Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1417

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
27-04-2018
Zaaknummer
200.219.751/01 GDW en 200.220.336/01 GDW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TGDKG:2017:77, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij door het leggen van het bankbeslag bewust de beslagvrije voet heeft omzeild, het bankbeslag niet onverwijld heeft opgeheven, ten onrechte geen informatie heeft verstrekt, het derdenbeslag niet heeft overbetekend en ten onrechte de door klager geleden schade slechts gedeeltelijk heeft vergoed.

De kamer heeft de klacht op 3 onderdelen gegrond verklaard en de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opgelegd.

Zowel door klager als de gerechtsdeurwaarder is hoger beroep ingesteld. Het hof verklaart de gerechtsdeurwaarder niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep omdat het beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat zoals wettelijk voorgeschreven. Dat laat onverlet dat het hof de klacht in al haar onderdelen integraal beoordeelt, aangezien ook het hoger beroep van klager aan het hof voorligt.

Het hof verklaart de klacht op 4 onderdelen gegrond en legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping met aanzegging op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.219.751/01 GDW en 200.220.336/01 GDW

nummer eerste aanleg : C/13/622328/ DW RK 17/63

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 24 april 2018

inzake (200.219.751/01 GDW)

[klager] ,

wonend te [plaats] ,

appellant,

gemachtigde: mr. R. de Lange, advocaat te Winterswijk,

tegen

[gerechtsdeurwaarder] ,

gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. [naam] ,

en inzake (200.220.336/01 GDW)

[gerechtsdeurwaarder] ,

gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,

appellant,

gemachtigde: mr. [naam] ,

tegen

[klager] ,

wonend te [plaats] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. R. de Lange, advocaat te Winterswijk.

1 Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.219.751/01 GDW

1.1.

[klager] (hierna: klager) heeft op 21 juli 2017 een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 27 juni 2017 (ECLI:NL:TGDKG:2017:77). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen gerechtsdeurwaarder [gerechtsdeurwaarder] (hierna: de gerechtsdeurwaarder) op de klachtonderdelen 2, 3 en 4 gegrond verklaard en de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opgelegd. De kamer heeft de klacht voor het overige (klachtonderdelen 1 en 5) ongegrond verklaard.

1.2.

De gerechtsdeurwaarder heeft op 22 september 2017 een verweerschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend.

In de zaak met zaaknummer 200.220.336/01 GDW

1.3.

De gerechtsdeurwaarder heeft op 27 juli 2017 een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de hiervoor genoemde beslissing van de kamer.

1.4.

Op 22 september 2017 heeft het hof van de gerechtsdeurwaarder een aanvullend beroepschrift ontvangen.

1.5.

Klager heeft op 31 oktober 2017 een verweerschrift bij het hof ingediend.

In beide zaken

1.6.

De zaken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 8 februari 2018. Klager, vergezeld van zijn gemachtigde, en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Allen hebben het woord gevoerd. De gerechtsdeurwaarder zelf is niet verschenen.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van die feiten bezwaar gemaakt. Het hof zal hiermee (voor zover relevant) bij de beoordeling rekening houden. Waar nodig aangevuld met andere feiten die in dit geding zijn gebleken, gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

De kantonrechter in de rechtbank [plaats] heeft klager bij vonnis van 3 september 2014 veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag aan [naam] B.V. Een aan een ander kantoor verbonden gerechtsdeurwaarder heeft het vonnis op 14 oktober 2014 aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.

3.2.2.

Het kantoor van de gerechtsdeurwaarder heeft ter voldoening van de vordering executoriaal derdenbeslag gelegd onder de sociale dienst op de uitkering die klager in het kader van de Participatiewet ontving. Op deze uitkering was reeds door andere gerechtsdeurwaarders beslag gelegd. Het derdenbeslag is op 23 april 2015 door een aan een ander kantoor verbonden gerechtsdeurwaarder overbetekend aan klager.

3.2.3.

Bij exploot van 28 november 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder ten laste van klager ter voldoening van de vordering executoriaal derdenbeslag gelegd onder de [naam] Bank N.V.

3.2.4.

Klager heeft het kantoor van de gerechtsdeurwaarder op 28, 29 en 30 november 2016 onder meer bericht dat hij door het bankbeslag in acute betalingsproblemen is gekomen. Klager heeft op verzoek van een medewerker van de gerechtsdeurwaarder stukken toegezonden.

