Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1350

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
24-04-2018
Zaaknummer
200.207.157/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel in Het Parool over aanslag op kantoorvilla is niet onrechtmatig.

Anonieme bronnen uit opsporingskringen. Voldoende steun in de feiten. Hoor en wederhoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0363
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.207.157/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/603300 / HA ZA 16-218

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 april 2018

inzake

1 [appellant sub 1] ,

2. [appellante sub 2],

beiden wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. B.S. Friedberg te Amsterdam,

tegen

HET PAROOL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. C. Wildeman te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant sub 1] , [appellante sub 2] en Het Parool genoemd. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] gezamenlijk worden ook wel aangeduid als [appellanten]

zijn bij dagvaarding van 6 januari 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en Het Parool als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 29 november 2017 doen bepleiten door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaten, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog hun vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van Het Parool in de kosten van het geding in beide instanties en met veroordeling van Het Parool om de reeds door [appellanten] betaalde proceskosten in eerste aanleg aan hen terug te betalen.

Het Parool heeft geconcludeerd, zakelijk weergegeven, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.17 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1

[appellante sub 2] is de levenspartner van [appellant sub 1] . [appellant sub 1] is bestuurder en samen met [A] (hierna: [A] ) eigenaar van vastgoedbedrijf Amstelkroon Vastgoed B.V., voorheen geheten JVA Vastgoed Adviseurs B.V. (hierna: JVA). JVA was in 2010 gevestigd op de begane grond van een pand aan de [adres] (hierna: het pand). Op de bovenverdieping van het pand was Sorko & Swane Advocaten en Notarissen (hierna: Sorko & Swane) gehuisvest. Bij dat kantoor was [B] (hierna: [B] ) advocaat-partner. Het Parool geeft een krant uit en beheert een daaraan gelieerde website.

3.1.2

Op zondagavond 13 juni 2010 omstreeks 20:00 uur werd een handgranaat in het deel van het pand dat bij JVA in gebruik was, geworpen. De handgranaat ontplofte vervolgens in de werkkamer van [appellant sub 1] (hierna: de bomaanslag).

3.1.3

Op maandag 14 juni 2010 plaatste Het Parool een artikel in de tweede editie - bestemd voor de abonnees in Amsterdam - van haar krant van de hand van [X] (hierna: [X] ), verslaggever bij Het Parool, met als titel: "Aanslag op kantoorvilla" en als subtitels: "Veel schade, geen gewonden" en “Ruzie om vastgoedtransactie”. Bij het artikel stond een foto van de buitenkant van het pand, waarop was te zien dat een raam van de benedenverdieping met planken was dichtgetimmerd. Het artikel verscheen die dag op of na 11:58 uur ook op de website van Het Parool (www.parool.nl) onder de kop "Aanslag op kantoorvilla, waarschijnlijk om slepende ruzie". Het artikel luidt op pagina 1 van de krant en op de website:

"Een onbekende heeft zondagavond rond acht uur een handgranaat naar binnen gegooid in een kantoorvilla aan de [adres] in Amsterdam-Zuid. De reden van de aanslag lijkt een conflict om een onroerendgoedtransactie.

De explosie richtte schade aan in een ruimte op de begane grond van het vrijstaande kantoor aan de [adres] , maar in het pand was niemand aanwezig.

De granaataanslag lijkt verband te houden met een slepende ruzie om een vastgoedverkoop, waarin makelaar [appellant sub 1] van JVA Vastgoed Adviseurs is verwikkeld. Eerder zijn [appellant sub 1] en zijn vrouw al met de dood bedreigd.

JVA, van de in de vastgoedwereld bekende onroerendgoedhandelaar [A] , houdt kantoor in de villa, samen met Sorko en Swane, een maatschap van advocaten en notarissen, die ook vestigingen heeft elders in Nederland, in Londen, New York en Hamburg.

In de kantoorvilla was vanmorgen gewoon personeel aanwezig, dat de deur opende na aanbellen, maar geen commentaar gaf. "Wij weten ook niet wat er aan de hand is."

De directie van JVA wilde evenmin ingaan op de zaak. Makelaar [appellant sub 1] was niet bereikbaar.

De handgranaat lijkt eerder te zijn gegooid om te intimideren dan om slachtoffers te maken. Het was donker in het verlaten pand toen de dader waarschijnlijk een ruit brak en de granaat naar binnen gooide.

