Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1280

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
200.228.619/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.228.619/01

zaaknummer rechtbank: C/13/632279 / JE RK 17-718

beschikking van de meervoudige kamer van 10 april 2018 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F.P.M. van Gerven te Amsterdam,

en

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI,

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader);

- [de pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegmoeder);

- [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ).

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

locatie: Amsterdam

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) van 4 september 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 1 december 2017 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 4 september 2017.

2.2

De vader en de pleegmoeder hebben op 11 januari 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof is voorts een e-mailbericht van de zijde van de GI van 29 januari 2018 ingekomen.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 22 februari 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Gerven.

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager.

- de vader, vertegenwoordigd door mr. F. Lavell, advocaat te Amsterdam;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [X] ;

- Jeugdbescherming Regio Amsterdam, vertegenwoordigd door de voormalig gezinsmanager (hierna: JBRA);

- mevrouw [Y] , begeleidster van de moeder en werkzaam bij Cordaan.

De pleegmoeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is geboren:

- [de minderjarige] , [in] 2009, te [geboorteplaats] .

De moeder heeft het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] verblijft sinds 13 september 2016 bij de pleegmoeder.

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter van 13 maart 2012 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van JBRA. Deze ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 13 september 2017.

3.3

Bij beschikking van de kinderrechter van 12 september 2016 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij een pleegouder, te weten de oma vz, met ingang van

13 september 2016 tot 13 september 2017.

3.4

Bij beschikking van de kinderrechter van 11 mei 2017 is het verzoek van JBRA, een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlenen voor verblijf bij een neutrale pleegouder voor de duur van de ondertoezichtstelling, afgewezen.

Het door de moeder ter zitting gedane verzoek om [de minderjarige] bij de moeder terug te plaatsen dan wel een bijzondere curator te benoemen, is eveneens afgewezen.

3.5

Bij e-mailbericht van 29 januari 2018 heeft de GI bericht dat de uitvoering van deze beschermingszaak in oktober 2017 – naar het hof begrijpt – is gemandateerd door JBRA aan de GI.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd met ingang van 13 september 2017 voor de duur van een jaar, uit te voeren door JBRA. Voorts is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf bij een pleegouder, te weten grootmoeder (vaderszijde), verlengd met ingang van 13 september 2017 voor de duur van een jaar.

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek van de GI de (ondertoezichtstelling en) machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor verblijf bij een pleegouder, te weten grootmoeder vaderszijde, voor een jaar te verlengen, af te wijzen althans die machtiging in tijd c.q. duur te beperken.

4.3

De pleegmoeder en de vader verzoeken het beroep van de moeder te verwerpen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De moeder heeft ter zitting in hoger beroep haar verzoek ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] ingetrokken, zodat dit verzoek geen bespreking meer behoeft. Het hof zal derhalve thans uitsluitend haar verzoek ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] beoordelen.

5.2

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW – voor zover thans van belang – kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor of de rechtbank terecht en op goede gronden de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] heeft verlengd, en of deze gronden thans ook nog aanwezig zijn.

5.3

De moeder stelt dat zij ten onrechte niet is uitgenodigd of opgeroepen voor de zitting in eerste aanleg.

Deze stelling, wat van de juistheid daarvan ook zij, behoeft bij gebrek aan belang geen verdere bespreking. De moeder is in hoger beroep in de gelegenheid geweest ter zitting te verschijnen en verweer te voeren.

5.4.

Ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] stelt de moeder dat zij in staat is om zelf voor [de minderjarige] te zorgen en hem op te voeden. Zij is bereid om daarbij hulp en begeleiding, of zelfs toezicht, te accepteren. Ze wordt inmiddels begeleid door Cordaan. Zij is van mening dat er nog veel mogelijkheden zijn om haar band met [de minderjarige] te versterken en om het ertoe te leiden dat hij weer bij haar kan wonen. Zij heeft het recht om haar zoon bij zich te hebben en al het mogelijke behoort hiervoor te worden gedaan. Spirit had geen zicht op de fysieke en emotionele veiligheid van [de minderjarige] bij de pleegmoeder en was niet in staat om een gesprek met de pleegmoeder aan te gaan en aanvullend werkonderzoek uit te voeren. Spirit heeft zelfs de pleegzorgbegeleiding beëindigd, nu het niet langer kon instaan voor de fysieke en emotionele veiligheid van [de minderjarige] , aldus de moeder.

5.5

De GI en JBRA voeren aan dat het in het belang van [de minderjarige] is als hij bij de pleegmoeder blijft wonen. Hij is aan haar gehecht en maakt op dit moment een goede ontwikkeling door. Toen [de minderjarige] nog bij de moeder woonde, lukte het de moeder niet om hem structuur en regelmaat te bieden. Zo was zij niet in staat om ervoor te zorgen dat hij op tijd naar school ging en dat zijn schoolverzuim daalde. Hierdoor kon [de minderjarige] niet toekomen aan zijn normale ontwikkelingstaken. De samenwerking met de pleegmoeder verloopt goed. Voorts is thans een andere pleegzorgorganisatie betrokken; Timon pleegzorg. De pleegmoeder staat daarvoor open. [de minderjarige] heeft inmiddels de speltherapie afgerond, hij is elke sessie aanwezig geweest en heeft geleerd zijn emoties beter te uiten. Ook de pleegmoeder heeft hieraan goed meegewerkt. Op school functioneert [de minderjarige] eveneens goed, zowel op sociaal als cognitief vlak, aldus de GI en JBRA.

5.6

De pleegmoeder en de vader voeren beiden aan dat [de minderjarige] sinds het najaar van 2016 bij de pleegmoeder verblijft en voordien ook van december 2011 tot april 2014 bij haar heeft verbleven. Vóór de eerste uithuisplaatsing heeft [de minderjarige] enige tijd bij de vader verbleven en sindsdien is er een omgangsregeling met de vader. Deze regeling komt de vader na en hij voorziet daarmee ook in de (gedeeltelijke) zorg voor [de minderjarige] . De pleegmoeder en de vader achten zich derhalve belanghebbenden en dus ontvankelijk. Ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voeren zij aan dat de gronden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog aanwezig zijn. De moeder kampt al lange tijd met sociale en persoonlijke/psychische problematiek. Zij heeft nog een kans gehad om te laten zien dat zij voor [de minderjarige] kon zorgen, na de thuisplaatsing in 2014, maar is daarin niet geslaagd, ondanks residentiele begeleiding in de Bascule en begeleiding van Cordaan. De pleegmoeder betwist dat zij niet neutraal zou zijn. De moeder heeft geen blijk ervan gegeven de zorg die nodig is te accepteren. Het belang van [de minderjarige] dient thans voorop te staan. Hij is aan de pleegmoeder gehecht en heeft altijd op haar kunnen rekenen, aldus de pleegmoeder en de vader.

5.7

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Het gaat thans goed met [de minderjarige] bij de pleegmoeder, hij gaat naar school en heeft zijn therapie afgerond. Er dient wel gewerkt te worden aan de relatie tussen de moeder en de pleegmoeder en toegewerkt te worden naar een opvoedbesluit. Als het opvoedbesluit is genomen, is voor iedereen duidelijk waar [de minderjarige] zal opgroeien en zal de situatie rustiger worden, aldus de raad.

5.8

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder andere het volgende gebleken.

De moeder heeft een problematisch en belast verleden en heeft in haar jeugd zelf onder toezicht gestaan van jeugdbescherming. Zij lijdt aan epilepsie (die getriggerd kan worden door stress), en kampt met problemen met haar agressieregulatie. Haar ouderlijk gezag over haar zoon [J] (geboren [in] 2003), is in 2008 beëindigd. Sinds 2008 is zij bekend in de psychiatrie. Bij spanningen is zij niet in staat haar boosheid te reguleren, kan zij verbaal agressief reageren en fysiek bedreigend overkomen.

