Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1307

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
200.231.818/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Overdracht kredietrelatie van Van Lanschot aan Promontoria die het krediet vervolgens opzegt. Uitleg algemene bankvoorwaarden. Bij een overdracht van slecht presterende leningen uit een portefeuille kan niet gesproken worden van een gehele of gedeeltelijke overdracht van de onderneming van de bank in de zin van art. 36 algemene bankvoorwaarden. Geen rechtsgeldige contractsovername. De cessie is voorwaardelijk gedaan en aan de voorwaarde is niet voldaan. Verbod op executie onder dwangsom. Verwijzing naar de rechtbank voor voortzetting van het geding in een bodemprocedure (art. 438 lid 3 Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/382
JOR 2018/181 met annotatie van Mr. M. Huizingh
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.231.818/01 SKG

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/639409 / KG ZA 17/1276

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 april 2018

inzake

ALEGRE BEHEER B.V.,

gevestigd te Lelystad,

RENNOC NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Bussum,

TREGOBAD PROJECTBEHEER B.V.,

gevestigd te Lelystad,

appellanten,

tevens incidenteel geïntimeerden,

advocaat: mr. P.H.J. Körver te Den Haag,

tegen:

PROMONTORIA HOLDING 107 B.V.,

gevestigd te Baarn,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellante,

advocaat: mr. M.R.C.G.L. Fechner te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Alegre c.s. en Promontoria genoemd. Appellanten/incidenteel geïntimeerden worden afzonderlijk aangeduid met Alegre, Rennoc en Trebogad.

Alegre c.s. zijn bij dagvaarding van 15 januari 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 29 december 2017, met het hierboven genoemde zaak-/rolnummer, gewezen tussen hen als eiseressen en Promontoria als gedaagde. De appeldagvaarding bevat de grieven.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 19 februari 2018 doen bepleiten door hun hiervoor genoemde advocaten, waarbij van de zijde van Promontoria mede het woord is gevoerd door mr. M.J.F. Goethals, advocaat te Amsterdam en zijdens Alegre c.s. is geantwoord in incidenteel appel. De advocaten hebben gepleit aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Alegre c.s. hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en uitvoerbaar bij voorraad de vorderingen zoals verwoord in de appeldagvaarding zal toewijzen, met veroordeling van Promontoria in de proceskosten.

Promontoria heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis (in incidenteel appel: onder verbetering van gronden), met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van Alegre c.s. in de proceskosten, vermeerderd met nakosten en rente.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.12 de feiten opgesomd die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1.

Alegre c.s. zijn eigenaar van onder meer het onroerend goed aan de [adres 1] en de [adres 2] (hierna ook wel: de panden van Alegre c.s.). Van Lanschot heeft in 2006 krediet verstrekt aan Alegre c.s. Dit betreft een rekening-courantkrediet en een lening die afloopt per 31 oktober 2031. Per 23 januari 2015 was in totaal verschuldigd € 1.718.250,00. De kredieten dienden onder andere ter financiering van commercieel onroerend goed, waaronder de hiervoor genoemde panden van Alegre c.s. te [plaats 1] en [plaats 2] . Tot zekerheid voor de nakoming van de hiervoor genoemde kredieten is ten behoeve van Van Lanschot een recht van hypotheek gevestigd op de panden van Alegre c.s., verder zijn ten behoeve van Van Lanschot pandrechten gevestigd op de huuropbrengst van deze panden.

2.2.

Op de kredietrelatie tussen Alegre c.s. en Van Lanschot zijn algemene voorwaarden van Van Lanschot van toepassing die gelijkluidend zijn aan de Algemene Bankvoorwaarden van de Nederlandse Vereniging voor Banken (hierna ABV).

Artikel 2 ABV luidt:

Zorgplicht bank en cliënt

1. De bank neemt bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht en houdt daarbij naar beste vermogen rekening met de belangen van de cliënt. Geen van de bepalingen van deze algemene bankvoorwaarden of van de door de bank gebruikte bijzondere voorwaarden kan aan dit beginsel afbreuk doen.”

