Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1362

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
24-04-2018
Zaaknummer
200.228.496/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging tussentijdse beëindiging. Na tussenarrest toestemming rechter-commissaris voor gevoerde onderneming als Uber-taxichauffeur. Schuldeisers naar verwachting niet benadeeld. Verwachting dat verplichtingen uit de WSNP zullen worden nageleefd. Sollicitatieverplichting voor resterende looptijd komen te vervallen. Andere verplichtingen onverkort van toepassing. Verlenging schuldsaneringsregeling ter compensatie van (mogelijk) nadeel schuldeisers voortvloeiend uit geschonden sollicitatieverplichting. Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:355.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.228.496/01

insolventienummer rechtbank: C/13/15/630-R

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 april 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. L.N. Huizenga te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd.

Op 30 januari 2018 heeft het hof in deze zaak een tussenarrest (hierna: het tussenarrest) gewezen, waarnaar het hof verwijst.

Bij het tussenarrest is de verdere behandeling van het hoger beroep aangehouden teneinde [appellant] in de gelegenheid te stellen de geconstateerde tekortkomingen in de nakoming van de schuldsaneringsregeling te herstellen.

Bij brief van 21 maart 2018 heeft [appellant] het hof nadere informatie doen toekomen, met afschrift van de brief per e-mail aan de bewindvoerder.

De bewindvoerder heeft gereageerd bij faxbericht aan het hof van 30 maart 2018.

Het hof heeft daarop een nadere inhoudelijke behandeling bepaald op 10 april 2018.

Bij brief van 3 april 2018 heeft [appellant] nog een productie overgelegd.

Bij gelegenheid van de nadere mondelinge behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Huizenga voornoemd. Namens de bewindvoerder is [X] verschenen.

2 Beoordeling

2.1

Bij het tussenarrest is de behandeling van het hoger beroep aangehouden teneinde [appellant] in de gelegenheid te stellen de geconstateerde tekortkomingen in de nakoming van de schuldsaneringsregeling te herstellen. Gelet op het feit dat met name de gang van zaken met betrekking tot het starten en exploiteren van de onderneming vragen opriep die het belang van de boedel raken, is in het tussenarrest overwogen dat [appellant] in elk geval nog op juiste wijze toestemming van de rechter-commissaris diende te verkrijgen voor de door hem gevoerde onderneming. Verder diende [appellant] bewijsstukken over te leggen van de aangifte inkomstenbelasting over 2017, het contract met Leaseplan, de nog ontbrekende sollicitatiebewijzen en een nadere toelichting op de door hem overgelegde staat van kosten die hij in zijn onderneming maakt.

2.2

Het hof gaat uit van de volgende (nieuwe) feiten.

2.2.1

Bij brief van 1 maart 2018 heeft [appellant] de rechter-commissaris verzocht toestemming te verlenen om gedurende de verdere looptijd van de schuldsaneringsregeling een eigen onderneming te voeren als Uber-chauffeur. In deze brief heeft [appellant] uiteengezet, zakelijk weergegeven, dat hij (i) jegens Uber geen doorlopende verplichtingen heeft, (ii) de overeenkomst met Leaseplan per dag kan opzeggen, (iii) voor het opzetten van de onderneming geen schulden heeft moeten maken (iv) zijn boekhouding heeft uitbesteed bij een boekhouder die tegen een redelijk tarief de btw-aangifte en de aangifte inkomstenbelasting verzorgt, (v) via Uber een stabiel inkomen genereert, (vi) geen financiële risico’s loopt, en (vii) de kenmerkende risico’s die aan het drijven van een onderneming zijn verbonden, in zijn geval ontbreken. [appellant] heeft bij zijn verzoek aan de rechter-commissaris de hierboven bedoelde staat van kosten van zijn onderneming en een ondernemingsplan gevoegd.

2.2.2

De rechter-commissaris heeft bij e-mail aan de bewindvoerder van 23 maart 2018 aan [appellant] toestemming verleend voor het voeren van een onderneming als Uber-taxichauffeur.

2.2.3

In de Leaseovereenkomst “Operational lease, Taxiondernemer via Uber” met Leaseplan van 15 februari 2017 staat onder meer dat de leaseovereenkomst eindigt indien de werkzaamheden voor Uber worden beëindigd en dat de lease per dag kan worden stopgezet indien de onderneming wordt beëindigd.

2.2.4

In de aangifte inkomstenbelasting 2017 staat onder meer het volgende. Onder het kopje “Je inkomen 2017” staat dat het verzamelinkomen € 10.089,- bedraagt. Onder het kopje “Je belastingberekening” staat dat de te ontvangen teruggaaf € 816,- bedraagt. Onder het kopje “Toelichting: winst uit onderneming Taxi [appellant]” staat dat de opbrengsten € 37.235,- bedragen en dat het resultaat 2017 € 17.210,- is.

2.3

Bij brief van 21 maart 2018 en ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] een nadere toelichting gegeven op de door hem overgelegde staat van kosten die hij in zijn onderneming heeft gemaakt in de periode februari 2017 tot januari 2018. Die toelichting betreft de posten afschrijvingen (€ 558,84) brandstof (€ 3.241,99), eten en drinken (€ 646,82), parkeerkosten (€ 1.392,35), Uber-fee (€ 9.890,35), telefoon en internet (€ 653,37), kleine aanschaf (€ 486,48), overige kosten (zoals aanschaf taxipas en overige eenmalige kosten, € 1.586,16) en autolease (€ 7.054,07).

