Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1416

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
23-001113-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling en vernieling. Nadere bewijsoverweging. Verklaringen aangeefster komen er in de kern op neer dat zij is mishandeld. Voorwaardelijk getuigenverzoek: verklaring getuige wordt niet voor het bewijs gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001113-16

datum uitspraak: 19 april 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 8 december 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-198413-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 12 april 2015 in de gemeente Hoorn [slachtoffer] heeft mishandeld door deze

- ( met kracht) vast te pakken om/bij het lichaam en/of

- ( met kracht) te knijpen in de keel en/of

- ( met kracht) vast te pakken in/bij het gezicht en/of

- ( meermalen) (met kracht) te slaan en/of te stompen op/tegen het lichaam.

2:
hij op of omstreeks 12 april 2015 in de gemeente Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een mobiele telefoon (Apple Iphone 4), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van het onder 1 ten laste tot een enigszins andere bewezenverklaring en tot een andere strafoplegging komt.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Het hof is, anders dan de advocaat-generaal en de raadsman, van oordeel dat het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor een bewezen verklaring van de onder 1 ten laste gelegde mishandeling.

De verklaringen die de aangeefster [slachtoffer] heeft afgelegd over hetgeen op 12 april 2015 tussen haar en de verdachte is voorgevallen, zijn op onderdelen niet helemaal consistent, maar komen er in de kern op neer dat de verdachte haar heeft mishandeld.

Dit vindt in voldoende mate steun in de verklaring van de getuige [getuige]. De enkele omstandigheid dat [getuige] die avond alcohol had gedronken, doet geen afbreuk aan de inhoud of het waarheidsgehalte van haar verklaring. Tenslotte biedt het dossier geen aanknopingspunt voor een veronderstelling dat [slachtoffer] en [getuige] hun verklaringen onderling op elkaar zouden hebben afgestemd.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft betoogd dat de verklaring van de moeder van de aangeefster niet voor het bewijs

kan worden gebruikt aangezien zij, ondanks een daartoe strekkend verzoek van de verdediging op

29 november 2016, niet in hoger beroep als getuige is gehoord. Hij heeft verzocht de moeder van de aangeefster alsnog als getuige te horen indien het hof de verklaring van de moeder voor het bewijs zal gebruiken.

Het hof zal de verklaring van aangeefsters moeder niet voor het bewijs gebruiken, zodat genoemde voorwaarde voor het horen van haar als getuige niet is vervuld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 12 april 2015 in de gemeente Hoorn [slachtoffer] heeft mishandeld door haar

- vast te pakken bij het lichaam en

- met kracht te knijpen in de keel en

- vast te pakken bij het gezicht en

- met kracht te slaan en te stompen tegen het lichaam.

2:
hij op 12 april 2015 in de gemeente Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een mobiele telefoon Apple IPhone 4, toebehorende aan [slachtoffer], heeft vernield.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van 225 euro, subsidiair 4 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-vriendin en vernieling van haar telefoon. De verdachte heeft op een volstrekt onaanvaardbare manier gereageerd op een voor hem onwelgevallige situatie, waarbij hij inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar materiële schade heeft berokkend.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 maart 2018 is hij eerder ter zake van gewelds- en vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel meeweegt.

Anderzijds houdt het hof in het voordeel van de verdachte rekening met het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten.

Het hof acht alles afwegende een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, te weten 272 euro aan materiële schade en 250 euro aan immateriële schade.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De gevorderde materiële schade ziet op de aanschaf van een nieuwe IPhone 4. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van deze post een afschrijving van de gevorderde nieuwwaarde dient plaats te vinden en dat redelijkerwijs een bedrag van 100 euro voor vergoeding in aanmerking komt.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Met betrekking tot de immateriële schade overweegt het hof als volgt.

De mishandeling heeft bij de benadeelde partij gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht.

De vordering is in hoger beroep niet betwist. Het hof acht de gevorderde 250 euro een redelijke en billijke schadevergoeding.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof zal de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 63, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder

1. en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 350 (driehonderdvijftig euro) bestaande uit

€ 100 (honderd euro) materiële schade en € 250 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer], ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 350 (driehonderdvijftig euro) bestaande uit € 100 (honderd euro) materiële schade en € 250 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

7 (zeven) dagen hechtenisvermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op

12 april 2015.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. W.M.C. Tilleman en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 april 2018.

[…]