Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1443

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-03-2018
Datum publicatie
30-04-2018
Zaaknummer
23-002407-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldheling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002407-15

datum uitspraak: 12 maart 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-701055-14 tegen

[naam] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

27 juli 2016 en 26 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw ter terechtzitting van 27 juli 2016 naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 05 januari 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, 42 iPhone telefoons heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft op de ter terechtzitting van 27 juli 2016 vrijspraak van het ten laste bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ondanks dat de verbalisanten van de verdachte(n) geen toestemming kregen in de auto te kijken, hebben zij zich toegang tot de auto verschaft. In dit verband heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat haar cliënt de Nederlandse en Engelse taal niet machtig is en dat

van de verbalisanten had mogen worden verwacht dat de vraag zou zijn herhaald in een taal die haar cliënt begreep. Nu dit niet is gebeurd, hadden de verbalisanten er niet van mogen uitgaan dat haar

cliënt de toestemmingsvraag heeft begrepen en hadden zij een tolk moeten inschakelen. Voorts wijst

de raadsvrouw erop dat het handelen van de verbalisanten, namelijk het openen van het portier en het pakken van de tas (waarin de telefoons bleken te zitten), niet zonder meer onder zoekend rondkijken

valt, maar onder een doorzoeking. Omdat geen grond bestond voor de doorzoeking van de auto, zijn de telefoons onrechtmatig in beslag genomen en dienen zij te worden uitgesloten van het bewijs. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat haar cliënt niet wist, en evenmin redelijkerwijs behoefde te vermoeden, dat de telefoons uit misdrijf afkomstig waren.

Het hof overweegt als volgt.

Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

In het proces-verbaal van bevindingen (doorgenummerde bladzijde 57) is – zakelijk weergeven – het volgende gerelateerd:

Ik vroeg aan [naam] of wij in het voertuig mochten kijken. Hierop hoorde ik hem in de Engelse taal antwoorden: “Yeh, yeh, yeh.” Ik hoorde [medeverdachte] vanaf de bijrijdersstoel in de Engelse taal roepen: “Why, why?” Hierop vroeg ik voor de tweede maal aan [naam] of wij in het voertuig mochten kijken. Ik hoorde hem wederom antwoorden met: “Yeh.”

Voornoemd verweer wordt verworpen. Geoordeeld wordt, gezien hetgeen hiervoor is weergegeven uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal, dat de verdachte de vraag van de verbalisant in voldoende mate begreep en dat hij hem vervolgens toestemming gaf in de auto te kijken.

In het proces-verbaal van bevindingen (doorgenummerde bladzijde 3) is – zakelijk weergeven – het volgende gerelateerd:

Ik, verbalisant [verbalisant] , opende het linkerachterportier en zag dat een plastic tas tegen de achterzijde half onder de bestuurdersstoel lag. Ik pakte de tas en bekeek de inhoud daarvan.

Ik zag dat dat de tas gevuld was met ongeveer vijftig mobiele telefoons van het merk Iphone.

Naar het oordeel van het hof valt voornoemd handelen, anders dan door de raadsvrouw naar voren gebracht, nog onder zoekend rondkijken. In dit kader acht het hof van belang dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat de plastic zak afgesloten was, terwijl die plastic tas op een zichtbare plek in de auto lag.

Dit brengt mee dat van een doorzoeking van de auto geen sprake is en dat van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv dan ook geen sprake is. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat in de plastic tas telefoons zaten, zodat het hof ervan uitgaat dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van de in de auto aangetroffen telefoons. Gelet op het ongebruikelijke hoge aantal IPhones in de tas, is het hof van oordeel dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de telefoons uit een misdrijf afkomstig waren. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 05 januari 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, 42 iPhone telefoons voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen redelijkerwijs moest vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep

in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

schuldheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor de in eerste aanleg bewezen verklaarde opzetheling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek.

De raadsvrouw heeft op de ter terechtzitting van 27 juli 2016 verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft een grote hoeveelheid IPhones voorhanden gehad, terwijl hij minst genomen moest vermoeden dat deze goederen door misdrijf waren verkregen. Door zo te handelen heeft hij bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor door misdrijf verkregen goederen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 februari 2018 is hij eerder voor een vermogensdelict onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt. Daarnaast blijkt uit dit uittreksel dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht

van toepassing is.

Gelet op de hoge waarde van de aangetroffen geheelde goederen kan alleen worden volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van twee maanden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Amsterdam, mr. S. Clement en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 maart 2018.

mrs. S. Clement en M. Gonggrijp-van Mourik zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.