Getuigen hoorden even voor acht uur 'een oorverdovende knal' en zagen een lichtgekleurde auto hard wegrijden. De recherche onderzocht het pand, maar verliet dat weer toen in de getroffen ruimte nog een tweede explosief leek te liggen. Het ingeroepen Explosieven Opruimingscommando (EOC) van de landmacht trof echter geen andere granaat aan.

De politie kon aan het begin van de middag nog niet zegen of in verband met de aanslag spoedige arrestaties zijn te verwachten - nu het voor de hand lijkt te liggen dat de opdracht komt uit de hoek van de wederpartij waarmee makelaar [appellant sub 1] in conflict is geraakt."

3.1.4

Op 12 maart 2012 hebben [appellanten] zich tot Het Parool gewend. Het Parool heeft op 14 juni 2012 het artikel offline gehaald. Op 24 maart 2012 heeft Het Parool een artikel van [X] geplaatst met als titel: "De zieke hond moest uit zijn lijden worden verlost". Het artikel, dat mede in overleg met de advocaat van [appellanten] tot stand was gekomen, houdt onder meer in:

"Achter de aanslag van juni 2010 op een kantoor in de [adres] en de mislukte moordpoging in [plaats 1] ruim een maand later lijkt een bizar complot te zitten. Langzaam ontvouwt zich een scenario met dubieuze plannen voor goudhandel, zaken met Iran, oplichting, afpersing en intriges.

Getuigen hoorden zondagavond 13 juni 2010 'een oorverdovende knal' in de Rivierenbuurt Een auto spoot met piepende banden weg over de [adres] . In de vrijstaande kantoorvilla op nummer [adres] was een granaat ontploft, die grote schade had aangericht in het verlaten pand.

De recherche richtte haar onderzoek allereerst op [appellant sub 1] , mededirecteur van JVA Vastgoed, dat kantoor hield op de begane grond, waar de granaat naar binnen was gegooid, mogelijk door een ingetikt ruitje.

Het duurde een klein kwartaal totdat men in de gaten kreeg dat een verkeerd spoor was gevolgd en dat de aanslag niets met [appellant sub 1] of JVA van doen had. De kwestie moest in een geheel ander licht worden bezien, werd langzaam duidelijk. Het duurde vervolgens tot januari 2012 totdat de Nationale Recherche zo'n sterke zaak meende te hebben dat ze tot arrestaties kon overgaan.

Cruciaal was de beslissing van de gooier van de handgranaat, [C] , als kroongetuige zijn bizarre verhaal te doen.

De granaat was volgens de spijtoptant gericht tegen advocaat [B] . (41) uit [plaats 2] , die toen op de bovenverdieping van de villa resideerde als partner van Sorko en Swane - een collectief van advocaten en notarissen dat ook een deel van de villa huurt.”

3.1.5

[appellant sub 1] heeft op 5 juli 2012 een klacht tegen Het Parool ingediend bij de Raad voor de Journalistiek (hierna: de RvdJ) over de publicatie van het artikel van 14 juni 2010. Het Parool is niet bij de behandeling van die klacht verschenen. De RvdJ heeft de klacht van [appellant sub 1] gegrond bevonden en heeft Het Parool verzocht een samenvatting van de uitspraak op zijn website te publiceren. Het Parool heeft dit geweigerd.

3.1.6

Op 5 november 2012 heeft Het Parool op haar website een artikel geplaatst met als kop: "Vastgoedkantoor [A] in Oud-Zuid te koop":

"Vastgoedmagnaat [A] heeft zijn kantoor aan de [adres] in Oud-Zuid in de verkoop gedaan. Het pand kwam in de zomer van 2010 in het nieuws toen er een handgranaat naar binnen was gegooid. Ook werden de ramen destijds met kogels doorzeefd.

Nu de sporen van de 'aanslag' verdwenen zijn, heeft [A] een prijskaartje van 3,4 miljoen aan het gebouw gehangen. De ruiten van het kantoor zijn vervangen en ook aan de binnenkant van het pand is niets meer van de aangerichte schade te zien, zo meldt Quote.

[A] , bestuurder van VNO - NCW, wordt genoemd in de dagvaarding tegen oud-gedeputeerde van Noord Holland [D] . Zijn bedrijf JVG Vastgoed zou [D] hebben omgekocht. [A] ontkent dit."