Artikel 36 ABV luidt:

“Contractsoverneming

Door het van toepassing worden van deze algemene bankvoorwaarden heeft de cliënt, voor het geval van (gedeeltelijke) overdracht van de onderneming van de bank, er bij voorbaat medewerking aan verleend dat zijn rechtsverhouding met de bank in het kader van die (gedeeltelijke) overdracht (gedeeltelijk) op een derde overgaat.”

In de toelichting op de ABV is bij artikel 36 vermeld:

“Wij kunnen onze onderneming (deels) overdragen aan een ander. Ook producten of diensten die u van ons afneemt kunnen mee overgaan. U wordt dan klant van degene die onze onderneming (deels) overneemt.

Het kan gebeuren dat wij onze onderneming (deels) willen overdragen aan een ander. Mogelijk willen wij dan ook de rechtsverhouding mee overdragen die wij met u hebben uit een overeenkomst met u. U verleent nu alvast uw medewerking hieraan. Wij geven een voorbeeld:

Wij dragen onze activiteiten over aan een andere bank. Dit kan betekenen dat overeenkomsten die wij met u hebben mee overgaan naar die andere bank. U krijgt hiervan een mededeling en wordt dan klant van die andere bank.”

2.3.

Artikel 26 lid 2 van de algemene voorwaarden 2009 van Van Lanschot luidt:

“Pand- en hypotheekrechten van de bank strekken voor het geval een andere bankinstelling als haar rechtsopvolgster onder algemene titel de bankrelatie van de bank met cliënt, geheel of gedeeltelijk voortzet mede ten gunste van die andere bankinstelling alsof deze de bank zelf was.”

2.4.

Promontoria behoort tot het concern van Cerberus Capital Management, een in de Verenigde Staten gevestigde private equity investeerder. Promontoria is volgens haar website betrokken bij de verwerving van vastgoed. Zij beschikt niet over een vergunning voor het verlenen of beheren van kredieten.

2.5.

Op 6 augustus 2015 bracht Van Lanschot een persbericht uit waarin zij mededeelde:

“Van Lanschot heeft een overeenkomst bereikt met een dochter van Cerberus Capital Management LP (hof: Promontoria) over de verkoop van een deel van de portefeuille met zakelijke vastgoedleningen. Cerberus neemt een portefeuille met non-performing vastgoedleningen over met een nominale waarde van ruim € 400 miljoen. Met deze stap versnelt Van Lanschot de in 2013 aangekondigde afbouw van de zakelijke kredietportefeuille, die niet langer tot de kernactiviteiten behoort. (…)”

2.6.

In een tussen Van Lanschot en Promontoria opgemaakte notariële akte getiteld “Deed of Transfer of Contract and Assignment” (contractsoverneming en cessie) van 30 september 2015 is het volgende vermeld, waarbij Van Lanschot als Transferor en Promontoria als Transferee worden aangeduid:

“In connection with the Sale, the Transferor and the Transferee have agreed that (…):

(i) all rights and obligations of the Transferor under the documents entered into with respect to the Assets specified in Schedule 1 (the Transferred Assets) will be transferred by way of transfer of contract (contractsoverneming) to the Transferee subject to the terms set out herein; and

(ii) all rights and benefits of the Transferor vis-à-vis the Excluded Counterparties (as defined below) under the documents entered into with respect to the Assets will be transferred by way of assignment (cessie) to the Transferee subject to the terms set out herein.

(…)

Excluded Counterparty means the counterparties of the Transferor specified in Schedule 2 (i) in relation to the Hedging Assets where the relevant counterparty has not given its consent to the transfer of such Hedging Asset to the Transferee and (ii) in relation to the Assets where the relevant counterparty has protested against the transfer of such Asset to the Transferee and a competent court of law has ruled such protest to be valid.”

2.7.

In een overgelegd uittreksel van het genoemde Schedule 1 staat op pagina 12 Alegre Beheer B.V. vermeld met twee kredieten: een rekening-courant krediet en een lening met een looptijd tot 31 oktober 2031. Schedule 2 is niet in dit geding overgelegd.

2.8.

In de hiervoor in 2.6 genoemde Deed of Transfer of Contract and Assignment is vermeld dat de overdracht strekt ter uitvoering van een op 5 augustus 2015 door Van Lanschot en Promontoria gesloten “sale and purchase agreement” (SPA). Deze SPA is niet in dit geding overgelegd.

2.9.

