaatse, de plattegrond en de ter zitting gegeven toelichting waaronder de verklaring dat geen van de controleurs heeft waargenomen dat de auto op de fietsstrook stond, is naar het oordeel van de rechtbank door verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser heeft geparkeerd op een fiscale parkeerplaats. Eiser heeft daartegenover wel gesteld dat hij gedeeltelijk op de fietsstrook heeft gestaan, maar hij heeft die stelling niet nader onderbouwd, zodat deze wordt verworpen.

8. Verweerder heeft eveneens voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is geweest van parkeren, en niet van laden en lossen of het in- of uitstappen van personen. Bij geen van de controles op 15:04 uur en 15:13 uur zijn laad- en losactiviteiten of in- of uitstappende personen waargenomen. Die omstandigheid rechtvaardigt in beginsel het vermoeden dat er ook daadwerkelijk geen sprake was van laden en lossen of in- of uitstappen, tenzij er feiten en omstandigheden zijn gesteld die het laden en lossen of het in- of uitstappen aannemelijk maken. Eiser heeft geen zodanige feiten en omstandigheden gesteld. Zo heeft eiser geen inzicht gegeven in de omvang en het gewicht van de lading en de plaats waar het naartoe of vandaan is vervoerd of om welke in- of uitstappende passagiers het hier op beide tijdstippen ging. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van laden en lossen of in- of uitstappen en was er dan ook sprake van parkeren als in artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening op grond waarvan eiser parkeerbelasting verschuldigd was

9. Verder is niet gebleken dat er extra informatie door verweerder is verkregen van de parkeercontroleur zoals gesteld door eiser. Verweerder heeft ter zitting ook toegelicht dat dit niet het geval is. Nu van feiten en/of omstandigheden die pas ná de telefonische hoorzitting van 9 maart 2016 bekend zijn geworden geen sprake is, is artikel 7:9 van de Awb niet geschonden. Voor zover eiser heeft gesteld dat er een verslag van de (telefonische) hoorzitting ontbreekt, oordeelt de rechtbank dat uit artikel 7:7 van de Awb weliswaar volgt dat van het horen een verslag wordt opgemaakt, maar dat de wet niet voorschrijft in welke vorm het verslag dient te worden gegoten en hoe uitgebreid het dient te zijn. Ook is er geen wettelijke verplichting het verslag aan een belanghebbende toe te zenden alvorens een uitspraak op bezwaar te nemen. Uit hetgeen door eiser naar voren is gebracht, is de rechtbank niet gebleken dat de korte weergave van de hoorzitting zoals neergelegd in de uitspraak op bezwaar onjuist of onvolledig is. Van schending van artikel 7:7 van de Awb is dan geen sprake.

10. Nu is vastgesteld dat sprake is van parkeren in de zin van de Verordening en door eiser niet is betwist dat hij geen parkeerbelasting heeft voldaan, heeft het belastbaar feit zich voorgedaan en is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat bij die uitkomst geen aanleiding.”

5. Beoordeling van het geschil

Artikel 8 EVRM (recht op privé-, familie- en gezinsleven)

5.1.

Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 8 EVRM heeft gehandeld doordat de Naheffingsaanslag (mede) is vastgesteld op basis van door scanauto’s vergaarde gegevens. De wijze waarop de heffingsambtenaar de voor de Naheffingsaanslag benodigde gegevens heeft vergaard ontbeert, aldus belanghebbende, een wettelijke basis. Evenmin bestaat een wettelijke basis waaraan de heffingsambtenaar systematische controlebevoegdheden kan ontlenen. Bovendien heeft de heffingsambtenaar niet de bevoegdheid tot het opslaan en systematisch vaststellen en bewaren van deze gegevens. Dit alles maakt, aldus nog steeds belanghebbende, dat de scangegevens die zijn opgenomen in het dossier niet ten grondslag mogen worden gelegd aan de naheffingsaanslag.

5.2.

Het Hof stelt voorop dat de gemeenteraad bevoegd was de Verordening vast te stellen. Naar het oordeel van het Hof is daarmee tevens een controlebevoegdheid gegeven op de naleving van de Verordening: de heffingsambtenaar mag controleren of de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan. De controlebevoegdheid kent echter grenzen, gesteld door wet, verdrag en algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Belanghebbende stelt dat de grens getrokken door artikel 8 EVRM is overschreden.

5.3.