3.1.7

[appellanten] hebben een voorlopig getuigenverhoor geëntameerd. In dat kader zijn op 5 april 2013 [appellant sub 1] , [appellante sub 2] en [A] als getuigen gehoord, op 12 september 2013 officier van justitie [E] (hierna: [E] ), op 22 januari 2014 officier van justitie [F] en op 20 mei 2015 onder anderen [G] , politie-inspecteur (hierna: [G] ). Op 23 september 2013 heeft [E] delen van de politiemutaties waarnaar hij in zijn getuigenverhoor van 12 september 2013 verwees, verzonden naar onder meer de advocaat van Het Parool. In die mutaties staat, voor zover relevant het volgende.

Ten aanzien van het contact tussen de politie en [A] op 13 juni 2010 in de avond:

"Eigenaar pand makelaar [A] […] heeft de benedenverdieping. Hem telefonisch gesproken. Hij zat in Amerika. Heeft een vermoeden wie hier achter zit. Bij BDR bekend.”

Ten aanzien van het contact tussen de politie en [appellant sub 1] op 13 juni 2010 in de avond:

“Ter plaatse gesproken met [appellant sub 1] […] [appellant sub 1] is directeur van JVA Vastgoed adviseurs B.V. , [appellant sub 1] is compagnon van Dhr. [A] .

[appellant sub 1] vertelde over een langlopend conflict met [H] , [rb: volgt telefoonnummer van [H] ] (komt uit telefoon vrouw van dhr. [A] ). Zowel [appellant sub 1] als dhr. [A] vertelden over een zakelijk conflict met [H] . Twee jaar geleden is [A] bedreigd door [H] (Hiermee is politiebemoeienis geweest, politie Loenen a/d Vecht). E.e.a. heeft te maken met een transactie. […] De notaris die dit alles geregeld heeft is Dhr. [I] alleen in die transactie is een fout gemaakt. […] Afgelopen woensdag is [I] bedreigd door [H] en is hem gezegd dat hij 180.000 euro moet betalen.”

Ten aanzien van de verklaring van [I] in de avond van 13 juni 2010:

"[…] Ik ben Notaris geweest in Amsterdam. In 2008 ben ik betrokken geweest bij een transactie met partijen de heer [A] en de heer [H] . De heer [A] is eigenaar van het pand aan de [adres] . De transactie is kennelijk niet tot tevredenheid verlopen volgens [H] . Deze heeft zijn onvrede in brede kring geventileerd en heeft de heer [A] een jaar of twee geleden thuis bedreigd. Afgelopen dinsdag/woensdag ben ik benaderd door de heer [J] die beweerde namens [H] op te treden. Deze verlangde uitleg van de transactie tussen [A] en [H] . [H] meent geld van [A] te vorderen te hebben. Ik heb uitgelegd dat daarvoor mijns inziens geen grond bestaat. Ik heb sterk het vermoeden dat dit incident verband heeft met het conflict tussen [A] en [H] .”

En ten aanzien van de getuigenverklaring van [appellant sub 1] afgelegd bij de politie op maandagmiddag 14 juni 2010 (V: Vraag verbalisant en A: Antwoord getuige):

"V: Heeft u momenteel zakelijke geschillen met klanten en welke zijn dit?

A: Ik denk dat wij goed bekend sta binnen de vastgoedwereld. Als er geschillen zijn dan proberen wij die altijd op te lossen.

Mijn compagnon heeft een zakelijk geschil met [H] . […]

De notaris die bij de lening betrokken was, Mr. [I] , heeft per ongeluk 100 procent van de aandelen op naam van [A] gezet. Sindsdien is de relatie tussen mijn compagnon [A] en [H] ernstig verstoord. Dit is echter ongeveer anderhalf jaar geleden al rechtgezet.

Twee jaar geleden is er een bedreiging geweest van [H] richting [A] . De ruzie tussen [A] en [H] was namelijk geescaleerd over het gebruik van het geleende geld door [H] . […] Toen is er die dreiging geweest dat [H] [A] een kopje kleiner zou maken. [A] heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie. […] Die twee, [A] en [H] , liggen elkaar niet echt maar af dit moet leiden tot het gooien van een handgranaat in ons kantoor kan ik echt niet zeggen.

[…] [H] vindt nu, na anderhalf of twee jaar dat de notaris mr. [I] grote schuld had in de fout met de aandelen. Ik heb van [A] vernomen dat zijn accountant, [J] , de notaris mr. [I] had gebeld en tegen hem heeft gezegd je bent ons honderdtachtigduizend euro schuldig. […] Deze aanzegging is vorige week gedaan. Dit is dus nog niet afgelopen.

V: Zijn er nog meer zakelijke geschillen?