Promontoria heeft een derde aangesteld als dagelijks beheerder van de door Van Lanschot overgedragen kredietovereenkomsten. Die derde was eerst Capita Banking and Debt Solutions (Netherlands) B.V. (Capita), thans opgevolgd door Link Asset Services B.V. (Link). Na de overdracht aan Promontoria is de afdeling Bijzonder Beheer Vastgoed van Van Lanschot opgeheven. Aan de zeven medewerkers van deze afdeling werd aangeboden bij Capita in dienst te treden, welk aanbod twee medewerkers hebben geaccepteerd. Een nieuwe afdeling van Van Lanschot beheert kredieten die na het moment van de overdracht van de kredietportefeuille aan Promontoria als “non performing” zijn aangemerkt.

2.10.

In een brief van 6 oktober 2015 van beheerder Capita aan Alegre c.s. staat onder meer dat Van Lanschot bij brief van 6 augustus 2015 aan Alegre de verkoop van de leningen van Alegre aan Promontoria heeft medegedeeld. In de brief staat voorts dat deze verkoop mede omvat de kredietbrieven, borgtochten, garanties en alle andere aanverwante rechten.

2.11.

Bij brieven van 7 oktober 2015 heeft Van Lanschot aan Trebogad, Rennoc en Alegre bericht dat per 30 september 2015 door middel van contractsoverneming en cessie is overgedragen aan Promontoria:

- met betrekking tot Trebogad: het krediet in rekening-courant (tezamen met de bijbehorende leningsovereenkomst en zekerheidsrechten) met productnummer [nummer 1] en een uitstaand saldo per 30 september 2015 van - € 78.682,12;

- met betrekking tot Rennoc: het krediet in rekening-courant met productnummer [nummer 2] en een uitstaand saldo per 30 september 2015 van - € 51.801,42;

- met betrekking tot Alegre: de geldlening met productnummer [nummer 3] met een uitstaand saldo per 30 september 2015 van - € 1.462.500,00 en het krediet in rekening-courant met productnummer [nummer 4] met een uitstaand saldo per 30 september 2015 van - € 109.310,10.

Voorts is in de brieven medegedeeld dat met betrekking tot de kredietproducten Promontoria per 30 september 2015 de contractuele wederpartij en hypotheek-/pandhouder is en dat met betrekking tot de rekening-courantkredieten de uitstaande vordering uit hoofde hiervan is overgedragen aan Promontoria.

2.12.

Bij brieven van 26 juli 2016 en 16 september 2016 is Alegre door Capita gesommeerd achterstallige rente en aflossingen te voldoen bij gebreke waarvan rechtsmaatregelen zijn aangekondigd.

2.13.

Bij brieven van 17 januari 2017 heeft Capita aan Alegre c.s. bericht dat Alegre c.s. niet aan haar verplichtingen jegens Promontoria voldoet, zodat Promontoria het krediet van Alegre c.s. opzegt, als gevolg waarvan de vordering van Promontoria op Alegre c.s. onmiddellijk opeisbaar is. Tevens is Alegre c.s. gesommeerd het openstaande bedrag van EUR 1.724.039,08 uiterlijk op 17 maart 2017 te voldoen, bij gebreke waarvan zekerheden zullen worden uitgewonnen. Voorts schrijft Capita op grond van artikel 27 van de ABV, artikel 16 van de AVGZ (Algemene Voorwaarden voor Geldleningen Zakelijk) en artikel 5 van de AVRC (Algemene Voorwaarden Rekening-Courant voor niet-consumenten) bevoegd te zijn om het krediet op te zeggen wanneer sprake is van een tekortkoming.

3 Beoordeling

3.1.

Alegre c.s. vorderen in hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Promontoria te verbieden de panden van Alegre c.s. te verkopen (te veilen) en te leveren;

II. Promontoria te verbieden om de kredietovereenkomst met Alegre c.s. op te eisen dan wel op te zeggen dan wel het nemen van rechtsmaatregelen te verbieden waaronder begrepen uitwinning van zekerheden, in verband met een opeising dan wel opzegging van de kredietovereenkomst met Alegre c.s.;

III. te bepalen dat Alegre c.s. ten minste een termijn van 60 maanden wordt vergund voor het aflossen van de kredietovereenkomst;

IV. subsidiair Promontoria te gelasten dat de kredietovereenkomst door Promontoria zal worden voortgezet tot aan de datum waarop die overeenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd;

V. Promontoria te veroordelen tot nakoming van hetgeen hiervoor onder I tot en met III is opgenomen op straffe van een dwangsom;

VI. veroordeling van Promontoria in de proceskosten.

3.2.