3.2.5.

Op 2 december 2016 heeft een medewerker van de gerechtsdeurwaarder om aanvullende bewijsstukken verzocht. Klager heeft de stukken dezelfde dag toegezonden.

3.2.6.

Op 5 december 2016 heeft een medewerker van de gerechtsdeurwaarder klager per e-mail bericht, voor zover van belang:

“(…) Wij hebben de stukken ontvangen en wanneer wij de verklaring van de bank hebben ontvangen, zullen wij de afwikkeling van dit beslag bespreken met de deurwaarder en u hiervan berichten. (…)”

3.2.7.

Klager is op 20 december 2016 door het Juridisch Loket doorverwezen naar zijn gemachtigde. De gemachtigde heeft op 21 december 2016 telefonisch contact opgenomen met het kantoor van de gerechtsdeurwaarder. De gemachtigde heeft dit telefoongesprek bevestigd in een e-mailbericht.

3.2.8.

Op 22 december 2016 heeft een medewerker van de gerechtsdeurwaarder de gemachtigde per e-mail bericht. Deze e-mail houdt in, voor zover van belang:

“(…) Naar aanleiding van ons telefonisch onderhoud van heden morgen bevestigen wij u hierbij dat wij:

- het bankbeslag vandaag per email hebben ingetrokken

- de kosten van het bankbeslag hebben gecrediteerd

- de kosten ad € 70,00, welke de bank in rekening brengt, aan betrokkene zullen worden vergoed op zijn rekening. (…)”

3.2.9.

Bij brief van 27 december 2016 heeft de bank de derdenverklaring gedaan. Het bankbeslag heeft doel getroffen voor een bedrag van € 583,63.

3.2.10.

Op 29 december 2016 heeft de gemachtigde van klager per e-mail verzocht om een vergoeding van de gemaakte kosten voor juridische bijstand. Deze e-mail houdt in, voor zover van belang:

“(…) Om de zaak verder vlot af te wikkelen, ben ik bereid deze af te doen tegen € 450,- (ex. BTW), hetgeen dan omgaand is te betalen. Ik nodig u uit aan te geven of u op dit schikkingsvoorstel in gaat. Indien ik niet binnen 8 dagen van u verneem, zal ik het dossier verder vervolgen (…)”

3.2.11.

Op 30 december 2016 heeft een medewerker van de gerechtsdeurwaarder de gemachtigde van klager per e-mail geantwoord. Deze e-mail houdt in, voor zover van belang: “(…) Wij zullen niet op uw schikkingsvoorstel ingaan. (…)”

3.2.12.

De gemachtigde van klager heeft namens klager op 19 januari 2017 een klacht ingediend bij de kamer.

3.2.13.

De gerechtsdeurwaarder heeft op 26 januari 2017 naar de gemachtigde van klager een bedrag van € 450,- overgemaakt.

4 Standpunt van klager

De klacht van klager bestaat uit de navolgende onderdelen.

1. De gerechtsdeurwaarder heeft bankbeslag gelegd en daarmee bewust de beslagvrije voet omzeild, waardoor klager niet meer in de primaire levensbehoeften kon voorzien. Dit is misbruik van recht en tuchtrechtelijk verwijtbaar.

2. De gerechtsdeurwaarder heeft, nadat hij op de onrechtmatigheid van het bankbeslag was gewezen, niet onverwijld het beslag opgeheven. Daarmee heeft hij niet de zorgvuldigheid en nauwgezetheid betracht die van hem mocht worden verwacht. De gerechtsdeurwaarder heeft klager zelf niet serieus genomen; pas nadat klager een advocaat in de arm had genomen kon het beslag worden opgeheven. Klager werd niet gehoord en er werd gezegd: ‘ga maar procederen’. Ten onrechte werd het argument aangedragen dat de door de derde afgegeven verklaring moest worden afgewacht, waardoor het beslag nog zeker vier weken zou worden gehandhaafd.

3. Klager weet nog altijd niet wie de crediteur is voor wie het bankbeslag is gelegd. De gerechtsdeurwaarder heeft niet voldaan aan verzoeken om afschriften van stukken en het verstrekken van informatie over de verantwoordelijke gerechtsdeurwaarder. Klager kan niet nagaan of er überhaupt een titel is.