A: Momenteel is er een zakelijk geschil. […]

V: Tegen wie denkt u dat de bedreiging/aanslag gericht was?

A: Ik denk zelf niet dat de bedreiging/aanslag tegen ons was gericht. Als dit wel zo zou zijn is het iemand die doorgedraaid is en wij daar geen notie van hebben. [A] is momenteel in de Verenigde Staten. Gezien het gezamenlijk gebruik van het pand met Sorko en Swane is voor mij geheeld onzeker voor wie dit bedoeld kan zijn."

3.2

[appellanten] hebben in eerste aanleg gevorderd, samengevat, (a) te verklaren voor recht dat Het Parool inbreuk heeft gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [appellanten] en daarmee onrechtmatig jegens [appellanten] heeft gehandeld, althans dat Het Parool jegens [appellanten] onrechtmatig heeft gehandeld, en (b) Het Parool te veroordelen aan hen te vergoeden de schade die zij als gevolg van de onrechtmatige handelwijze van Het Parool hebben geleden en nog zullen lijden, nader op te maken bij staat, met veroordeling van Het Parool in de proceskosten, met rente. [appellanten] hebben hiertoe aangevoerd dat de publicatie van de artikelen door Het Parool op 14 juni 2010 en/of op 5 november 2012 hen in hun eer en goede naam heeft aangetast en in hun persoonlijke levenssfeer heeft geschaad, alsmede dat daardoor een inbreuk op hun persoonlijke integriteit is gemaakt.

Volgens [appellanten] is JVA ten onrechte in verband gebracht met een slepende ruzie over een onroerendgoedtransactie. De artikelen in Het Parool steunen niet op enig bewijs, aldus [appellanten]

3.3

De rechtbank heeft, kort samengevat, het volgende overwogen. Een beperking van het recht op vrije meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) is alleen toegestaan, als deze is voorzien bij de wet en in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van bijvoorbeeld de goede naam of rechten van anderen. Van een beperking die bij wet is voorzien, is sprake, als de uitingen van Het Parool onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW zijn. Het antwoord op de vraag welk recht - het recht op vrije meningsuiting of het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer - in het concrete geval zwaarder weegt, wordt gevonden door een afweging van alle omstandigheden. In het artikel van 14 juni 2014 wordt de slepende ruzie als speculatie gepresenteerd. Het is aannemelijk dat deze speculatie afkomstig is uit opsporingskringen. De naamsverwisseling, niet [appellant sub 1] maar [A] was bedreigd, is gelet op onder meer de actualiteitswaarde van het artikel verschoonbaar. Er is voldoende uitvoering gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor. Gesteld noch gebleken is dat het artikel van 24 maart 2012 feitelijk onjuist is. Onvoldoende is gesteld of onderbouwd dat de eer en goede naam van [appellanten] zijn aangetast door het artikel van 5 november 2012, waarin de naam van [appellant sub 1] niet wordt genoemd. In het licht van deze omstandigheden dient het belang van het Parool bij uitingsvrijheid zwaarder te wegen dan het belang van [appellanten] bij bescherming van hun eer en goede naam zodat de vorderingen worden afgewezen en [appellanten] in de proceskosten worden veroordeeld.

3.4

De grieven van [appellant sub 1] zijn niet gericht tegen de normatieve uitgangspunten die de rechtbank aan haar beoordeling ten grondslag heeft gelegd, maar wel tegen de uitkomst van de belangenweging die de rechtbank heeft toegepast en tegen de afwijzende beslissing die daarop is gevolgd. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling en het hof overweegt naar aanleiding daarvan het volgende.

3.5

Het hof stelt bij de beantwoording van de vraag of publicatie van de artikelen onrechtmatig was jegens [appellanten] voorop dat het recht van Het Parool op vrijheid van meningsuiting ingevolge artikel 10 EVRM slechts kan worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Van een dergelijke beperking is sprake indien de uitlatingen van Het Parool onrechtmatig zouden zijn in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is, moeten alle wederzijdse belangen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van Het Parool is er met name in gelegen dat zij zich als uitgever van een journalistiek medium in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken, terwijl het belang van [appellanten] met name erin is gelegen dat zij niet lichtvaardig worden blootgesteld aan verdachtmakingen en dat hun privacy niet onnodig wordt geschonden. Bij deze belangenafweging dienen alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen. Een van die omstandigheden is de mate waarin de publicatie steun vond in het beschikbare feitenmateriaal. Ook is de aard van de beschuldigingen en de inkleding daarvan van belang. Voorts speelt mee of [appellanten] ‘public figures’ zijn hetgeen mee zou brengen dat zij zich meer publiciteit moeten laten welgevallen dan een willekeurig ander persoon. Ook is van betekenis of in voldoende mate sprake is geweest van wederhoor.

