Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1330

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
19-04-2018
Zaaknummer
23-000557-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het OM kan onder specifieke omstandigheden afzien van het uitvaardigen van de strafbeschikking die volgens de toepasselijke Richtlijn in aanmerking komt. Het hof is van oordeel dat het OM op de door de AG naar voren gebrachte gronden redelijkerwijs heeft kunnen beslissen om in de omstandigheden van dit geval geen strafbeschikking te doen uitgaan, maar tot dagvaarding over te gaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000557-17

datum uitspraak: 18 april 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 96‑201439-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

(BPR-adres[adres 1],

ter terechtzitting in hoger beroep als adres opgegeven: [adres 2].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof middels de navolgende overweging respondeert op een in eerste aanleg en in hoger beroep opnieuw gevoerd en nader toegelicht verweer.

Bespreking van een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte slechts éénmaal eerder is veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Op basis daarvan zou aan de verdachte in onderhavige zaak volgens de destijds geldende “Richtlijn voor strafvordering rijden onder invloed van alcohol en/of drugs en rijden tijdens een rijverbod” (2015R055, Stcrt. 2015/17958, in werking getreden op 1 juli 2015, verder: de Richtlijn) een strafbeschikking moeten zijn gegeven, in plaats van hem rauwelijks te dagvaarden. Dat de verdachte eerder ook is veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 9 van genoemde wet diende daarbij buiten beschouwing te blijven, omdat dat geen relevante vorm van recidive in de zin van die Richtlijn is. Er was ook geen andere aanleiding om van de Richtlijn af te wijken, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft op 30 september 2016 als beginnend bestuurder op een snorfiets gereden, terwijl hij de nodige alcohol had geconsumeerd. Bij onderzoek bleek dat zijn adem 780 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bevatte.

De verdachte valt met het gemeten ademalcoholgehalte (nog net) in schaal V van de op beginnende bestuurders van bromfietsen van toepassing zijnde tabel 2B van de Richtlijn. De Richtlijn schrijft voor dat ingeval van ‘1e recidive’ bij strafbeschikking een geldboete van € 325,00 en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden wordt opgelegd. Bij ‘meervoudige recidive’ dient de beginnende bestuurder te worden gedagvaard.

De verdachte is bij dagvaarding van 4 oktober 2016 gedagvaard te verschijnen voor de politierechter op verdenking van het op 30 september 2016 begane feit.

Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende de verdachte van 21 maart 2018 is de verdachte bij onherroepelijk vonnis van 26 oktober 2012 veroordeeld ter zake van a) overtreding van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de WVW 1994, gepleegd in december 2011 en b) overtreding van artikel 9, zevende lid, van die wet (het rijden gedurende een invordering van het rijbewijs), gepleegd op 3 maart 2012, en is hem c) op 2 maart 2016 een strafbeschikking opgelegd wegens, kort gezegd, openbare dronkenschap (artikel 426, eerste lid, Sr), welke laatstgenoemde beslissing op 29 maart 2016 onherroepelijk is geworden.

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat het in dit geval gerechtvaardigd was om een dagvaarding uit te brengen, omdat de verdachte, naast het onder a) genoemde verkeersmisdrijf, ook terzake van het onder b) genoemde verkeersmisdrijf met een andere pleegdatum is veroordeeld en dat beide delicten de verkeersveiligheid beogen te beschermen. Daarnaast heeft hij erop gewezen dat, mede gezien het onder c) genoemde vergrijp, kon worden verondersteld dat de verdachte met alcoholproblematiek kampte. Overigens heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat dit laatste in het verleden het geval is geweest.

Het hof is bij die stand van zaken van oordeel dat in het midden kan blijven of, zoals door de raadsman is betoogd, een veroordeling wegens overtreding van artikel 9, zevende lid, WVW 1994 kan worden aangemerkt als (relevante) recidive in de zin tabel 2B de Richtlijn. Ook als de opvatting van de raadsman juist is geldt dat het openbaar ministerie onder specifieke omstandigheden kan afzien van het uitvaardigen van de strafbeschikking die volgens de toepasselijke Richtlijn in aanmerking komt. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie reeds op de door de advocaat-generaal naar voren gebrachte gronden redelijkerwijs heeft kunnen beslissen om in de omstandigheden van dit geval geen strafbeschikking te doen uitgaan, maar tot dagvaarding over te gaan (vgl. Hoge Raad 18 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6942 en Hoge Raad 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1083). Het verweer wordt verworpen.

De raadsman heeft het hof nog verzocht te bepalen dat een veroordeling in de onderhavige zaak niet automatisch meebrengt dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig wordt verklaard. Daartoe is aangevoerd dat het, gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde brief van de Minister van Justitie en Veiligheid van 7 maart 2018 (kenmerk 2206340), de bedoeling is dat artikel 123b WVW 1994 op termijn komt te vervallen, en dat bepleit kan worden dat laatstgenoemde bepaling in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en ook artikel 7 van dat verdrag in het geding is. Echter, het hof ziet – als strafrechter – geen aanleiding in de voorliggende zaak te voldoen aan dat verzoek.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. J.J.I. de Jong en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van A.D. Renshof, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 april 2018.

De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat die arrest mede te ondertekenen.