Artikel 8, eerste lid, EVRM bepaalt – voor zover hier van belang – dat “een ieder (…) recht [heeft] op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven”. In het tweede lid van artikel 8 wordt vervolgens bepaald dat “geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid [Hof: en enige andere opgesomde belangen]”. Een schending van artikel 8 EVRM vindt plaats indien sprake is van (a) een inmenging als bedoeld in het tweede lid, die (b) niet gerechtvaardigd wordt door één van de in dat lid genoemde belangen. Allereerst dient derhalve de vraag te worden beantwoord of in dit geval sprake is van een inmenging.

5.4.

Naar het oordeel van het Hof heeft zich in het onderhavige geval geen inmenging in de zin van artikel 8 EVRM voorgedaan. De controles door middel van scanauto’s zijn aan te merken als waarnemingen in de publieke ruimte die op zichzelf geen inmenging opleveren.

De redelijke verwachtingen van belanghebbende omtrent zijn privacy zijn in dit opzicht niet geschaad. Belanghebbende kon juist verwachten dat controle van de parkeerbelasting zou plaatsvinden en dat ten behoeve hiervan het kenteken van de auto zou worden geregistreerd. De omstandigheden dat de controle langs elektronische weg plaatsvind en dat de gescande gegevens langs die weg worden vergeleken met de in de parkeerapparatuur opgeslagen gegevens, maakt dat niet anders, ook niet indien, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, de scangegevens aan de hand waarvan naheffingsaanslagen parkeerbelasting zijn opgelegd (enige tijd) in een database worden vastgelegd en bewaard. Deze gegevens vormen het bewijsmateriaal voor de heffingsambtenaar ter onderbouwing van de desbetreffende naheffingsaanslag(en). Het Hof acht niet aannemelijk geworden dat deze gegevens op systematische wijze worden verzameld en bewaard met (mede) het doel om aan de hand van een analyse van die gegevens per voertuig een beeld te krijgen van verplaatsingen daarvan.

5.5.

Gelet op het vorenstaande komt het Hof niet toe aan de beantwoording van de tweede vraag, te weten of sprake is van rechtvaardigingsgronden (zie hiervoor onder 5.3). Het Hof komt tot de conclusie dat geen sprake is van een schending van artikel 8 EVRM en dat de bedoelde scangegevens kunnen worden gebruikt als grondslag voor de Naheffingsaanslag.

Fiscale parkeerplaats

5.6.

Op basis van de door de heffingsambtenaar ingebrachte gegevens (zie onder 2.2 en 2.3) komt het Hof voorts tot het oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de auto op de locatie en - anders dan belanghebbende stelt - niet op de fietsstrook stilstond.

5.7.

In dit verband acht het Hof met name het scanoverzicht van belang. Op grond hiervan, mede gelet op hetgeen de heffingsambtenaar overigens gesteld en verklaard heeft, acht het Hof aannemelijk dat (i) om 15:04 de auto ter hoogte van de locatie is gescand door de scanauto, (ii) uit die scan is gebleken dat de auto stilstond op een fiscale parkeerplaats zonder dat er parkeerbelasting was voldaan, (iii) om 15:13 een parkeercontroleur op een scooter een controle heeft uitgevoerd en de auto stilstaand heeft aangetroffen op de locatie zonder dat er parkeerbelasting was voldaan, en (iv) dat de auto daar minimaal negen minuten stond zonder dat er parkeerbelasting was voldaan.

5.8.

Het Hof overweegt verder dat, in tegenstelling tot hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, het geen reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze door de heffingsambtenaar ingebrachte gegevens. Belanghebbende heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de door de parkeercontroleur in acht genomen objectiviteit en onafhankelijkheid. Het enkele feit dat dat Cition B.V. (zie 2.3) een commerciële onderneming exploiteert, is daartoe onvoldoende.

Onmiddellijk laden en lossen van zaken of onmiddellijk in- en uitstappen van personen

5.9.

Hetgeen is weergegeven onder 5.7. rechtvaardigt voorts het oordeel dat de auto stond geparkeerd, en geen sprake is geweest van het onmiddellijk laden of lossen van zaken dan wel het onmiddellijk in- en uitstappen van personen in de zin van artikel 2, onderdeel a, van de Verordening. Belanghebbende heeft het tegendeel met zijn blote stelling dat hiervan sprake is geweest niet aannemelijk gemaakt. Van belanghebbende mag op zijn minst worden verwacht dat hij concretiseert welke redengevende feiten en omstandigheden er waren die tot toepassing van vorenbedoelde bepaling aanleiding geven. Belanghebbende heeft dit geheel nagelaten.