3.6

Bij de vraag of een publicatie voldoende steun vond in het beschikbare feitenmateriaal gaat het er niet om of de gepubliceerde feiten door bewijsmiddelen onomstotelijk zijn vast te stellen. Het gaat er slechts om of in dat feitenmateriaal voldoende aanleiding was te vinden om de desbetreffende feiten in de publicatie te vermelden. De klachten van [appellanten] over de publicatie van het artikel van 14 juni 2010 komen erop neer dat zij daarin ten onrechte in verband worden gebracht met de bomaanslag. Zij stellen meer in het bijzonder dat nimmer sprake is geweest van een lang slepende ruzie over een vastgoedtransactie en dat zij nimmer met de dood zijn bedreigd. Het Parool stelt daar tegenover dat deze in de publicatie vermelde feiten wel voldoende steun vonden in het destijds beschikbare feitenmateriaal. Zijn verslaggever [X] had deze feiten vernomen uit opsporingskringen. Het Parool kan echter naar zijn zeggen geen verklaring overleggen van de voor de publicatie gebruikte bronnen omdat [X] hen destijds geheimhouding omtrent hun identiteit heeft beloofd. [appellanten] hebben dit laatste niet bestreden zodat het hof daarvan zal uitgaan. Voor Het Parool ligt het dan ook niet in de rede om de bronnen van [X] verder te openbaren; [appellanten] hebben overigens ook niet verzocht om dat wel te doen.

3.7

Een en ander kan dan ook slechts worden gereconstrueerd aan de hand van andere feiten en omstandigheden. Dit kunnen feiten of omstandigheden zijn die blijken uit geschriften of verklaringen die ten tijde van de publicatie nog niet voorhanden waren, maar die wel de stelling van Het Parool, dat de feiten afkomstig waren uit opsporingskringen, ondersteunen. De stelling van [appellanten] dat de thans bekende politiemutaties niet relevant zijn gaat dan ook niet op. In die mutaties is te lezen dat [A] in de avond van 13 juni 2010 telefonisch is benaderd en tegenover de politie een verband heeft gelegd tussen de bomaanslag en zijn persoon, althans zijn zakelijke activiteiten. Hij heeft immers ‘een vermoeden wie hier achter zit’. Zowel [appellant sub 1] als [A] hebben de politie diezelfde avond verteld over een langlopend conflict met [H] aangaande een zakelijke transactie. De politie heeft uit de mond van [A] dan wel [appellant sub 1] , daarover geven de mutaties geen uitsluitsel, vernomen dat [H] [A] twee jaar geleden heeft bedreigd, waarna politiebemoeienis heeft plaatsgevonden, en dat diezelfde [H] de woensdag vóór de aanslag de bij het conflict betrokken notaris [I] heeft bedreigd. [I] heeft, ook in de avond van de aanslag, tegenover de politie bevestigd dat er een zakelijk geschil is met [H] , dat [H] [A] heeft bedreigd en dat hij de afgelopen week namens [A] is benaderd over de afwikkeling van het geschil. Het hof is van oordeel dat een en ander maakt dat [X] uit opsporingskringen kan hebben vernomen dat er een zakelijk conflict is tussen JVA, althans [A] enerzijds en [H] anderzijds en dat [H] in verband met dit conflict [A] heeft bedreigd.

3.8

De inhoud van de politiemutaties wordt bovendien bevestigd door de verklaring van [G] . Hij heeft in het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij als leidinggevende van de rechercheurs die vanuit de piketdienst waren opgeroepen, naar de plaats van de bomaanslag is gegaan en dat hem daar werd ‘aangereikt’ dat de zaak iets te maken kon hebben met de klanten van het vastgoedbedrijf. Er was aanleiding te denken dat de zaak snel zou worden opgelost omdat de politie informatie kreeg van [appellant sub 1] , aldus [G] . [G] noemt aldus [appellant sub 1] zelf als bron voor de informatie over het conflict en benoemt dit vervolgens als een conflict tussen [H] en het vastgoedbedrijf. Kennelijk doelt hij daarbij op de onderneming van JVA die immers in het pand was gevestigd. Het ligt dan ook voor de hand dat ‘de opsporingskringen’ de langslepende ruzie tegenover [X] hebben benoemd als een conflict waarin JVA was betrokken, en dus ook [appellant sub 1] die immers bestuurder en, met [A] , aandeelhouder van JVA was. Dit te meer omdat het conflict zijn grond vond in een zakelijke transactie.

