Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1266

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
12-06-2018
Zaaknummer
200.236.244/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Huur woonruimte. In bodemvonnis ontbinding huurovereenkomst na vondst hennepplantage. Geen na het bodemvonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die tot een noodtoestand leiden, geen juridische of feitelijke misslag.

Artikelen: 6:265 BW, artikel 438 lid 2 Rv, artikel 8 EVRM,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.236.244/01 SKG

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/642845/KG ZA 18-119

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 april 2018

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. I. Heijselaar te Amsterdam,

t e g e n

WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.G. Blokziel te Almere.

Partijen worden hierna [appellante] en Eigen Haard genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

[appellante] is bij dagvaarding van 26 maart 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2018, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer in kort geding gewezen tussen [appellante] als eiseres en Eigen Haard als gedaagde. Het hof heeft het verzoek van [appellante] de zaak als spoedappel te behandelen, toegewezen. De dagvaarding bevat de grieven en een productie.

[appellante] heeft geconcludeerd overeenkomstig de appeldagvaarding en voormelde productie in het geding gebracht.

Ter terechtzitting van 10 april 2018 heeft Eigen Haard een memorie van antwoord, met producties, ingediend. [appellante] heeft vervolgens haar zaak door haar hiervoor genoemde advocaat doen bepleiten, aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. [appellante] heeft bij deze gelegenheid nog stukken in het geding gebracht. Vervolgens heeft Eigen Haard haar zaak door haar hiervoor genoemde advocaat doen bepleiten, aan de hand van de memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd. Ter zitting is afgesproken dat eerst slechts de beslissing zou worden uitgesproken en dat de motivering daarvan zo spoedig mogelijk zou worden gegeven.

[appellante] heeft, na eiswijziging in hoger beroep, geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en zal bepalen dat Eigen Haard op grond van artikel 3:13 BW juncto artikel 3:12 BW gehouden is overeenkomstig de door de voorzieningenrechter ter zitting voorgestelde regeling met [appellante] tot overeenstemming te komen en niet op grond van het vonnis van de kantonrechter van 12 december 2017 tot ontruiming van de woning over te gaan, althans de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter van 12 december 2017 zal opschorten totdat in die bodemzaak door het hof in hoger beroep eindarrest is gewezen, met beslissing over de proceskosten.

Eigen Haard heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten, inclusief de nakosten en met rente.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen.

In het kader van de derde grief heeft [appellante] aangevoerd dat de vaststelling onder 2.1 dat [X] bij [appellante] in het gehuurde woont “strikt genomen” onjuist is. Nu namens [appellante] bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep echter weer is betoogd dat (de kantonrechter bij de beoordeling van de bodemzaak in aanmerking had moeten nemen dat) [X] in het gehuurde woont, zal het hof toch van dat laatste uitgaan. De overige door de voorzieningenrechter opgesomde feiten zijn evenmin in geschil. Die feiten dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit de niet weersproken stellingen van partijen, luiden die feiten, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt.

2.1

Sinds 8 april 2008 huurt [appellante] van (de rechtsvoorgangster van)

Eigen Haard een woning in [plaats] . De huur bedraagt € 1.510,69 per maand. [appellante] bewoont de woning met haar kinderen van respectievelijk 13, 11 en 9 jaar oud. Ook haar partner ( [X] ) is in de woning woonachtig. [X] beweegt zich voort in een rolstoel. [appellante] heeft het gehuurde rolstoeltoegankelijk laten maken. [X] beschikt elders in [plaats] over een eigen van Eigen Haard gehuurde woning van ongeveer 40 m2. Ook die woning is rolstoeltoegankelijk gemaakt.

2.2

Op 14 februari 2017 heeft de politie in het gehuurde een hennepplantage aangetroffen, bestaande uit 66 hennepplanten, vier assimilatielampen, een professionele afzuiginstallatie en een zelf aangebrachte elektrische installatie.

2.3

Bij dagvaarding van 10 mei 2017 heeft Eigen Haard op grond van de aanwezigheid van de hennepplantage in het gehuurde gevorderd dat de huurovereenkomst van partijen wordt ontbonden en [appellante] wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen zeven dagen na betekening van het vonnis.

