Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1393

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
200.222.169/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Een medewerker van een trustkantoor laat zich in strijd met de voor hem geldende regels benoemen tot bestuurder van vijf vennootschappen waarmee de werkgever geen relatie wenst aan te gaan. Ondanks aandringen van de werkgever maakt hij de benoeming niet ongedaan. Objectief en subjectief dringende reden voor ontslag op staande voet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0526
JAR 2018/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.222.169/01

zaaknummers rechtbank Amsterdam : EA 17-220 en EA 17-357

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 april 2018

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. L.B. de Graaf te ’s-Gravenhage [onttrokken],

tegen

BK Corporate International B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. B. Vleer te ’s-Hertogenbosch.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en BK genoemd.

[appellant] is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op

29 augustus 2017, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenstaande zaaknummers op 31 mei 2017 heeft gegeven. Het beroepschrift strekt er - kort samengevat - toe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende en voor zover mogelijk, BK zal veroordelen om aan [appellant] te voldoen: (I) een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:683 lid 3 BW van

€ 95.000,= bruto, te vermeerderen met wettelijke rente, (II) een vergoeding ex artikel 7:672 lid 10 BW van € 8.864,35 bruto, te vermeerderen met wettelijke rente, en (III) het resterende vakantiesaldo ex artikel 7:641 lid 1 BW, alles met veroordeling van BK in de kosten van de procedure in beide instanties.

Op 4 september 2017 is ter griffie van het hof een verweerschrift van BK, met producties, ingekomen. Daarin heeft BK - kort samengevat - geconcludeerd primair tot bekrachtiging van de bestreden beschikking en subsidiair tot afwijzing van de verzoeken van [appellant] , alles met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in beide instanties.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 februari 2018. Bij die gelegenheid is [appellant] in persoon verschenen, die het beroepschrift heeft toegelicht aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnotitie. Aan de zijde van BK zijn [X] en [Y] , beiden directeur/bestuurder van BK, verschenen, bijgestaan door mr. Vleer voornoemd, die het verweerschrift heeft toegelicht eveneens aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnotitie. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] desgevraagd verklaard dat hetgeen hij onder (III) van het petitum in het beroepschrift heeft verzocht - naar het hof begrijpt - als ingetrokken kan worden beschouwd.

Partijen hebben bewijs aangeboden van hun stellingen.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten.

Ten slotte is uitspraak bepaald.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 1.1 tot en met 1.20 de feiten genoemd waarop de beschikking is gebaseerd. Met grief 1 betoogt [appellant] dat de vaststelling van de feiten door de kantonrechter onvolledig en deels onjuist is. Het hof zal bij de vaststelling van de feiten hiermee rekening houden. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2

BK is een internationale, financiële, administratieve en zakelijke dienstverlener

met kantoren in Nederland, Curaçao en Luxemburg. Vanuit haar trustkantoor in Amsterdam beheert BK voor haar internationale clientèle verschillende in Nederland gevestigde vennootschappen.

2.3

Trustkantoren waaraan door toezichthouder De Nederlandse Bank (DNB) een vergunning is verleend, worden op grond van artikel 7 Wet toezicht trustkantoren (Wtt) opgenomen in een register. Op grond van de Wtt en daarop gebaseerde wet- en regelgeving dient een trustkantoor aan bepaalde verplichtingen te voldoen. Bij overtreding daarvan kan de toezichthouder (DNB) sancties opleggen, zoals een bestuurlijke boete, het openbaar maken van de overtreding of het intrekken van de verleende vergunning.

2.4

[appellant] , geboren [in] 1988, is op 1 september 2015 in dienst getreden

bij BK aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van een jaar. Nadien is tussen partijen een tweede arbeidsovereenkomst aangegaan, voor een periode van elf maanden, tot 1 augustus 2017. De laatste functie die [appellant] bij BK vervulde, was die van legal affairs manager, tegen een salaris van € 4.630,= bruto per maand exclusief emolumenten.

2.5

BK hanteert voor haar medewerkers een Compliance Procedure Manual, waarin

is beschreven hoe BK en haar werknemers dienen te handelen bij het verlenen

van trustdiensten. Hierin is opgenomen het ‘zes-ogenprincipe’: een werknemer van BK mag geen cliëntrelaties aangaan zonder dat ten minste drie werknemers, een accountmanager, een compliance officer en één van de bestuurders van BK, het aangaan van de desbetreffende zakelijke relatie hebben goedgekeurd. Voor dit acceptatieproces gebruikt BK het Client Acceptatie Formulier. Verder zijn er trainingen, cursussen en opleidingen voor de trust officers van BK om te zorgen dat zij ‘compliant’ werken (waarmee is bedoeld: dat zij voldoen aan de geldende wet- en regelgeving) en bestaat er voor trust officers een wettelijke verplichting tot het volgen van permanente scholing. [appellant] heeft dergelijke (permanente) educatie gevolgd en met succes afgerond.