De voorzieningenrechter heeft de in eerste aanleg ingestelde vorderingen afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen Alegre c.s. met hun grieven op. In incidenteel appel komt Promontoria met twee grieven op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter (rov. 4.6-4.8) dat voorshands moet worden aangenomen dat de in artikel 36 ABV bij voorbaat gegeven medewerking niet van toepassing is op de contractsoverneming door Promontoria en dat daarom geen sprake is van een overdracht van een deel van de onderneming van Van Lanschot in de zin van artikel 36 ABV, zodat deze nietig is.

3.3.

In hoger beroep zijn drie onderwerpen aan de orde die achtereenvolgens zullen worden behandeld: (i) de medewerking bij voorbaat aan een contractsoverneming op grond van artikel 36 ABV, (ii) de medewerking achteraf aan een contractsoverneming en (iii) de overgang van de rechten die voortvloeien uit de verstrekte kredieten en de gevestigde hypotheekrechten door een cessie.

3.4.

Promontoria stelt primair dat zij de kredietovereenkomsten tussen Van Lanschot en Alegre c.s. bij wijze van contractsoverneming heeft overgenomen. De vereiste medewerking aan de contractsoverneming door Alegre c.s. als bedoeld in artikel 6:159 lid 1 BW is volgens Promontoria bij voorbaat verleend, omdat in dit geval sprake is van een (gedeeltelijke) overdracht van de onderneming van de bank als omschreven in artikel 36 ABV. Alegre c.s. betwisten dit.

3.5.

De voorzieningenrechter heeft zich bij de beoordeling aangesloten bij een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 20 september 2017 in een bodemzaak (ECLI:NL:RBOBR:2017:4913) die op hetzelfde onderwerp betrekking heeft. In die zaak is vastgesteld dat het hoofddoel van de overdracht door Van Lanschot aan Promontoria niet was het overdragen van haar afdeling bijzonder beheer, maar het overdragen van een pakket kredieten, waarna de verkrijger het bijzonder beheer van alleen dat pakket is gaan uitvoeren. Van de kredieten die na de overdracht als “non performing” werden aangemerkt is Van Lanschot zelf het bijzonder beheer weer gaan doen. Promontoria en Capita (thans Link) kunnen zelf niet functioneren zoals een afdeling bijzonder beheer van Van Lanschot kan functioneren, omdat zij slechts een vergunning hebben om kredieten te beheren en niet in staat zijn om een krediet van een niet-presterende klant te verhogen indien dat de meest geëigende maatregel is om het kredietrisico op termijn te verlagen. Uitgaande van deze omstandigheden, die Alegre c.s. aan hun vorderingen ten grondslag leggen en waarvan in het onderhavige geding niet aannemelijk is geworden dat die onjuist zouden zijn, is de voorzieningenrechter voorshands tot het oordeel gekomen dat de gestelde contractsoverneming door Promontoria niet kan worden aangemerkt als de overdracht van een deel van de onderneming van Van Lanschot in de zin van artikel 36 ABV, zoals deze bepaling naar normaal spraakgebruik dient te worden begrepen.

3.6.