2.4

Bij vonnis van 12 december 2017 (hierna ook: het bodemvonnis) heeft de kantonrechter de huurovereenkomst ontbonden en de ontruiming van het gehuurde bevolen. De kantonrechter heeft de ontruimingstermijn gesteld op drie maanden na de betekening van het vonnis. De kantonrechter heeft hierover overwogen dat “hetgeen ter zitting besproken is” aanleiding is om een langere ontruimingstermijn vast te stellen dan is gevorderd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.5

Het bodemvonnis is op 5 januari 2018 aan [appellante] betekend. De ontruiming van het gehuurde is aangezegd tegen 16 april 2018.

2.6

Bij dagvaarding van 12 februari 2018 heeft [appellante] bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het bodemvonnis.

3 Beoordeling

3.1

Bij dagvaarding van 19 februari 2018 heeft [appellante] gevorderd dat de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van het bodemvonnis zal opschorten totdat in de appelprocedure in de bodemzaak een eindarrest is gewezen.

3.2

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter deze voorlopige voorziening geweigerd. De voorzieningenrechter heeft daartoe als volgt overwogen.

3.2.1

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

3.2.2

Van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag in het vonnis is niet gebleken. Dat de centrale stelling van [appellante] (dat haar geen verwijt treft van de hennepplantage omdat die buiten haar medeweten is ingericht door [X] ) niet door de kantonrechter is gehonoreerd, is geen grond om van een (klaarblijkelijke) juridische of feitelijke misslag te kunnen spreken.

3.2.3

Evenmin kan worden geoordeeld dat ontruiming van de woning op grond van na het vonnis van 12 december 2017 voorgevallen feiten of omstandigheden aan de zijde van [appellante] tot een noodtoestand zal leiden. Dat ontruiming een ingrijpende maatregel is die in het ergste geval kan leiden tot dakloosheid van een gezin met drie minderjarige kinderen, is reeds door de kantonrechter meegewogen in zijn oordeel, evenals het feit dat de kans om voor een vervangende woonruimte in aanmerking te komen erg klein is. Dit heeft geleid tot een relatief lange ontruimingstermijn van drie maanden. Ook uit de omstandigheid dat het op dit moment slecht gaat met een van de kinderen, nu ontruiming dreigt, kan niet zonder meer worden afgeleid dat ontruiming tot een noodtoestand zal leiden. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin [X] zich bevindt; hij huurt immers elders in [plaats] een woning van Eigen Haard.

3.3

Tegen de beslissing van de voorzieningenrechter en de gronden waarop die berust, komt [appellante] in hoger beroep op met vier grieven, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Bij de beoordeling daarvan stelt het hof voorop dat niet ter discussie staat dat de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis het juiste criterium heeft gehanteerd, hiervoor weergegeven onder 3.2.1.

3.4

In hoger beroep heeft [appellante] drie omstandigheden aangevoerd die volgens haar tot schorsing van de executie zouden moeten leiden:

a. de situatie van [X] ;

b. de situatie rond de kinderen van [appellante] ;

c. het probleem van het ontbreken van vervangende woonruimte in of rond [plaats] .

3.5

Ad a. In de bodemprocedure bij de kantonrechter heeft [appellante] betoogd dat de relatie tussen haar en [X] vanwege de hennepplantage was geëindigd. In deze kortgedingprocedure voert [appellante] aan dat de relatie tussen haar en [X] is hersteld, dat [X] met haar en haar kinderen een family life heeft in de zin van artikel 8 EVRM dat bescherming verdient en dat Eigen Haard inmiddels in rechte ontbinding heeft gevorderd van de huurovereenkomst tussen Eigen Haard en [X] op grond van de stelling dat [X] niet woont in die van Eigen Haard gehuurde woning, maar bij [appellante] in haar woning. Als gevolg daarvan dreigt [X] , die op een rolstoel is aangewezen, dakloos te worden, hetgeen onacceptabel is, aldus [appellante] .

3.5.1

Het feit dat de kantonrechter geen aandacht heeft besteed aan de gevolgen van de ontruiming voor [X] kan, gelet op het feit dat (in die procedure was betoogd dat) de relatie met [appellante] op dat moment was verbroken, anders dan [appellante] bepleit, niet worden beschouwd als een juridische of feitelijke misslag. Het hof zal hetgeen omtrent [X] is aangevoerd dan ook toetsen aan het criterium van de noodtoestand.