4. Het derdenbeslag is niet aan klager overbetekend, hetgeen in strijd is met artikel 475i Rv. Klager weet daardoor niet tegen wie hij zich in rechte dient te wenden om het beslag op te heffen.

5. De gerechtsdeurwaarder heeft de door klager geleden schade slechts gedeeltelijk vergoed, door de beslagkosten voor eigen rekening te nemen. Klager heeft zich genoodzaakt gezien juridische bijstand in te schakelen, omdat hij zelf niet serieus werd genomen. Door niet alle schade te voldoen handelt de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk verwijtbaar.

5 Standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

Ontvankelijkheid van het door de gerechtsdeurwaarder ingestelde hoger beroep (200.220.336/01 GDW)

6.1.

Het door de gerechtsdeurwaarder op 27 juli 2017 ingediende beroepschrift bevat niet de gronden van het beroep. De gerechtsdeurwaarder heeft het beroepschrift op 22 september 2017 aangevuld, welk stuk tevens het verweerschrift is in de zaak waarin klager hoger beroep heeft ingesteld (200.219.751/01 GDW).

6.2.

Op grond van artikel 45 Gerechtsdeurwaarderwet moet het beroepschrift met redenen zijn omkleed. Nu het beroepschrift hieraan niet voldoet, zal het hof de gerechtsdeurwaarder niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

6.3.

Het voorgaande laat echter onverlet dat het hof de klacht in al haar onderdelen integraal beoordeelt, aangezien ook het hoger beroep van klager aan het hof voorligt. Uit de wetsgeschiedenis van de Gerechtsdeurwaarderswet (Kamerstukken II 1991-1992, 22775, nr. 3, p. 24) volgt dat het hof het geschil in volle omvang toetst en niet gebonden is aan wat een appellant als bezwaar aanvoert. Dat is in de jurisprudentie van het hof op grond van de wetsgeschiedenis ook aangenomen. Het hof verwijst naar zijn beslissingen van onder andere 19 december 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:5487) en 15 november 2016 (ECLI:GHAMS:2016:4604). Het hof zal hetgeen de gerechtsdeurwaarder in zijn eigen hoger beroep heeft aangevoerd daarom betrekken in de beoordeling van het door klager ingestelde hoger beroep (200.219.751/01 GDW).

Klachtonderdeel 1: leggen bankbeslag

6.4.

Het hof stelt het volgende voorop. De wetgever heeft aan vorderingen tot periodieke betaling van onder meer loon en uitkeringen een beslagvrije voet verbonden, teneinde te waarborgen dat de beslagene in staat blijft om tenminste nog de kosten van de primaire levensbehoeften te voldoen. Aan een vordering van een beslagene op zijn bankinstelling is geen beslagvrije voet verbonden, zodat bij een bankbeslag in beginsel geen rekening hoeft te worden gehouden met de beslagvrije voet. Onder omstandigheden kan echter sprake zijn van misbruik van recht indien beslag wordt gelegd op een bankrekening die uitsluitend door een uitkering of loon wordt gevoed, terwijl de beslagene geen ander inkomen heeft waaruit zijn primaire levensbehoeften kunnen worden voldaan en de gerechtsdeurwaarder met die omstandigheid bekend is of had moeten zijn.

6.5.

Uit de stukken in deze procedure is gebleken dat klager ten tijde van het beslag op zijn bankrekening een bijstandsuitkering ontving. Op deze uitkering was door meer gerechtsdeurwaarders, onder wie de gerechtsdeurwaarder zelf, beslag gelegd met toepassing van een beslagvrije voet. De gerechtsdeurwaarder ontving daaruit maandelijks een geringe afdracht. Er was onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de beslagen bankrekening door andere inkomsten dan de uitkering van klager werd gevoed of dat er nog andere inkomsten zouden zijn. Door onder deze omstandigheden beslag te leggen op de bankrekening naast het gelegde beslag op de uitkering, heeft de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dit klachtonderdeel treft doel, anders dan de kamer heeft geoordeeld.

Klachtonderdeel 2: beslag niet onverwijld opheffen

6.6.

Ten aanzien van dit klachtonderdeel verenigt het hof zich met het oordeel van de kamer (weergegeven onder 4.3. van de beslissing van de kamer) – kort gezegd – dat niet valt in te zien waarom de gerechtsdeurwaarder het beslag niet onverwijld heeft opgeheven, nadat hij door klager op de onrechtmatigheid daarvan is gewezen en de benodigde stukken van klager (op 5 december 2016) waren ontvangen. De gronden waarop dat oordeel berust maakt het hof tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die een ander oordeel rechtvaardigen. Dit betekent dat dit klachtonderdeel eveneens gegrond is.

