Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1428

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-04-2018
Datum publicatie
30-04-2018
Zaaknummer
23-000954-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling ambtenaar in functie. Zwaardere strafmodaliteit (taakstraf) omdat mishandeling heeft plaatsgevonden op de openbare weg in de context van een demonstratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000954-17

Datum uitspraak: 23 april 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-189150-16 tegen

[naam] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 februari 2016 te Amsterdam, een ambtenaar, [verbalisant 1] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door deze tegen het bovenbeen te trappen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof – anders dan de politierechter – tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde komt.

Bespreking van in hoger beroep gevoerd verweer en gedaan verzoek

Verweer

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat niet overtuigend kan worden bewezen dat politieambtenaar [verbalisant 1] pijn heeft ondervonden van de ten laste gelegde trap tegen haar bovenbeen. Aan de bij aanvullend proces-verbaal van 17 maart 2017 door aangeefster gegeven gedetailleerde verklaring over de door de schop tegen het bovenbeen veroorzaakte pijn en ongemak mag geen geloof worden gehecht nu deze toevoeging op verzoek van de officier van justitie is opgemaakt en niet in het oorspronkelijke proces-verbaal was opgenomen.

Het hof neemt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende als vaststaand aan.

Op 6 februari 2016 vond op het Waterlooplein te Amsterdam een demonstratie plaats. Op de kruising van het Waterlooplein met de Blauwbrug en de Amstel bevond zich tevens een groep van ongeveer 50 man, die zich opstelden als tegendemonstranten. Om een fysieke confrontatie tussen beide groepen demonstranten te voorkomen, heeft de Mobiele Eenheid (ME), waartoe aangeefster en hoofdagent van politie [verbalisant 1] behoorde, een linie gevormd. Vanuit de groep van tegendemonstranten werd hier op agressieve wijze op gereageerd. Daarbij werd luidkeels geschreeuwd en werden gebaren gemaakt alsof men met de ME wilde vechten. Politieambtenaar [verbalisant 2] , die als lid van de aanhoudingseenheid aanwezig was, heeft waargenomen dat de verdachte, die zich op drie meter afstand van hem bevond, opzettelijk en met kracht tegen [verbalisant 1] schopte. [verbalisant 1] heeft verklaard dat zij de verdachte “kankerleijers” hoorde roepen, waarna hij een voorwaartse trap tegen haar bovenbeen gaf.

De politierechter heeft de verdachte bij vonnis van 8 maart 2017 vrijgesproken, omdat naar haar oordeel niet was gebleken dat [verbalisant 1] pijn had ondervonden of letsel had opgelopen. Hierop heeft [verbalisant 1] , kennelijk na een daartoe strekkend verzoek van de officier van justitie, op 17 maart 2017 een aanvullend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. In dit proces-verbaal is gerelateerd dat [verbalisant 1] als gevolg van de trap een enorme pijnscheut over haar gehele rechter bovenbeen voelde, dat zij voor even haar evenwicht verloor en dat zij de rest van haar dienst pijn heeft gehouden. Anders dan is gesuggereerd door de raadsvrouw kan in de enkele omstandigheid dat [verbalisant 1] eerst in dit proces-verbaal gewag heeft gemaakt van de door haar ondervonden pijn geen aanleiding worden gevonden om aan de waarachtigheid van haar – ambtsedige – verklaring te twijfelen. Dit geldt te minder omdat het in het algemeen niet wel denkbaar is dat een krachtige trap tegen het bovenbeen zonder enige gewaarwording van pijn blijft.

Gelet op het vorenoverwogene is niet langer ongewis of [verbalisant 1] ten gevolge van de – krachtige – trap pijn heeft ondervonden, zodat het verweer wordt verworpen en het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen op de wijze als na te melden.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsvrouw heeft het hof, indien en voor zover het hof mocht menen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, verzocht [verbalisant 1] als getuige te horen, ‘onder andere’ over de wijze waarop het proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2017 tot stand is gekomen. Dit verzoek wordt afgewezen, omdat het hof de noodzaak daartoe niet is gebleken, mede gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 februari 2016 te Amsterdam, een ambtenaar, [verbalisant 1] , gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door haar tegen het bovenbeen te trappen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte van het ten laste gelegde vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte alsnog voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld en wel tot een geldboete ter hoogte van € 650, subsidiair 13 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Tijdens een demonstratie van Pegida heeft de ME een linie moeten vormen om te voorkomen dat tegendemonstranten zich in de richting van deze demonstratie zouden bewegen. In onze democratische rechtsorde is het van essentieel belang dat burgers gebruik kunnen maken van hun grondwettelijk recht om te demonstreren, zonder dat zij hierin ongerechtvaardigd beknot worden. In plaats van gehoor te geven aan het bevel van de autoriteiten om zich te verwijderen, heeft de verdachte een harde trap gegeven tegen het been van één van de in de linie staande ME’ers (en haar overigens ook nog uitgescholden). Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van een ambtenaar in functie. Dit getuigt van onbeheerst gedrag en een gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer alsook voor het openbaar gezag. Politieambtenaren verrichten (niet zelden in moeilijke omstandigheden) in onze samenleving een belangrijke publieke taak die gerespecteerd dient te worden. Dit alles maakt dat de verdachte een vergrijp heeft begaan van serieus te nemen ernst.

Het hof heeft gelet op de straffen die door rechters bij eenvoudige mishandeling plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt een geldboete ter hoogte van € 500 genoemd, welke boete verhoogd kan worden met 33% tot 100% indien het feit is begaan tegen een politieambtenaar. Omdat de mishandeling hier ook nog eens heeft plaatsgevonden op de openbare weg in de context van een demonstratie, ziet het hof aanleiding te kiezen voor een zwaardere strafmodaliteit dan een geldboete, namelijk een taakstraf.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 30 uren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Vernietigt de eerder onder CJIB nummer 5132 5420 0274 6880 uitgevaardigde strafbeschikking van 10 oktober 2016.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. R. Kuiper en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 april 2018.