2.6

In de individuele arbeidsovereenkomsten (artikel 8) van BK, in de Compliance Procedure Manual (hoofdstuk 5) en in het personeelshandboek (artikel 19.7) is expliciet een verbod tot het verrichten van nevenwerkzaamheden opgenomen.

2.7

Op 11 november 2016 heeft [X] , managing director van BK, op het kantoor van BK gesproken met D. Lamberti. Lamberti is een Argentijnse belastingadviseur, die optrad namens zijn cliënte MRT Consulting SA (Panama) (verder: MRT). BK verrichtte eveneens diensten voor MRT en sinds 2015 gebruikte MRT de vennootschap LMP Bomore B.V, een entiteit binnen de BK-groep die wordt

ingezet voor transacties van klanten in de voetbal- en autoracebranche. Lamberti verrichtte (onder meer) voor vijf Nederlandse vennootschappen advieswerkzaamheden en trad namens die vijf vennootschappen als vertegenwoordigingsbevoegde op bij andere dienstverleners zoals notaris- en trustkantoren.

2.8

Op een gegeven moment is [appellant] bij genoemd gesprek betrokken en is hij

voorgesteld aan Lamberti. BK heeft in dat gesprek uitdrukkelijk gezegd dat zij naast de diensten die zij reeds aan Lamberti verleende, niet nog meer diensten ten behoeve van vennootschappen van Lamberti wilde verlenen.

2.9

[appellant] heeft vakantiedagen opgenomen voor de periode van 21 november 2016 tot 31 december 2016 en is op vakantie gegaan naar Argentinië. [appellant] zou op 3 januari 2017 weer op kantoor in Amsterdam zijn.

2.10

Tijdens zijn verblijf in Argentinië heeft [appellant] contact gehad met Lamberti die hem gevraagd heeft bestuurder te worden van de vijf in 2.7 bedoelde vennootschappen. [appellant] heeft hiermee ingestemd.

2.11

Op 28 december 2016 heeft [appellant] vanuit Argentinië voor zichzelf inschrijving als bestuurder van bedoelde vennootschappen bij de Kamer van Koophandel aangevraagd.

2.12

[appellant] heeft eind december 2016 op zijn LinkedIn profiel zijn functie

gewijzigd in ‘Advisory Board Member PanAtlantic Equity Investments’,

waardoor op zijn LinkedIn profiel vermeld werd: ‘Previously worked by BK

Group’.

2.13

BK is er op 2 januari 2017 achter gekomen dat [appellant] van plan was om zich als bestuurder van de vijf vennootschappen in te laten schrijven bij de KvK.

2.14

Bij e-mail van 3 januari 2017 heeft [appellant] geschreven aan [Z] en

[X] dat hij zijn verblijf in Argentinië moest verlengen tot de vrijdag daarop

(6 januari 2017) in verband met twee meetings met potentiële klanten en dat hij op

9 januari 2017 weer op kantoor in Amsterdam zou zijn.

2.15

BK heeft dezelfde dag met [appellant] gebeld die bevestigde dat hij van plan was zich als bestuurder van de vijf vennootschappen bij de KvK te laten inschrijven. [appellant] heeft toegelicht - kort gezegd - dat het om een vriendendienst voor Lamberti ging, waarop BK heeft uitgelegd dat de inschrijving een integriteitsrisico kon opleveren voor BK en de aandacht van DNB of de media zou kunnen trekken.

2.16

Bij e-mail van 4 januari 2017 heeft BK [appellant] geschorst omdat hij zich als bestuurder van de vennootschappen had ingeschreven, langer

vakantie had genomen dan was toegestaan en op zijn LinkedIn profiel had

vermeld dat hij was benoemd tot Advisory board member with PanAtlantic

Equity Investments. BK heeft [appellant] verzocht onmiddellijk met deze

werkzaamheden en zaken te stoppen en hem uitgenodigd voor een gesprek op

9 januari 2017 om 9.00 uur.