3.9

Daar tegenover hebben [appellant sub 1] en [A] in de verklaringen die zij in verband met het voorlopig getuigenverhoor hebben afgelegd, geen opheldering verschaft over de contacten die zij in de avond van de aanslag met de politie hebben gehad. [A] heeft daarover niets in het bijzonder verklaard. [appellant sub 1] heeft slechts verklaard dat de politie hem de avond na de bomaanslag niet heeft gevraagd van wie deze aanslag afkomstig zou kunnen zijn, dat er geen conflict is besproken en dat hij niet bekend is met bedreigingen van [A] . Dit is zo evident in strijd met zijn verklaring ter comparitie in eerste aanleg, waarin hij zegt dat de politie hem wel had gevraagd wie het op hem gemunt zou kunnen hebben, en met de inhoud van de politiemutaties, waarin staat dat [appellant sub 1] heeft bevestigd dat [H] [A] had bedreigd, dat het hof aan zijn verklaring afgelegd in het voorlopig getuigenverhoor voorbij gaat.

3.10

[appellanten] verwijzen nog naar de aangifte die [appellant sub 1] in de middag van 14 juni 2010 heeft gedaan. Dat [appellant sub 1] in die aangifte - overigens in reactie op de inhoud van het artikel in Het Parool - ontkent dat hij in een slepende ruzie betrokken is en bedreigd is, doet aan het voorgaande niet af. Deze verklaring heeft hij immers afgelegd na het verschijnen van het gewraakte artikel. Ook wijzen [appellanten] nog erop dat geen van de getuigen uit politie- en justitiekringen heeft verklaard dat er informatie is gegeven aan Het Parool. Daaruit kan echter nog niet de conclusie worden getrokken dat er geen informatie aan [X] is verstrekt door tot op heden anoniem gebleven bronnen uit opsporingskringen. De door Het Parool in het artikel genoemde feiten, die in grote lijnen overeenkomen met de inhoud van de mutaties en de verklaring van [G] , wijzen immers op het tegendeel. Het hof is dan ook van oordeel dat de beweringen in het artikel van 14 juni 2010 in ruime mate steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal.

3.11

[appellanten] wijzen wel terecht erop dat er geen feitenmateriaal is dat ondersteunt dat zij met de dood zijn bedreigd. Het Parool stelt dat sprake is geweest van een naamsverwisseling: het was niet [appellant sub 1] maar [A] die was bedreigd. Het hof volgt Het Parool in de constatering dat er wel sprake is geweest van een bedreiging van [A] . [A] heeft dit in zijn verklaring weliswaar kleiner gemaakt door te zeggen dat [H] wel eens bedreigende taal heeft geuit en dat hij zich niet bedreigd heeft gevoeld, maar dat neemt niet weg dat [A] kennelijk reden zag de politie erbij te halen toen [H] bij hem thuis langs kwam en ter zake aangifte te doen, zoals blijkt uit de op dit punt door [appellanten] niet bestreden politiemutaties. [A] heeft overigens ook verklaard dat zijn vrouw op dat moment thuis was. Een en ander betekent dat de in het artikel vermelde feiten juist zijn, behoudens dat sprake is van een te betreuren naamsverwisseling.

3.12

Die naamsverwisseling is op zichzelf genomen echter onvoldoende om te concluderen dat publicatie van het artikel onrechtmatig jegens [appellanten] was. In dit verband is het volgende van belang. Er kan van worden uitgegaan dat de bomaanslag aanleiding was voor publicatie van het artikel. Deze aanslag was, naar mag worden aangenomen, hoorbaar in de omgeving en de gevolgen daarvan waren blijkens de bij het artikel gepubliceerde foto zichtbaar vanaf de openbare weg. Dit betekent dat het artikel over de aanslag nieuwswaarde had en dat snelheid bij de publicatie daarvan vanuit het oogpunt van een goede nieuwsvoorziening geboden was. Het Parool heeft in verband met die geboden snelheid onbetwist gesteld dat het gewraakte artikel (na publicatie van een eerdere en kortere versie daarvan waartegen [appellanten] geen bezwaren hebben geuit) nog diende te worden meegenomen in de stadseditie van de krant van 14 juni 2010. In deze omstandigheden kunnen er minder zware eisen worden gesteld aan het verifiëren van alle gegevens. Dit te meer omdat die gegevens ook nog eens uit opsporingskringen afkomstig waren en dus een zeker gewicht hadden. De naamsverwisseling kan bovendien zijn ingegeven door het feit dat de granaat in de werkkamer van [appellant sub 1] terecht was gekomen en daar was ontploft én omdat [appellant sub 1] daarna in het pand aanwezig was en inlichtingen aan de politie had verstrekt. Daarbij komt dat [A] de zakelijke partner was van [appellant sub 1] en dat [appellant sub 1] bestuurder was van hun gezamenlijke bedrijf JVA dat in het pand was gevestigd. Ook het vermelden van de voldoende uit het feitenmateriaal blijkende bedreiging van [A] zou gevolgen hebben gehad voor de reputatie van [appellanten] Bovendien is die bedreiging niet het hoofdonderwerp van het artikel maar de bomaanslag.