Het hof komt tot dezelfde afweging als de voorzieningenrechter. Op grond van hetgeen is aangevoerd moet voorshands worden aangenomen dat Van Lanschot een deel van haar zakelijke vastgoedleningen bij wijze van contractsoverneming heeft willen overdragen aan Promontoria. Het betreft het deel van de zakelijke vastgoed kredietportefeuille dat bij de afdeling Bijzonder Beheer Vastgoed van Van Lanschot was ondergebracht. De beoogde overdracht betrof daarmee alleen het slecht presterende deel van de zakelijke vastgoedleningen van Van Lanschot. Zij heeft niet haar afdeling Bijzonder Beheer Vastgoed aan Promontoria overgedragen en evenmin is het bijzonder beheer van de genoemde leningen geheel overgedragen. In hoger beroep heeft Promontoria immers niet bestreden dat Van Lanschot van de kredieten die pas na de overdracht als “non-performing” werden aangemerkt weer zelf het bijzonder beheer is gaan doen. Met het enkel overdragen van de slecht presterende leningen uit een bepaalde portefeuille kan naar het voorshands oordeel van het hof niet gesproken worden van een (gedeeltelijke) overdracht van de onderneming van de bank. De argumenten van Promontoria, zoals de algemene belangen van het handelsverkeer en de wens van de wetgever om gedeeltelijke overdracht van onderneming niet te bemoeilijken doen daaraan niet af, nu die naar voorshands oordeel niet leiden tot een zo ruime uitleg dat daaronder ook deze concrete situatie valt. Voor de overdracht van de onderhavige kredietovereenkomsten hebben Alegre c.s. daarom niet met artikel 36 ABV bij voorbaat hun toestemming aan Van Lanschot verleend, zodat daarvan uitgaande geen rechtsgeldige contractsoverneming heeft plaatsgevonden.

3.7.

Subsidiair stelt Promontoria dat Alegre c.s. achteraf impliciet hun medewerking hebben gegeven aan de contractsoverneming. De voorzieningenrechter is Promontoria daarin gevolgd en heeft op grond daarvan voorshands aangenomen dat de contractsoverneming rechtsgeldig heeft plaatsgevonden.

3.8.

Alegre c.s. bestrijden dit oordeel en voeren aan dat hen door Van Lanschot is medegedeeld dat een contractsoverneming heeft plaatsgevonden met inachtneming van artikel 36 van de ABV. Op grond van de hiervoor besproken omstandigheden is hen achteraf gebleken dat dit niet juist was. Zij hebben zich vervolgens tegen de contractsoverneming verzet. Alegre c.s. hebben ter zitting bij het hof medegedeeld dat voor zover zij geacht moet worden achteraf hun medewerking te hebben verleend, inmiddels de contractsoverneming buitengerechtelijk met een beroep op dwaling is vernietigd. Promontoria heeft dat niet bestreden. Het hof acht voorshands niet uitgesloten dat dit beroep op dwaling kans van slagen heeft. Dit brengt reeds mee dat niet kan worden aangenomen dat een rechtsgeldige contractsoverneming heeft plaatsgevonden.

3.9.

Meer subsidiair stelt Promontoria zich op het standpunt dat de rechten die voortvloeien uit de kredietovereenkomsten aan haar zijn gecedeerd. Zij beroept zich daarbij op het gestelde in de Deed of Transfer of Contract and Assignment. Op grond van de rechten die haar zijn overgedragen, stelt Promontoria bevoegd te zijn om de kredieten op te zeggen wanneer sprake is van een tekortkoming. Van die bevoegdheid heeft zij gebruik gemaakt. Na de opzegging van de kredieten is zij bevoegd het uitstaande krediet van Alegre c.s. op te eisen, aldus Promontoria.

3.10.

Alegre c.s. voeren met hun grieven aan, naar de kern genomen, dat de rechten zoals die voortvloeien uit de kredietovereenkomsten niet rechtsgeldig aan Promontoria zijn overgedragen. Naar aanleiding van dit verweer heeft het hof ter zitting met partijen de tekst van de Deed of Transfer of Contract and Assignment besproken. Op basis daarvan is het hof voorshands van oordeel dat het verweer van Alegre c.s. slaagt. Uit de bewoordingen en systematiek van de Deed of Transfer of Contract and Assignment moet worden afgeleid dat de cessie waarop Promontoria zich beroept alleen betrekking heeft op de rechten die Van Lanschot heeft jegens zogenoemde “Excluded Counterparties”. Uit de definitie daarvan blijkt dat daaronder alleen zijn begrepen – voor zover van belang en samengevat weergegeven – de wederpartijen zoals vermeld in Schedule 2 en de wederpartijen bij kredietovereenkomsten waarbij die zich hebben verzet tegen de contractsoverneming, terwijl de bevoegde rechter heeft beslist dat dit verzet terecht is gedaan (“the counterparties of the Transferor (…) in relation to the Assets where the relevant counterparty has protested against the transfer of such Asset to the Transferee and a competent court of law has ruled such protest to be valid”). De cessie ziet daarmee op een voorwaardelijke overdracht, aan welke voorwaarde naar het voorlopig oordeel van het hof op grond van de thans beschikbare gegevens niet is voldaan.

