Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1283

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
200.068.819/06 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; enquêterecht; verlenging van getroffen voorzieningen met een periode van vooralsnog twee jaren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ARO 2018/128
JONDR 2018/479
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.068.819/06 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 11 april 2018

inzake

1 [A] ,

wonende te [....] ,

2. [B],

wonende te [....] ,

3. [C],

wonende te [....] ,

VERZOEKERS,

advocaat: mr. K.M. Kole, kantoorhoudende te Arnhem,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[D] ,

gevestigd te [....] ,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. J. van Bekkum en mr. L. Stoppels, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

I.R.B. HOLDING B.V.,

gevestigd te Almere,

2. [E],

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

advocaten: mr. W.J.P. Jongepier en mr. A. Rosielle, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

3 [F] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. J. Anema, kantoorhoudende te Amersfoort.

1 Het verloop van het geding

1.1

Partijen en andere personen zullen hierna als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoekers tezamen als [A] c.s.;

  • -

    verweerster als [D] ;

  • -

    de verschenen belanghebbenden als respectievelijk IRB, [E] en [F] ;

  • -

    [G] als Stak.

1.2

Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 25 en 27 april 2012 (in de zaak met nummer: 200.068.819/01 OK), 3 april 2014 (in de zaak met nummer: 200.068.819/03 OK) en 9 maart 2016 (in de zaak met nummer 200.068.819/04 OK).

1.3

Bij de beschikking van 25 april 2012 heeft de Ondernemingskamer vastgesteld dat sprake is geweest van wanbeleid van [D] . Zij heeft voorts de volgende voorzieningen getroffen:

  1. vernietiging van bepaalde besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders van [D] van 15 december 2006;

  2. ontslag van IRB als bestuurder van [D] ;

  3. benoeming met ingang van 25 april 2012, vooralsnog voor een periode van twee jaren, van een door de Ondernemingskamer nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van [D] ;

  4. overdracht ten titel van beheer met ingang van 25 april 2012, vooralsnog voor een periode van twee jaren, van de door Stak gehouden aandelen in [D] aan een door de Ondernemingskamer nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon.

1.4

Bij de beschikking van 27 april 2012 heeft de Ondernemingskamer ing. G.C.J. Verweij te Alphen aan den Rijn (hierna: Verweij) en mr. W.G. van Hassel te Klaaswaal (hierna: Van Hassel) aangewezen als bestuurder respectievelijk beheerder als bedoeld in de beschikking van 25 april 2012.

1.5

Bij de beschikking van 3 april 2014 heeft de Ondernemingskamer de bij beschikking van 25 april 2012 getroffen voorzieningen tot benoeming van een bestuurder van [D] alsmede tot overdracht van de aandelen van Stak ten titel van beheer verlengd met een periode van vooralsnog twee jaren, met ingang van 25 april 2014. De Ondernemingskamer heeft deze voorzieningen bij de beschikking van 9 maart 2016 nogmaals verlengd met een periode van vooralsnog twee jaren, met ingang van 25 april 2016.

1.6

IRB en [E] hebben bij op 10 april 2017 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties, dat is aangepast en aangevuld op 8 juni 2017, de Ondernemingskamer verzocht primair zowel de tijdelijke aanstelling van Verweij tot bestuurder van [D] als de tijdelijke overdracht van de aandelen van Stak ten titel van beheer aan Van Hassel te beëindigen, waarmee de enquêteprocedure tot een einde komt, subsidiair de tijdelijke aanstelling van Verweij te beëindigen, onder gelijktijdige benoeming van een nieuwe bestuurder van [D] voor een door de Ondernemingskamer te bepalen termijn. Tijdens de behandeling van dit verzoek ter zitting van de Ondernemingskamer van 29 juni 2017 is in overleg met partijen een schikkingscomparitie gelast.