2.4

De bewindvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat zij - gezien de overgelegde stukken van [appellant] en het telefonisch contact dat zij met de boekhouder van [appellant] heeft gehad - geen bezwaar heeft tegen het voortzetten van de onderneming van [appellant] als Uber-chauffeur. Uit het telefonisch contact is gebleken dat [appellant] met de boekhouder goede afspraken heeft gemaakt over het overleggen van financiële gegevens. Zij verwacht dat schuldeisers niet zullen worden benadeeld door de voortzetting van de onderneming. Zij zal aan de hand van recent overgelegde gegevens het vrij te laten bedrag berekenen en ter goedkeuring aan de rechter-commissaris voorleggen. De bewindvoerder heeft verder opgemerkt dat inkomen boven de bijstandsnorm wordt verdiend en er derhalve meer kans op afdrachten is voor de schuldeisers dan wanneer [appellant] een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. Het opleggen van een sollicitatieverplichting acht zij niet langer opportuun. Wel is een periode niet voldaan aan de sollicitatieverplichting en daarom heeft de bewindvoerder geadviseerd de regeling te verlengen met drie maanden om dit te kunnen compenseren.

2.5

Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat - zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 350, derde lid, Faillissementswet (Fw) - uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voor de schuldenaar verplichtingen voortvloeien, die hun grond vinden in de doelstelling van die wet. Deze doelstelling komt erop neer dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn gekomen de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling wordt gevergd. Van het ontbreken van de vereiste medewerking kan, onder meer, sprake zijn indien de schuldenaar zijn informatie- en/of sollicitatieverplichting niet nakomt dan wel een boedelachterstand en/of bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan.

2.6

Op grond van het verhandelde ter zitting in hoger beroep en de overgelegde stukken is gebleken dat er thans geen reden is de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] te beëindigen. Het hof stelt daarbij voorop dat de rechter-commissaris toestemming heeft verleend voor de ondernemingsactiviteiten van [appellant] . Gebleken is verder uit de overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2017 dat [appellant] met zijn onderneming een inkomen genereert dat ruim boven de bijstandsnorm ligt. Dat betekent dat de schuldeisers een hogere afdracht tegemoet kunnen zien dan wanneer [appellant] aangewezen zou zijn op een uitkering op grond van de Participatiewet, hetgeen gelet op zijn leeftijd en CV - ook naar eigen zeggen - een reëel scenario is. Het door hem in het kader van zijn onderneming te genereren inkomen ligt naar verwachting ook boven een door hem te verdienen minimumloon. De verwachting is daarom gerechtvaardigd dat schuldeisers niet zullen worden benadeeld. Zoals het er nu naar uitziet leveren de ondernemingsactiviteiten bovendien een stabiele inkomensstroom op omdat [appellant] , zoals hij ter zitting in hoger beroep nader heeft toegelicht, via Uber voldoende ritten krijgt. Daartegenover staat een laag ondernemersrisico omdat [appellant] geen schulden heeft hoeven maken en bovendien de onderneming elk gewenst moment gestaakt kan worden omdat de leaseovereenkomst met betrekking tot de auto dagelijks opzegbaar is. Voorts acht het hof de door [appellant] gegeven toelichting op de overgelegde staat van kosten afdoende en kunnen die kosten als redelijk worden gezien. [appellant] krijgt ondersteuning bij het bijhouden van zijn zakelijke administratie en heeft met de bewindvoerder en de boekhouder goede afspraken gemaakt over het overleggen van de benodigde informatie. Dit alles wettigt het vertrouwen dat [appellant] de schuldsaneringsregeling met goed gevolg kan afronden.

2.7

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gezien de toelichting van [appellant] op zijn werkzaamheden als taxichauffeur, waaruit het hof afleidt dat hij een maximaal aantal uren per dag beschikbaar is voor Uber, zal de sollicitatieverplichting van [appellant] komen te vervallen. Alle andere verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling blijven onverkort van toepassing, waaronder de verplichting tot (maandelijkse) afdracht aan de boedel ingeval het inkomen van [appellant] hoger wordt dan het vrij te laten bedrag. Het vrij te laten bedrag moet nog door de bewindvoerder worden berekend en worden goedgekeurd door de rechter-commissaris. Het hof hecht eraan te benadrukken dat daarbij geen rekening dient te worden gehouden met een aanloopperiode voor de onderneming van [appellant] .

2.8

Wel is [appellant] in de periode oktober 2016-februari 2017 tekortgeschoten in de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieverplichting, althans ontbreken over deze periode in totaal 13 sollicitatiebewijzen. Ter compensatie van het daaruit (mogelijk) voortvloeiende nadeel voor de schuldeisers zal het hof de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] verlengen tot 1 januari 2019.

3 Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

- wijst de voordracht tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verlengt de duur van de schuldsaneringsregeling met 3 maanden en 10 dagen, derhalve tot 1 januari 2019.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar, M.L.D. Akkaya en G.J. Visser en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.