3.13

[appellanten] stellen nog dat Het Parool met hen de verbintenis is aangegaan te bewijzen dat de informatie uit het artikel uit opsporingskringen afkomstig was en dat Het Parool heeft nagelaten dit te bewijzen. Het Parool betwist dat sprake is van een bewijsovereenkomst als door [appellanten] gesteld. Het hof overweegt over deze kwestie het volgende. [appellanten] verwijzen ter onderbouwing van hun stelling dat sprake is van een bewijsovereenkomst naar door hen geciteerde confraternele correspondentie, waarin de advocaat van Het Parool schrijft: ‘Dat was de eerste onderzoeksrichting van de recherche. Het Parool kan - en zal indien het tot een rechtszaak komt - dat met een getuige uit opsporingskringen bewijzen’. Daargelaten dat uit het citaat niet duidelijk wordt wat Het Parool precies kan en zal bewijzen, valt uit de gekozen bewoordingen niet op te maken dat Het Parool zich ertoe verbindt enig bewijs te leveren. Aldus kan niet worden aangenomen dat tussen partijen een bewijsovereenkomst tot stand is gekomen.

3.14

[appellanten] klagen voorts erover dat [X] , althans Het Parool, in onvoldoende mate uitvoering heeft gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor. [X] heeft hen immers niet gesproken en naar hun zeggen heeft [X] hen evenmin benaderd om hen te horen. Het hof overweegt dat [X] ter comparitie in eerste aanleg heeft verklaard dat hij de ochtend na de aanslag naar het kantoor van [appellant sub 1] is gegaan, dat hij daar heeft verteld wie hij is en dat hem vervolgens werd gezegd dat geen commentaar zou worden gegeven en dat hem werd verzocht het pand te verlaten. Hij heeft vervolgens gebeld naar een telefoonnummer van JVA en ook telefonisch werd hem gezegd dat geen commentaar werd gegeven. Dit stemt overeen met de verklaring van [appellant sub 1] ter comparitie in eerste aanleg. Hij heeft daar immers verklaard dat iemand het kantoor had bezocht en dat aan die persoon is meegedeeld dat ‘wij geen commentaar gaven’. [appellant sub 1] heeft tevens verklaard dat hij en [A] medewerkers hebben geïnstrueerd telefonisch geen commentaar te geven. Gelet op de houding van [appellant sub 1] op de ochtend na de aanslag kunnen [appellanten] thans Het Parool niet meer verwijten dat zij niet zijn gehoord voordat het artikel werd gepubliceerd.

3.15

Het hof overweegt nog dat in het artikel van 14 juni 2010 uitdrukkelijk een voorbehoud wordt gemaakt over het verband tussen de slepende ruzie (met [H] ) en de bomaanslag. Dit wordt tot uitdrukking gebracht met de woorden ‘de reden van de aanslag lijkt’ en ‘de granaataanslag lijkt verband te houden met’. Het hof zal ook dit laten meewegen bij zijn oordeel. Partijen hebben overigens niets van betekenis aangevoerd omtrent de vraag of [appellanten] als publieke figuren zijn aan te merken. Het hof zal ervan uitgaan dat dat niet in het bijzonder het geval is, behoudens dat [appellant sub 1] ondernemer is hetgeen een zeker risico op aandacht in de media meebrengt.

3.16

Gegeven de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de publicatie van het artikel van 14 juni 2010 niet onrechtmatig was jegens [appellanten] De inhoud van het artikel vond voldoende steun in het feitenmateriaal, zo is uit thans bekende feiten en omstandigheden gebleken. Voor zover sprake is van persoonsverwisseling, is dit onvoldoende om tot onrechtmatigheid te concluderen. Van schending van het recht op wederhoor is niet gebleken. Mede gelet op de aard van het artikel, de omstandigheden waaronder het is gepubliceerd en de inkleding daarvan is dan ook geen sprake van onrechtmatigheid.

