Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1446

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
30-04-2018
Zaaknummer
23-002650-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal brandstof, art. 310 Sr. 5 Weken gevangenisstraf. Vordering benadeelde partij. Geen schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002650-17

datum uitspraak: 26 april 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-160193-16 tegen

[naam] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

adres: thans zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ) – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – met aanpassing van de strafmotivering.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan diefstal van benzine. De verdachte heeft blijk gegeven geen respect te hebben gehad voor het eigendomsrecht van de gedupeerde tankstations. Diefstal is een ergerlijk feit waarbij, naast eventuele schade, in de regel veel hinder en overlast wordt veroorzaakt.

Ten nadele van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte zich in een kort tijdsbestek, namelijk twee maanden, schuldig heeft gemaakt aan vijf diefstallen. Bovendien blijkt uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 maart 2018 dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van winkeldiefstallen. De verdachte heeft in eerdere gevallen een voorwaardelijke straf opgelegd gekregen. In die zin was hij meermalen een gewaarschuwd mens. Kennelijk heeft dit de verdachte er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan dergelijke feiten.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de advocaat-generaal geen recht doet aan de ernst van het feit en acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 55,15. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Anders dan de rechter in eerste aanleg zal de wettelijke rente worden bepaald vanaf de dag dat het bewezenverklaarde feit werd gepleegd te weten op 23 juli 2015.

Voorts zal het hof niet de schadevergoedingsmaatregel opleggen nu de benadeelde partij geacht wordt in staat te zijn deze zelf te incasseren.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de motivering ervan en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 55,15 (vijfenvijftig euro en vijftien cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 juli 2015.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. R. Kuiper en mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt, in tegenwoordigheid van R. L. Vermeulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 april 2018.

De oudste raadsheer en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]