2.17

Tijdens het gesprek op 9 januari 2017 is [appellant] om uitleg gevraagd over de inschrijving als bestuurder van de vennootschappen. [appellant] heeft opnieuw toegelicht dat het om een vriendendienst (wederdienst) ging, dat zijn benoeming tijdelijk was en dat hij er geen vergoeding of andere beloning voor ontving. BK heeft opnieuw meegedeeld dat het niettemin een integriteitsrisico was voor BK en dat het reputatieschade kon opleveren voor BK. [appellant] heeft BK hierop gevraagd dit risico nader toe te lichten en heeft verklaard dat hij zijn benoeming per direct zou beëindigen als BK zou aangeven welke illegale of riskante activiteiten/integriteitsrisico’s verbonden waren aan de vijf vennootschappen.

2.18

BK heeft [appellant] aan het eind van het gesprek op staande voet ontslagen en

dit ontslag bij brief van dezelfde dag bevestigd. Deze brief luidt als volgt, voor zover van belang:

On 3 January 2017 afternoon […] ( [X] , hof) had finally made contact met you. […] confronts you with the following statements and infringements:

- Your appointment as a director of companies currently with another Trust Office (..).

You do not have permission of your employer. On 11 November 2016 with the visit of D. Lamberti (..) you were informed by […] that BK (..) does not deliver services to the five companies because of integrity risk and that BK (..) give no permission to appoint you as a director or otherwise have BK Group involved with those ‘football companies’.

- Your appointment with another firm as Advisory Board Member without permission or consultation employer.

- Your unauthorized absence while you were expected and obliged to work.

You could not give any explanation. After this conversation we suspend you by letter of 4 January 2017. We asked you to immediately stop your secondary employment and/or conducting business on your own account. (..)

Meeting

You told us that it is a personal favour to be appointed as a director of the five

companies and that the appointment will be for a short time until another Trust Office is ready to accept the appointment. We are shocked of your explanation and your attitude towards your acts. You have been told by us that we hold you fully responsible for these misconducts and infringements and we take this very serious. You stubbornly refuse to comply with commands. You have neglected duties on a serious way.

(..)

We requested you last week to stop this work and/or business immediately. You decided to go forward with the appointments as we are informed by a Trust Office as well as by you.

(..)

The facts and circumstances, both separately and in relation to each other, be seen,

delivering an urgent reason for dismissal as referred to in article 7:678 BW. (..)

2.19

[appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen het ontslag op staande voet.

2.20

[appellant] stond ten tijde van de pleidooien in hoger beroep nog steeds ingeschreven als bestuurder van de vijf vennootschappen.

3 Beoordeling

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg - kort samengevat en voor zover in hoger beroep van belang - verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen, BK te veroordelen tot doorbetaling van loon en tot betaling van een billijke vergoeding van € 50.000,=, daartoe stellende dat geen sprake is geweest van een dringende reden voor ontslag op staande voet en dat het ontslag niet onverwijld is gegeven. Het ontslag is in strijd met artikel 7:671 BW, aldus [appellant] .

3.2

BK heeft verweer gevoerd tegen het verzoek en - kort samengevat - aangevoerd dat [appellant] zich tegen al haar waarschuwingen en instructies in heeft laten benoemen als bestuurder van de vijf vennootschappen en de inschrijving niet ongedaan heeft gemaakt ondanks dringend verzoek daartoe van BK. Volgens BK heeft [appellant] verder in strijd gehandeld met de gemaakte afspraken over zijn vakantie en het vakantiebeleid binnen BK.

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter geoordeeld dat BK [appellant] terecht op staande voet heeft ontslagen, het verzoek van [appellant] tot betaling van een billijke vergoeding afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd

3.4

Tegen voornoemde beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op. BK heeft de grieven bestreden.

3.5

Met grief II richt [appellant] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat er een dringende reden is voor het ontslag op staande voet. Er is volgens [appellant] geen sprake van een situatie waardoor van BK niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [appellant] meent dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het nevenwerkzaamhedenbeding nu de inschrijving als bestuurder geen zakelijke activiteit was en hij daarvoor geen enkele beloning heeft ontvangen en dat hem geen verwijt kan worden gemaakt over het later terugkomen van vakantie.