3.5.2

[X] heeft thans nog de beschikking over de door hem gehuurde woning elders in [plaats] , die aan zijn handicap is aangepast. Voor hem dreigt door de hier aan de orde zijnde ontruiming dus geen dakloosheid. Op de beslissing in de ontbindingsprocedure tussen hem en Eigen Haard kan hier niet worden vooruitgelopen. De door [X] gehuurde woning is mogelijk te klein voor hem, [appellante] en de kinderen samen, maar de omstandigheid dat zij hun, recentelijk herstelde, gezinsleven na de ontruiming wellicht weer zullen moeten opbreken, vormt naar het oordeel van het hof geen noodtoestand die tenuitvoerlegging van het bodemvonnis onaanvaardbaar maakt. Het hof realiseert zich dat de fouten van de volwassenen hier, zoals zo vaak, (mede) worden verhaald op de kinderen, maar ook die omstandigheid leidt niet tot een ander oordeel; Eigen Haard heeft er met het oog op preventie groot belang bij ook onder dit soort omstandigheden haar zero tolerance beleid te kunnen handhaven.

3.6

Ad b. [appellante] voert aan dat haar kinderen door de dreigende ontruiming diep zijn geraakt. Haar zoon van 11 jaar is op school een klas teruggezet. De jeugdzorg in [plaats] maakt zich zorgen over een mogelijke ontruiming en niet uit te sluiten valt, aldus [appellante] , dat een ondertoezichtstelling of zelfs uithuisplaatsing van de kinderen zal worden verzocht.

3.6.1

Met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat de kantonrechter de situatie van de kinderen reeds bij de beslissing tot ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [appellante] tot ontruiming heeft betrokken. In verband daarmee is aan [appellante] een ongebruikelijk lange ontruimingstermijn gegund. Hetgeen [appellante] in dit kort geding aan nieuwe omstandigheden heeft aangevoerd is onvoldoende om te kunnen spreken van een noodtoestand.

3.7

Ad c. Met betrekking tot de kans op vervangende woonruimte stelt [appellante] het volgende. Eigen Haard is in [plaats] de enige verhuurder van sociale huurwoningen. Op grond van haar zero tolerance beleid weigert zij [appellante] de komende tijd een woning te verhuren. Buiten [plaats] kan [appellante] geen aanspraak maken op een urgentieverklaring. Ook in de vrije sector kan [appellante] in of rondom [plaats] geen woning huren, omdat de verhuurders daarvan vragen om een (positieve) verhuurdersverklaring, die Eigen Haard niet wil afgeven.

3.7.1

Hetgeen [appellante] in dit kort geding heeft aangevoerd kan niet worden beschouwd als na het bodemvonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten. De kantonrechter heeft in de bodemzaak de omstandigheid dat het moeilijk is vervangende woonruimte te vinden immers reeds in zijn oordeel betrokken. Het gehuurde is een woning in de vrije sector, dus de monopoliepositie van Eigen Haard in [plaats] regardeert [appellante] in feite niet. In dit kort geding is evenmin als in de procedure bij de kantonrechter aannemelijk gemaakt dat vervangende woonruimte voor [appellante] en haar kinderen in [plaats] of in een andere gemeente niet beschikbaar is.

3.8

Hetgeen hiervoor werd overwogen leidt tot de slotsom dat de grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Voor toewijzing van de nieuwe primaire vordering bestaat geen grond, zodat die zal worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij dient [appellante] de kosten van het hoger beroep te dragen.

4 Beslissing

Het hof:

wijst af de in hoger beroep voor het eerst ingestelde (primaire) vordering;

bekrachtigt het bestreden vonnis;

verwijst [appellante] in kosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van Eigen Haard gevallen, op € 726,= wegens verschotten, € 2.682,= wegens salaris van de advocaat en € 131,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,= voor nasalaris indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente over een en ander vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit arrest;

verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.C.W. Rang en I.A. Haanappel-van der Burg en in het openbaar uitgesproken door mr. Rang voornoemd op 11 april 2018.

Het bovenstaande bevat de vastlegging van de motivering van het reeds op 11 april 2018 uitgesproken arrest en is op 19 april 2018 aldus vastgesteld en door de voorzitter voornoemd ondertekend.