Artikel 8:69 Awb (omvang van het geschil)

5.10.

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 7 van haar uitspraak onder meer het volgende overwogen: “(…) Op grond van de door verweerder [Hof: de heffingsambtenaar] overgelegde gegevens van de scanauto, bezien in combinatie met de door verweerder overgelegde foto van de situatie ter plaatse, de plattegrond en de ter zitting gegeven toelichting waaronder de verklaring dat geen van de controleurs heeft waargenomen dat de auto op de fietsstrook stond, is naar het oordeel van de rechtbank door verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser heeft geparkeerd op een fiscale parkeerplaats. (…)”

5.11.

Belanghebbende heeft in zijn hogerberoepschrift terecht opgemerkt dat tot de gedingstukken niet de door de rechtbank genoemde foto van de situatie ter plaatse en de plattegrond behoren. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt ook niet dat deze stukken door de heffingsambtenaar ter zitting zijn overgelegd. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep op zijn beurt tevens aangegeven dat hij tijdens de zitting bij de rechtbank geen nieuwe stukken aan het dossier heeft laten toevoegen.

5.12.

Gelet op de omstandigheden dat het Hof bedoelde stukken niet in het dossier heeft aangetroffen en dat of de onderhavige stukken niet in het dossier partijen het erover eens zijn dat deze stukken niet tot het dossier behoren, heeft ook de rechtbank zich hierover niet kunnen buigen. Het komt het Hof derhalve voor dat de rechtbank met het noemen van bedoelde stukken in de voormelde rechtsoverweging een kennelijke misslag heeft begaan. De rechtbank kan niet anders dan uitspraak hebben gedaan op basis van de gedingstukken die door partijen zijn overgelegd, en niet (mede) op basis van een “foto van de situatie ter plaatse en de plattegrond”. Van een schending van artikel 8:69 van de Awb is geen sprake.

Artikel 7:9 Awb (nieuw bekend geworden feiten of omstandigheden)

5.13.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar na het telefonisch horen in de bezwaarfase aanvullende informatie heeft ingewonnen. Aan deze informatie wordt in de uitspraak op bezwaar zijns inziens gerefereerd in die zin dat sprake is geweest van een waarneming ten tijde van het parkeren van de auto op de locatie door de controleurs. Van die waarneming zou belanghebbende ten tijde van het horen niet op de hoogte zijn geweest.

5.14.

Ook van een schending van artikel 7:9 van de Awb acht het Hof geen sprake. Hetgeen in de uitspraak op bezwaar is vermeld (zie hierover onder 2.4), strookt geheel met hetgeen volgt uit de scangegevens zoals opgemaakt door Cition B.V. (zie hiervoor onder 2.3). In de uitspraak op bezwaar zijn de digitale scangegevens, welke de waarnemingen van de scanauto en de parkeercontroleurs als zodanig weergeven, nader toegelicht en de heffingsambtenaar is op grond hiervan tot de conclusie van handhaven van de Naheffingsaanslag gekomen. Het Hof ziet hierin, noch in hetgeen door belanghebbende naar voren is gebracht, geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is geweest van feiten of omstandigheden die bekend zijn geworden na het telefonisch horen, die belanghebbende niet bekend waren en die desondanks ten grondslag hebben gelegen aan de uitspraak op bezwaar.

Artikel 7:7 Awb (hoorverslag)

5.15.

Vast staat dat in de bezwaarfase geen afzonderlijk verslag van het telefonisch horen is opgemaakt. In de uitspraak op bezwaar is slechts op summiere wijze melding gemaakt van het horen en van hetgeen in dat gesprek tussen partijen is uitgewisseld (zie hiervoor onder 2.5). Hoewel het naar het oordeel van het Hof over het algemeen de voorkeur verdient dat wel een afzonderlijk hoorverslag wordt opgemaakt, is dit niet vereist (vgl. ABRvS, 5 november 2014, nr. 201400260/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:3947).

5.16.

Voorts is niet gebleken van een benadeling van belanghebbende ten gevolge van het niet opmaken van een afzonderlijk verslag. Belanghebbende heeft, afgezien van zijn algemene stelling dat in de uitspraak van bezwaar een verkorte weergave van het horen is opgenomen hetgeen niet voldoet, niet aangegeven welke gespreksonderwerpen ontbreken die een ander licht op de zaak werpen.

Slotsom

5.17.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is, zodat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M. Greebe, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier. De beslissing is op 23 januari 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.