3.6

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. In artikel 7:678 lid 1 BW is bepaald dat als dringende redenen voor de werkgever beschouwd kunnen worden 'zodanige daden, eigenschappen, of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren'. Volgens vaste jurisprudentie dient het dan te gaan om een ontslaggrond die zodanig ernstig is dat zowel in objectieve zin als in subjectieve zin van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met de werknemer nog voort te laten duren. Voor de beoordeling van de onderhavige dringende reden is de reden die in de ontslagbrief van 9 januari 2017 staat, leidend. BK heeft aan het ontslag op staande voet - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat [appellant] zich tegen alle waarschuwingen en instructies van BK in heeft laten benoemen als bestuurder van vijf vennootschappen, waarvoor Lamberti als vertegenwoordigingsbevoegde optrad, en dat hij de inschrijving als zodanig bij de Kamer van Koophandel niet ongedaan heeft gemaakt, ondanks dringend verzoek daartoe van BK. Verder wordt [appellant] blijkens de ontslagbrief verweten dat hij in strijd heeft gehandeld met de tussen partijen gemaakte afspraken over zijn vakantie en het vakantiebeleid binnen BK. [appellant] is ongeoorloofd afwezig geweest in de periode van 3 tot 9 januari 2017. Door het aanpassen van zijn functie op zijn LinkedIn profiel heeft [appellant] , ten slotte, de indruk gewekt dat hij zich heeft laten benoemen bij de onderneming PanAtlantic Equity Investments als Advisory board member. Alle feiten en omstandigheden leveren volgens BK in de ontslagbrief zowel ieder afzonderlijk als in onderlinge samenhang een dringende reden op.

3.7

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen staat als niet weersproken vast dat integriteit voor een onderneming als die van BK van het grootste belang is. Een en ander volgt ook uit de Wtt en het feit dat DNB toezicht houdt op trustkantoren. Tussen partijen staat evenmin ter discussie dat een trustkantoor ervoor verantwoordelijk is dat al zijn werknemers werken conform de geldende procedures. Het ligt in de rede dat de activiteiten van [appellant] , gelet op de specifieke trustbranche, BK worden aangerekend. Trustkantoren kunnen alleen bestaan wanneer zij - en hun werknemers - aan de opgelegde verplichtingen voldoen en van onbesproken gedrag zijn. BK heeft daarvoor regels opgesteld en [appellant] heeft niet weersproken dat hij deze regels - waarvan de naleving gelet op zijn functie van legal affairs manager zonder meer van hem verwacht mocht worden - (onder meer vervat in de Compliance Procedure Manual, waaronder de Cliënt Acceptatie Procedure en het ‘zes-ogenprincipe)’, kende en de scholing en opleidingen die daarop zien heeft gevolgd.

3.8

Verder is in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst bepaald: “During the term of the contract, the Employee is not permitted to work for another employer, client or business relation. The employee shall also refrain from conducting business on his or her own account. This prohibition does not apply if the Employer grants written consent for the secondary activities. On infringement of the forgoing, the Employee is liable to pay the Employer a penalty.” 3. Hoofdstuk 5 van de Compliance Procedure Manual en artikel 19 lid 7 van het personeelshandboek bevatten soortgelijke bepalingen. Hoofdstuk 5 Compliance Procedure Manual (pagina 90): “BK Group, the Board or Any Employee of BK Group shall not have Business interest in it or in any Target Companies/or Trust and/or Client of In-house Company which BK Group provides Services.” Artikel 19 lid 7 van het personeelshandboek luidt tenslotte: “BK Group, the Board or Any Employee of BK Group will not have business interest at any Client Entity and/or Trust and/or Client of an Inhouse Company to who BK Group provides her services to.”

3.9

[appellant] heeft door zich als bestuurder te laten benoemen van de vijf vennootschappen van Lamberti in strijd gehandeld met de binnen BK geldende regels. [appellant] heeft aangevoerd dat het verbod op nevenwerkzaamheden niet van toepassing is, omdat zijn inschrijving als bestuurder van de vijf vennootschappen een vriendendienst betreft en hij daarvoor geen vergoeding ontvangt. Een redelijke uitleg van de hiervoor in overweging 3.8 aangehaalde bepalingen brengt - gelet op het belang van integriteit dat deze bepalingen beogen te beschermen - naar het oordeel van het hof mee dat deze bepalingen ook van toepassing zijn in situaties waarin zaken onbezoldigd worden gedaan dan wel onbezoldigd diensten worden verleend. [appellant] had dit moeten begrijpen, mede gelet op de aard van zijn functie. Anders dan [appellant] kennelijk meent, gelden deze bepalingen ook voor zaken of diensten die werknemers voor eigen rekening of op eigen naam verrichten dan wel verlenen. Het hof wijst in dit verband op de formulering in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst: “The employee shall also refrain from conducting business on his or her own account.” Daarbij komt nog dat [appellant] met zijn handelen heeft genegeerd dat BK hem op 11 november 2016 had meegedeeld niet nog meer diensten te willen verlenen aan vennootschappen van Lamberti.