Klachtonderdelen 3 en 4: niet verstrekken gegevens en niet overbetekenen van het bankbeslag

6.7.

Wat betreft klachtonderdeel 3 is het hof van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder ten onrechte niet de door de gemachtigde van klager verzochte gegevens over de schuldeiser en de verantwoordelijke gerechtsdeurwaarder heeft verstrekt. De stelling van de gerechtsdeurwaarder dat klager behoorde te weten om welke schuldeiser het ging, volgt het hof niet, aangezien er een aantal schulden was. Dat een medewerker van de gerechtsdeurwaarder de gegevens tijdens een telefoongesprek wel aan klager heeft meegedeeld, zoals door de gerechtsdeurwaarder is gesteld, is onvoldoende aannemelijk geworden. De gerechtsdeurwaarder heeft op dit punt tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld.

Het niet overbetekenen van het derdenbeslag (klachtonderdeel 4) is in strijd met de wettelijke regelgeving. Klager wist hierdoor niet wie de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder was en was niet in staat om maatregelen in te stellen tegen het beslag. Dit geldt te meer aangezien de gerechtsdeurwaarder bovendien desverzocht geen gegevens verstrekte, zoals hiervoor vermeld. Ook dit klachtonderdeel is gegrond en is tuchtrechtelijk verwijtbaar.

Klachtonderdeel 5: niet voldoen kosten juridische bijstand

6.8.

De vraag of de gerechtsdeurwaarder vanwege het gelegde bankbeslag tot schadevergoeding is verplicht en, a fortiori, de vraag of hij tot meer schadevergoeding is verplicht dan hij voor het indienen van de klacht reeds had betaald, althans toegezegd (zie hiervoor onder 3.2.8.), dient door de civiele rechter te worden beoordeeld. Slechts onder bijzondere omstandigheden zal de (aanvankelijke) weigering van de gerechtsdeurwaarder die (hogere) schadevergoeding te betalen tuchtrechtelijk laakbaar zijn. Naar het oordeel van het hof doen die omstandigheden zich in deze zaak niet voor. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Conclusie en maatregel

6.9.

Blijkens het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat klachtonderdelen 1 tot en met 4 gegrond zijn. Gelet op de gegrondverklaring van verschillende klachtonderdelen, de aard van de verwijtbare handelingen en het verwijtbare nalaten in het licht van de situatie waarin klager zich als beslagene bevond, acht het hof de maatregel van berisping met aanzegging passend en geboden.

6.10.

Nu het hof gedeeltelijk tot andere beslissingen komt dan de kamer, kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kamer omwille van de duidelijkheid in zijn geheel vernietigen en een nieuwe beslissing geven.

6.11.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

Wijziging Gerechtsdeurwaarderswet per 1 januari 2018

6.12.

Per 1 januari 2018 is de Gerechtsdeurwaarderswet gewijzigd (Wet van 7 december 2016, houdende wijziging van (..) de Gerechtsdeurwaarderwet (..) in verband met het doorberekenen van de kosten van toezicht en tuchtrechtspraak aan de beroepsgroepen, Staatsblad 2016, 500). In verband met deze wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet heeft dit hof per 1 januari 2018 de Tijdelijke richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam vastgesteld (Staatscourant 2017 nr. 75085).

6.13.

Het hof ziet (mede) gelet op de omstandigheid dat het beroepschrift in deze zaak is ingediend vóór 1 januari 2018 (namelijk op 21 juli 2017 in de zaak met nr. 200.219.751/01 GDW), dus vóór de wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet, af van enige kostenveroordeling.

6.14.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.220.336/01 GDW:

- verklaart de gerechtsdeurwaarder niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;

in de zaak met zaaknummer 200.219.751/01 GDW:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw beslissende:

- verklaart de klachtonderdelen 1 tot en met 4 gegrond;

- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op met de aanzegging dat, indien andermaal door de gerechtsdeurwaarder een van de in artikel 34, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet bedoelde handelingen of verzuimen wordt gepleegd, een geldboete, schorsing of ontzetting uit het ambt zal worden overwogen;

- verklaart klachtonderdeel 5 ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2018 door de rolraadsheer.