De ouders hebben een korte relatie gehad die vlak na de geboorte van [de minderjarige] is verbroken. Binnen hun relatie was sprake van huiselijk geweld. De moeder heeft om die reden een tijd in een Blijfhuis gewoond, deels samen met [de minderjarige] .

[de minderjarige] is van december 2011 tot februari 2014 uit huis geplaatst geweest, (ook) bij de pleegmoeder, waarna hij en de moeder tot april 2014 opgenomen zijn geweest bij de Bascule in het kader van een gezinsbehandeling. Vanaf april 2014 woonde [de minderjarige] weer bij de moeder. De moeder kreeg destijds, en ook thans nog, begeleiding van haar psychiater voor haar persoonlijke psychische problematiek en van Cordaan voor praktische ondersteuning en opvoedingsondersteuning, als zij dat wenste. [de minderjarige] had een omgangsregeling met de vader. Tussen de ouders vonden regelmatig escalaties plaats in het bijzijn van [de minderjarige] . Voorts is [de minderjarige] regelmatig blootgesteld geweest aan (verbaal) geweld tussen de ouders. [de minderjarige] is begin 2016 door JBRA en de moeder aangemeld voor speltherapie, maar is slechts vijf van de twaalf keer aanwezig geweest waardoor hij de therapie niet positief heeft kunnen afsluiten. Het lukte de moeder niet om hem elke keer te brengen en zij gaf aan de therapie niet nodig te vinden voor [de minderjarige] . Nadat de door JBRA opgestelde doelen – waaronder de zorg voor een dagelijkse schoolgang van [de minderjarige] en wekelijkse logopedie voor hem – niet door de moeder zijn behaald, is in september 2016 opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend. Spirit pleegzorg heeft besloten de begeleiding van de pleegmoeder per 31 december 2016 te stoppen, omdat zij meenden dat het de pleegmoeder niet lukte zich neutraal op te stellen tussen de ouders en een goede samenwerking aan te gaan met de moeder, en voorts omdat zij meenden dat de pleegmoeder de afspraken ten aanzien van de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder niet goed nakwam. Sinds de huidige GI betrokken is, is sprake van een goede samenwerking tussen de gezinsmanager en de pleegmoeder. De pleegmoeder staat voorts open voor begeleiding van een andere pleegzorginstelling, te weten Timon pleegzorg. Sinds [de minderjarige] bij de pleegmoeder verblijft, heeft hij op school in relatief korte tijd zijn (cognitieve) achterstand ingehaald Daarnaast heeft hij de speltherapie positief afgerond.

5.9

Gelet op het hiervoor overwogene, is de machtiging tot uithuisplaatsing naar het oordeel van het hof op goede gronden verlengd en is deze nog altijd noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De moeder heeft hulpverlening ontvangen van de Bascule, haar psychiater en Cordaan, maar dit heeft niet ertoe geleid dat zij in staat was zorg te dragen voor een stabiele en veilige opvoedsituatie voor [de minderjarige] . Niet gebleken is dat de moeder thans weer de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich kan nemen, terwijl de moeder ook overigens geen argumenten heeft aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat [de minderjarige] zich sinds zijn verblijf bij de pleegmoeder goed ontwikkelt en hij de speltherapie positief heeft afgerond.

Gezien de aard van bovengenoemde problematiek ziet het hof geen aanleiding de machtiging tot uithuisplaatsing in duur te bekorten, zoals door de moeder subsidiair nog is verzocht. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

5.10

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kok, mr. C.E. Buitendijk en mr. A.R. Sturhoofd, in tegenwoordigheid van mr. D.M. Jansen als griffier en is op 10 april 2018 in het openbaar uitgesproken.