3.10

Uit de overgelegde stukken en wat ter zitting naar voren is gekomen, blijkt dat bij BK op 2 januari 2017 het vermoeden bestond dat [appellant] zich als bestuurder van de vijf vennootschappen had laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel. Zoals hiervoor overwogen, levert een dergelijke inschrijving handelen op in strijd met de binnen BK geldende regels. BK was derhalve gerechtigd [appellant] te verzoeken om, voor zover hij zich al had ingeschreven als bestuurder van de vijf vennootschappen, deze inschrijving ongedaan te maken. Ondanks dringend verzoek en waarschuwing heeft [appellant] geweigerd de instructies van BK op te volgen. Zo heeft hij geweigerd zijn verzoek tot benoeming als bestuurder van de vijf vennootschappen in te trekken en heeft - naar hij ter zitting in hoger beroep verklaard – ook op 9 januari 2017 de registratie bij de Kamer van Koophandel in orde gemaakt terwijl hij wist dat zijn werkgever daar ernstig bezwaar tegen had. Deze gedragingen van [appellant] zijn ernstig verwijtbaar en vormen op zichzelf reeds een objectief dringende reden voor ontslag op staande voet. Naar het oordeel van het hof is, gelet op het (voortvarende) handelen van BK vanaf het moment waarop BK wetenschap ervan had dat [appellant] zich als bestuurder had ingeschreven, ook sprake geweest van een subjectief dringende reden. De vergelijking die [appellant] probeert te maken met de zaak [A] gaat niet op. BK heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat de zaken niet vergelijkbaar zijn. Zo heeft [A] uit eigen beweging aan BK verteld dat hij bezig was geweest met het opstarten van een eigen onderneming, die overigens nog niet over cliënten beschikte. [A] heeft aangegeven dat hij daarvan spijt had en dat hij inzag dat zijn handelwijze niet correct is geweest, in tegenstelling tot [appellant] , die - naar hij zelf heeft verklaard - nog steeds meent dat hij niet verkeerd heeft gehandeld. Een ander verschil met de onderhavige zaak is dat [A] , anders dan [appellant] , nooit Wtt-diensten heeft geleverd aan relaties/cliënten.

3.11

Het betoog van [appellant] dat sprake is van een voorgewende reden, wordt verworpen. Tegenover de betwisting van BK en bezien in het licht dat de media-aandacht zich pas in mei 2017 heeft voorgedaan en die ten tijde van het ontslag op staande voet in januari 2017 nog niet voorzienbaar was, heeft [appellant] zijn stelling dat hij is ontslagen omdat BK vreesde dat zijn inschrijving als bestuurder van de vijf vennootschappen de activiteiten van [X] in LMP Bomore aan het licht zouden brengen, onvoldoende onderbouwd.

3.12

Het hof concludeert dat sprake is geweest van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW. De overige omstandigheden van het geval, waaronder de duur van de arbeidsovereenkomst, de wijze waarop [appellant] zijn taak heeft vervuld en diende te vervullen en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem heeft, zijn van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen. [appellant] was ten tijde van het ontslag pas zestien maanden in dienst van BK. Gezien zijn leeftijd en opleiding zullen de gevolgen van het ontslag op staande voet voor [appellant] niet onoverkomelijk hoeven te zijn. De overige gronden die BK heeft aangevoerd voor het ontslag op staande voet kunnen bij deze stand van zaken verder onbesproken blijven. Grief II faalt.

3.13

Met grief III, ten slotte, betoogt [appellant] dat het ontslag niet onverwijld is gegeven. BK was volgens [appellant] in ieder geval op 3 januari 2017 al bekend met alle relevante feiten en omstandigheden.

3.14

Het hof is van oordeel dat BK vanaf 3 januari 2017, de dag dat bij haar het vermoeden ontstond van het bestaan van een dringende reden, enige tijd heeft mogen gebruiken om onderzoek te doen, juridisch advies in te winnen en bewijsmateriaal te verzamelen. BK heeft hierbij de nodige zorgvuldigheid betracht, wat ook van haar verwacht mocht worden als goed werkgever gelet op de complexiteit van de zaak en het belang van [appellant] . Het tijdsverloop vanaf 3 januari 2017 is bovendien mede veroorzaakt door het feit dat BK [appellant] pas op 9 januari 2017 persoonlijk heeft kunnen horen omdat hij toen pas weer in Nederland was. Vervolgens is BK diezelfde dag nog overgegaan tot het geven van ontslag op staande voet. BK heeft haar beslissing eveneens op 9 januari 2017 schriftelijk aan [appellant] bevestigd. Het ontslag op staande voet is derhalve onverwijld gegeven zodat grief III eveneens faalt.

3.15

[appellant] heeft geen bewijs aangeboden van feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

3.16

De slotsom is dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van BK begroot op € 313,= aan verschotten en € 1.788,= voor salaris;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L.D. Akkaya, A.M.A Verscheure en

F.J. Verbeek en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 april 2018.