3.11.

Het voorgaande betekent reeds dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven.

3.12.

Zoals hiervoor is overwogen, bestaat thans onvoldoende basis om te kunnen concluderen dat een contractsoverneming heeft plaatsgevonden en/of dat Promontoria op grond van een cessie was gerechtigd tot opzegging en opeising van de kredieten over te gaan. Het hof heeft geconstateerd dat naast de onderhavige procedure ook andere procedures zijn of worden gevoerd over dezelfde of soortgelijke vragen. Voorkomen moet worden dat tegenstrijdige beslissingen worden genomen. Voor het nemen van verantwoorde beslissingen is het van belang dat duidelijkheid wordt verkregen over de wijze waarop Van Lanschot het in geding zijnde deel van haar zakelijke vastgoedleningen heeft verkocht. Naar het oordeel van het hof kan in dit kort geding het daarvoor vereiste inzicht in de feiten niet worden verschaft. Hiervoor is nader onderzoek vereist waarvoor een kort geding zich niet leent. In aanmerking nemende dat beide partijen een groot financieel belang hebben bij duidelijkheid zal de voorzieningenrechter de zaak, zoals subsidiair door Alegre c.s. is verzocht, op de voet van artikel 438 lid 3 Rv verwijzen naar de sector civiel van de rechtbank Amsterdam om voort te procederen. Ingevolge deze bepaling zal Alegre c.s. op de in het dictum vermelde roldatum in de gelegenheid worden gesteld voor eis te concluderen.

3.13.

Bij wijze van ordemaatregel zal de door Promontoria voorgenomen uitwinning van de zekerheden, daaronder begrepen de executieverkoop van de panden van Alegre c.s., worden verboden voor de duur van de bodemprocedure bij de rechtbank Amsterdam, totdat een eindvonnis is gewezen over de vraag of Promontoria bevoegd is de kredieten op te zeggen, deze op te eisen en tot uitwinning van de door Alegre c.s. verstrekte zekerheden over te gaan. Het hof gaat ervan uit dat partijen, totdat de rechtbank eindvonnis heeft gewezen, hun verplichtingen over en weer nakomen alsof de kredietovereenkomsten niet waren opgezegd. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.

3.14.

Gelet op het voorgaande kunnen de overige stellingen van partijen en de overige vorderingen van Alegre c.s. onbesproken blijven.

3.15.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Promontoria worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties. Nu het debat in incidenteel appel geheel samenviel met dat in principaal appel ziet het hof geen aanleiding daarmee in de kostenveroordeling apart rekening te houden.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

verwijst de zaak naar de rol van de rechtbank Amsterdam, sector civiel, van 16 mei 2018, voor het nemen van een conclusie van eis door Alegre c.s.;

verbiedt Promontoria

a. een of meer van de panden van Alegre c.s. te verkopen, te veilen en/of te leveren aan een derde of derden, en

b. een of meer van de kredietovereenkomsten met Alegre c.s. op te zeggen, een of meer van de kredieten op te eisen en rechtsmaatregelen te treffen in verband met een opzegging dan wel opeising van de kredietovereenkomsten met Alegre c.s., daaronder begrepen de uitwinning van de verstrekte zekerheden,

een en ander voor de duur van de bodemprocedure bij de rechtbank Amsterdam, totdat een eindvonnis is gewezen over de vraag of Promontoria bevoegd is de kredieten op te zeggen, de kredieten op te eisen en/of tot uitwinning van de door Alegre c.s. verstrekte zekerheden over te gaan;

bepaalt dat Promontoria een dwangsom verbeurt van € 500.000,00 voor elke keer dat zij, na betekening, de hiervoor onder a of b geformuleerde verboden overtreedt, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 3.000.000,00;

veroordeelt Promontoria in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van Alegre c.s. begroot op € 703,21 aan verschotten en € 816,00 voor salaris, in principaal hoger beroep tot op heden op € 807,00 aan verschotten en € 2.682,00 voor salaris;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.W. Hoekzema en A.W.H. Vink en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.