Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1260

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
24-04-2018
Zaaknummer
200.230.871/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing tenuitvoerlegging afgewezen in verband met toezegging tegenpartij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.230.871/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/14/154723 / HA ZA 14-195

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 april 2018

inzake

[[eiser]] ,

gevestigd te [X] ,

appellante in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J. van de Graaf te Alphen aan den Rijn,

tegen

[[gedaagde]] ,

gevestigd te [Y] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. V.L.M.J. Boitelle te Hilversum.

Partijen worden hierna [[eiser]] en [[gedaagde]] genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

[[eiser]] is bij dagvaarding van 20 december 2017, tevens houdende memorie van grieven en houdende een incidentele vordering ex artikel 351 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Noord-Holland (verder: de rechtbank) gewezen vonnissen van 11 maart 2015, 20 januari 2016, 16 maart 2016, 25 januari 2017 en 27 september 2017, onder bovenstaand zaak-/rolnummer gewezen tussen “ [[eiserA]] ” als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en [[gedaagde]] als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.

Nadat [[eiser]] overeenkomstig de appeldagvaarding had geconcludeerd en producties had overgelegd, heeft [[gedaagde]] geantwoord in het incident.

Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.

2 Beoordeling

2.1

Alvorens de incidentele vordering te behandelen overweegt het hof naar aanleiding van opmerkingen van [[gedaagde]] ter zake als volgt. Overeenkomstig de inleidende dagvaarding heeft de rechtbank [[eiser]] in de kop van de bestreden vonnissen telkens aangeduid als “ [[eiserA]] ”. Reeds in (de kop van) de conclusie van antwoord, maar ook in haar verdere processtukken in eerste aanleg, heeft [[gedaagde]] haar processuele wederpartij echter aangeduid als “ [[eiser]] ” en ook [[eiser]] heeft dat in haar verdere processtukken in eerste aanleg gedaan. De bestreden vonnissen moeten daarom geacht worden te zijn gewezen tussen partijen en bevatten ten aanzien van de (precieze) naam van [[eiser]] kennelijk telkens een verschrijving.

2.2

Bij het bestreden (eind)vonnis van 27 september 2017 heeft de rechtbank, voor zover in dit incident van belang, [[eiser]] in reconventie veroordeeld tot betaling aan [[gedaagde]] van bedragen van € 33.940,= en € 1.575,=, telkens met btw, en tot betaling van de proceskosten, met nakosten. Het vonnis is (in zoverre) uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.3

Wat er zij van de door [[eiser]] aangevoerde gronden voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden eindvonnis, bij conclusie van antwoord in het incident heeft [[gedaagde]] onder meer doen zeggen:

“Nadat de advocaat van [[eiser]] op 5 oktober 2017 aan de advocaat van [[gedaagde]] [ [[gedaagde]] ; hof], naar aanleiding van een betalingsverzoek aan die advocaat, heeft laten weten dat [[eiser]] in kort geding schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad zou gaan eisen en in hoger beroep zou gaan tegen het vonnis van 27 september 2017, heeft [[gedaagde]] niet meer op betaling aangedrongen en zelfs afgezien van betekening van het vonnis om zo veel mogelijk verdere proceskosten te vermijden”.

Daarlatende of een en ander feitelijk juist is ( [[eiser]] heeft zich hierover niet kunnen uitlaten) leidt het hof uit deze passage in ieder geval af dat [[gedaagde]] [[eiser]] daarbij toezegt het bestreden eindvonnis gedurende de onderhavige appelprocedure niet ten uitvoer te zullen leggen. Het hof gaat ervan uit dat [[gedaagde]] zich aan deze toezegging zal houden. Bij deze stand van zaken heeft [[eiser]] bij haar schorsingsvordering geen belang, reden waarom haar desbetreffende vordering zal worden afgewezen.

2.4

Het hof zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

2.5

In de hoofdzaak zal de zaak worden verwezen naar de rol voor het indienen van een memorie van antwoord door [[gedaagde]] en zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering af;

houdt de beslissing met betrekking tot de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 22 mei 2018 voor het indienen van een memorie van antwoord door [[gedaagde]] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, E.M. Polak en E.K. Veldhuijzen van Zanten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 april 2018.