Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1369

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
09-11-2018
Zaaknummer
200.074.625/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 21 mei 2013. Bevel nader deskundigenonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.074.625/01

zaaknummer Hoge Raad : C08/02107

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 april 2018

inzake

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te Den Haag,

eiser,

advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam,

tegen

NIEUW WERKLUST HOLDING B.V.,

gevestigd te Hazerswoude-Rijndijk, gemeente Rijnwoude,

gedaagde,

advocaat: mr. G.J.M. de Jager te Rotterdam.

1 Het verdere verloop van het geding na verwijzing door de Hoge Raad

Partijen worden hierna opnieuw de Staat en Nieuw Werklust genoemd.

Bij het tussenarrest van 21 mei 2013 heeft het hof een deskundigenonderzoek bevolen ter beantwoording van de vraag:

Wat is de waarde van het bijkomend aanbod zoals dit is verwoord in het vonnis van 6 april 2005?

Deskundigen hebben een concept-advies op 7 augustus 2015 aan partijen toegezonden. Partijen hebben daarop gereageerd. Op 11 oktober 2016 heeft het hof het (definitief) deskundigenbericht ontvangen.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 15 juni 2017 doen bepleiten, de Staat door mr. E.W.J. de Groot, advocaat te Breda, en Nieuw Werklust door mr. De Jager voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Nieuw Werklust heeft een opgave van de kosten van rechtskundige en deskundige bijstand in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Na de laatste cassatie en terugverwijzing is in deze zaak aan de orde de vaststelling van de waarde van het door de Staat gedane bijkomend aanbod. Dat aanbod van de Staat aan Nieuw Werklust strekt tot (terug-)levering van het onteigende belast met een opstalrecht ten behoeve van de Staat. Deskundigen hebben daarover advies uitgebracht.

2.2.

Partijen hebben met deskundigen gecorrespondeerd over de vraag naar welke datum (peilmoment) de door hen vast te stellen waarde dient te worden vastgesteld.

Deskundigen hebben in hun advies uiteindelijk als peildatum voor de vaststelling van de waarde van het bijkomend aanbod gehanteerd de datum van onteigening, 22 mei 2002. Zij hebben deze datum gekozen nadat zij aanvankelijk tot uitgangspunt hadden genomen dat waardering zou moeten plaatsvinden naar de datum van aanvaarding van het bijkomend aanbod. Tussen partijen bestaat geen overeenstemming over de te hanteren peildatum. De Staat stelt dat de onteigeningsdatum de peildatum is en Nieuw Werklust meent dat de waarde moet worden bepaald naar de datum van levering.

In hun advies hebben deskundigen partijen voorgehouden dat het oordeel over de vraag welk waarderingsmoment moet worden gekozen hun opdracht te buiten gaat en er op gewezen dat het hof hierover een uitspraak moet doen omdat het de uitleg van het door de Staat gedane aanbod betreft.

2.3.

Het hof overweegt ten aanzien van het peilmoment als volgt.

Het bijkomend aanbod luidt, voor zover thans nog van belang, dat de ter onteigening aangewezen eigendom belast met een recht van opstal ten name van de Staat onder voorwaarden als vermeld in een ter descente in het geding te brengen akte, aan Nieuw Werklust te koop wordt aangeboden, tegen een door de rechtbank op basis van de Onteigeningswet te bepalen schadeloosstelling, en dat dit bijkomend schadebeperkend aanbod gestand zal worden gedaan gedurende een periode van twee maanden na onherroepelijk worden van het te wijzen vonnis omtrent de schadeloosstelling.

Het hof constateert dat het aanbod geen uitdrukkelijke bepaling bevat van het peilmoment voor de waardevaststelling.

2.4.

Uit hetgeen partijen in de processtukken en bij pleidooi naar voren hebben gebracht leidt het hof af dat destijds tussen partijen werd gesproken over de mogelijkheid dat, zoals de Staat primair had aangeboden, Nieuw Werklust een recht van opstal aan de Staat zou verlenen op de ter onteigening voorgedragen percelen. Nieuw Werklust heeft daar niet mee willen instemmen omdat zij geen enkel risico wilde lopen ten aanzien van haar grond in verband met de daaronder uit te voeren tunnelwerkzaamheden. Zij wilde daarom geen eigenaar zijn tijdens die werkzaamheden en ook pas na afronding van de werkzaamheden de keuze kunnen maken om de grond terug te kopen met gelijktijdige vestiging van een opstalrecht ten behoeve van de Staat. De Staat is met die mogelijkheid akkoord gegaan en heeft daartoe het in de vorige rechtsoverweging vermelde schadebeperkend aanbod gedaan. De Staat heeft daarbij bedongen dat Nieuw Werklust de grond op korte termijn zou leveren zodat de tunnelwerkzaamheden zouden kunnen beginnen, welke levering ook heeft plaatsgevonden. De Staat had daar belang bij omdat zij met de andere betrokken eigenaren reeds overeenstemming had bereikt over vestiging van een opstalrecht. Het akkoord stelde de Staat in de gelegenheid de tunnel aan te leggen. Partijen werden het niet eens over de te zijner tijd te hanteren koopprijs. Die zou echter, zo stellen beide partijen, in het vervolg van de onteigeningsprocedure door de deskundigen worden bepaald.