3.17

[appellanten] voeren daarnaast aan dat het hiervoor onder 3.1.6 geciteerde artikel van 5 november 2012 jegens hen onrechtmatig is. De bewering in dat artikel dat de ramen van het pand aan de [adres] met kogels zijn doorzeefd is volstrekt in strijd met de waarheid, zo stellen zij. Het hof overweegt dat het enkele feit dat deze bewering in strijd is met de waarheid, onvoldoende is om publicatie van dit artikel onrechtmatig te achten jegens [appellanten] noch JVA worden in dit artikel genoemd. In het artikel wordt bovendien in de eerste plaats gerefereerd aan het gooien van de handgranaat hetgeen niet in strijd is met de waarheid. Het Parool heeft daarnaast overtuigend aangetoond dat de inhoud van het artikel, inclusief de onware mededeling over de kogelregen, is ontleend aan publicaties in andere media. [appellanten] worden dan ook niet gevolgd in hun stelling dat het enkele doel van de publicatie is geweest hun reputatie te beschadigen. Gelet op een en ander is er onvoldoende grond het artikel onrechtmatig te achten jegens [appellanten]

3.18

[appellanten] betogen voorts dat Het Parool zich gelet op de gehele gang van zaken onrechtmatig jegens hen heeft gedragen. Zij wijzen erop, naast het reeds besprokene, dat Het Parool heeft geweigerd de beslissing van de RvdJ te publiceren en voorts de rechtsgang heeft getraineerd door zich te verzetten tegen het horen van getuigen door [appellanten] Het hof volgt hen hierin niet. Het Parool is niet verplicht de uitspraken van de RvdJ te publiceren. Daarbij komt dat thans, na verweer van Het Parool, wordt geoordeeld dat de publicatie van het artikel van 14 juni 2010, de kern van de klacht bij de RvdJ, niet onrechtmatig was. Dat maakt te meer dat Het Parool heeft af kunnen zien van publicatie van de uitspraak van de RvdJ. [appellanten] hebben verder niet toegelicht waarom Het Parool onrechtmatig zou hebben gehandeld door het traineren van de rechtsgang. Dat had wel op hun weg gelegen. Het staat Het Parool in beginsel immers vrij verweer te voeren tegen een verzoek tot het houden of het voortzetten van een voorlopig getuigenverhoor.

3.19

Het Parool wijst voorts terecht erop dat beide publicaties waartegen [appellanten] bezwaren hebben geuit offline zijn gehaald binnen niet al te lange termijn nadat [appellanten] over die artikelen hadden geklaagd. Het Parool heeft bovendien op 24 maart 2012 een artikel gepubliceerd dat mede in overleg met de advocaat van [appellanten] tot stand is gekomen. In dat artikel wordt beschreven dat het onderzoek naar de bomaanslag zich eerst richtte op [appellant sub 1] die kantoor hield op de begane grond waar de granaat naar binnen was gegooid. Na een kwartaal kreeg men in de gaten dat de aanslag niets met [appellant sub 1] of JVA van doen had, aldus het artikel, waarna het tot januari 2012 duurde voordat arrestaties konden worden verricht. Mede uit de verklaring van een kroongetuige was gebleken dat de granaat was gericht tegen de partner van het advocatenkantoor dat de bovenverdieping van het pand huurde, zo besluit het artikel. Het hof is van oordeel dat gelet op al deze omstandigheden, waaronder het publiceren van laatstgenoemd artikel, niet kan worden geconcludeerd dat Het Parool onrechtmatig jegens [appellanten] heeft gehandeld.

3.20

[appellanten] stellen bij hun eerste grief nog aan de orde dat dient te worden bezien of Het Parool ‘zelfstandig’ onrechtmatig heeft gehandeld maar ook of Het Parool als werkgever van [X] aansprakelijk is voor diens handelen. Het hof is van oordeel dat dit laatste gezichtspunt niets toevoegt aan het voorgaande. Van enig onrechtmatig handelen van Het Parool of [X] is niet gebleken.

3.21

De slotsom is dat de grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellanten] zullen als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep,

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Het Parool tot op heden begroot op € 716,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, R.J.F. Thiessen en H.M.M. Steenberghe en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 april 2018.