1.7

De in 1.6 genoemde schikkingscomparitie heeft op 13 september 2017 plaatsgevonden ten overstaan van mr. G.C. Makkink, raadsheer-commissaris. Partijen hebben toen een regeling met elkaar getroffen over de wijze waarop zij hun geschil over de verdeling van de certificaten van aandelen in [D] en Hebutex B.V. (hierna: Hebutex) zullen oplossen. De regeling is vastgelegd in een proces-verbaal, dat door partijen voor akkoord is ondertekend en dat aan hen is verstrekt. De regeling houdt onder meer in dat de beslissing van de Ondernemingskamer op het verzoek van IRB en [E] zal worden aangehouden, dat zodra de in het proces-verbaal bedoelde splitsing is gerealiseerd IRB en [E] hun verzoek zullen intrekken, partijen de Ondernemingskamer gezamenlijk zullen verzoeken de voorzieningen op te heffen en zij Van Hassel zullen verzoeken terug te treden als bestuurder van Stak.

1.8

[D] heeft bij op 16 maart 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de tijdelijke aanstelling van Verweij tot bestuurder van [D] (opnieuw) te verlengen met een termijn van twee jaar, te rekenen vanaf 25 april 2018, althans met een door de Ondernemingskamer in goede justitie te bepalen termijn, en

  2. de tijdelijke overdracht ten titel van beheer van 100% van de aandelen in [D] aan Van Hassel (opnieuw) te verlengen met een termijn van twee jaar, te rekenen vanaf 25 april 2018, althans met een door de Ondernemingskamer in goede justitie te bepalen termijn.

1.9

Bij e-mail van 22 maart 2018 heeft mr. Anema voormeld namens [F] meegedeeld geen verweer te zullen voeren tegen het in 1.8 genoemde verzoek.

2 De gronden van de beslissing

2.1

[D] heeft ter toelichting op haar verzoek naar voren gebracht dat de splitsing die partijen ter schikkingscomparitie van 13 september 2017 zijn overeengekomen, nog niet is gerealiseerd en dat zij nog in overleg zijn over de verdere uitwerking van de getroffen regeling. Dit proces zal volgens [D] nog de nodige tijd in beslag nemen, waardoor de splitsing niet vóór het eindigen van de getroffen voorzieningen op 25 april 2018 zal zijn voltooid. Met het oog hierop verzoekt [D] zowel de tijdelijke aanstelling van Verweij tot bestuurder van [D] als de tijdelijke overdracht ten titel van beheer van de aandelen in [D] aan Van Hassel te verlengen met in beginsel twee jaren vanaf die datum, zonder dat dit afdoet aan hetgeen partijen zijn overeengekomen voor het geval de splitsing eenmaal is gerealiseerd.

2.2

Bij het verzoek bevinden zich op verzoek van [D] afgegeven verklaringen van mr. Kole voormeld namens [A] c.s., van mr. Jongepier namens IRB en [E] en van Van Hassel. Zij geven daarbij te kennen in te stemmen met het verlengingsverzoek en af te zien van het voeren van verweer daartegen. Ook [F] voert geen verweer (zie 1.9).

2.3

De Ondernemingskamer overweegt als volgt.

Zoals blijkt uit haar beschikkingen van 25 en 27 april 2012 zag de Ondernemingskamer toen aanleiding om op de voet van artikel 2:355 BW Verweij te benoemen als tijdelijk bestuurder van [D] en de aandelen van Stak in [D] ten titel van beheer tijdelijk over te dragen aan Van Hassel. De Ondernemingskamer heeft vervolgens voldoende grond gezien de geldingsduur van deze voorzieningen tot tweemaal toe te verlengen. Thans is gebleken dat alle partijen wensen dat de geldingsduur van de voorzieningen nogmaals met in beginsel twee jaren wordt verlengd omdat de overeengekomen splitsing nog niet is gerealiseerd. De Ondernemingskamer zal het verlengingsverzoek, gelet hierop, toewijzen. De Ondernemingskamer neemt daarbij in aanmerking dat verlenging van de geldingsduur van de voorzieningen met vooralsnog twee jaren vanaf 25 april 2018, geen afbreuk doet aan hetgeen partijen ter schikkingscomparitie van 13 september 2017 zijn overeengekomen voor het geval de splitsing eenmaal een feit is.

3 De beslissing

De Ondernemingskamer:

verlengt, met ingang van 25 april 2018, de bij beschikking van 25 april 2012 getroffen voorzieningen tot benoeming van een bestuurder van [D] alsmede tot overdracht van de aandelen van [G] ten titel van beheer met een periode van vooralsnog twee jaren;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en mr. M.M.M. Tillema, raadsheren, en prof. dr. mr. F. van der Wel RA en dr. P.M. Verboom, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 11 april 2018.