2.5.

De Staat heeft zich ten aanzien van de te hanteren peildatum onder meer op het standpunt gesteld dat de bewoordingen “een op basis van de onteigeningswet te bepalen schadeloosstelling” meebrengen dat bij de bepaling van de waarde van het bijkomend aanbod de in de onteigeningswet bepaalde peildatum – datum van inschrijving van het onteigeningsvonnis – zou moeten worden gehanteerd. Het hof volgt de Staat daarin niet. Het hof acht de verwijzing naar de Onteigeningswet relevant voor de bij de waardevaststelling te hanteren criteria maar in de gegeven omstandigheden niet doorslaggevend voor de bepaling van het moment van die waardevaststelling. De tussen partijen getroffen regeling hield immers in dat (terug-) levering aan Nieuw Werklust zou worden uitgesteld naar een niet vaststaande datum in de toekomst, afhankelijk van het verloop van de werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de HSL en de onteigeningsprocedure. In de normale gevallen waarin de peildatum volgens de Onteigeningswet wordt gehanteerd, valt de peildatum samen met de inschrijving van het onteigeningsvonnis en daarmee met de datum waarop de onteigenaar (in dit geval de Staat) de eigendom verwerft. Daarvan is hier geen sprake. De levering van de eigendom aan de Staat heeft geruime tijd geleden al plaats gevonden. Onvoldoende is gesteld waarom Nieuw Werklust niettemin moest begrijpen dat de enkele verwijzing naar de Onteigeningswet ten aanzien van de waardebepaling (ook) meebracht dat de peildatum op een ander moment zou komen te liggen dan de datum waarop te zijner tijd op basis van het bijkomend aanbod aan haar zou worden (terug)geleverd. Indien de Staat een andere peildatum had willen bewerkstelligen, had het op de weg van de Staat gelegen om dat uitdrukkelijk op te nemen in het aanbod. Onder de geschetste omstandigheden mocht Nieuw Werklust aldus begrijpen dat de verwijzing naar de Onteigeningswet betrekking had op de regels die zien op de wijze van waardering en niet op het moment waarop die waardering plaatsvindt. Bij dit oordeel betrekt het hof ook dat de Staat het bijkomend aanbod heeft geformuleerd en voorts dat de Staat een ervaren partij is bij transacties in de onteigeningssfeer.

2.6.

Uit het voorgaande volgt dat moet worden vastgesteld wat de waarde is ten tijde van het te wijzen arrest met een gestanddoeningstermijn van twee maanden na het onherroepelijk worden van het arrest. Om deze waarde zoveel mogelijk te benaderen zal de deskundigen gevraagd worden de actuele waarde te bepalen. Dit stemt overeen met de aanvankelijk door deskundigen gekozen peildatum (Advies van Deskundigen sub 12). Om die waarde te bepalen zullen deskundigen nader onderzoek moeten doen. Het hof ziet geen aanleiding andere deskundigen te benoemen dan de reeds eerder benoemde deskundigen.

2.7.

De slotsom is dat deskundigen zal worden gevraagd de waarde van het bijkomend aanbod nader te bepalen op basis van de actuele waarde. Voor zover deskundigen daarbij nog relevant achten hetgeen Nieuw Werklust bij pleidooi sub 33 e.v. heeft gesteld omtrent de berekening van de nog te vergoeden rente, worden zij uitgenodigd zich ook daarover uit te laten.

Het hof merkt nog op dat Nieuw Werklust bij pleidooi haar petitum als geformuleerd bij memorie na verwijzing heeft gewijzigd. Nieuw Werklust vraagt daarbij onder meer om nogmaals op het advies van deskundigen te mogen reageren. Het hof ziet mede gelet op het hierboven overwogene geen aanleiding om thans aan dit verzoek verdere gevolgen te verbinden.

Alle overige beslissingen worden aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

beveelt dat een nader deskundigenonderzoek door de in deze zaak reeds eerder benoemde deskundigen zal plaatsvinden ter beantwoording van de volgende vraag:

Wat is de waarde van het bijkomend aanbod zoals dit is verwoord in het vonnis van 6 april 2005, rekening houdend met hetgeen onder 2.6. van dit tussenarrest is overwogen over de peildatum?

verzoekt deskundigen binnen vier weken na dit arrest aan de griffier van het hof te berichten of zij een descente nodig achten;

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundigen zal toezenden;

bepaalt dat de advocaat van de Staat de overige stukken van het dossier in kopie binnen twee weken na heden aan de deskundigen zal doen toekomen;

verwijst de zaak naar de rol van 18 september 2018 voor deskundigenbericht;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, D.J. Van der Kwaak en C. Uriot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 april 2018.