Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1218

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-04-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
23-005259-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mega Wakasa, langdurige gevangenisstraf voor meerdere geweldsdelicten. Smarthpone-verweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-005259-15

datum uitspraak: 6 april 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2015 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-654296-13 (zaak A) en 13-659280-14 (B) tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1980] ,

thans gedetineerd in de [PI] .

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is blijkens de akte instellen rechtsmiddel beperkt ingesteld en is gericht tegen de door de rechtbank gegeven beslissingen in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1, 2 en 3.

Het appel van de verdachte is aldus niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissingen in zaak A onder 2 (veroordeling) en in zaak A onder 3, 4 en 5 (vrijspraak).

Het openbaar ministerie heeft blijkens de akte instellen rechtsmiddel onbeperkt hoger beroep ingesteld. Blijkens de appelschriftuur van de officier van justitie en de mededelingen van de advocaat-generaal ter terechtzitting op 13 oktober 2016 is het door het openbaar ministerie ingestelde appel alleen gericht tegen de door de rechtbank gegeven beslissingen in zaak A onder 4 (vrijspraak) en 5 (vrijspraak) en in zaak B onder 1 (vrijspraak van medeplegen).

Het appel van het openbaar ministerie is aldus niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissingen in zaak A onder 1 en 2 (veroordelingen), zaak A onder 3 (vrijspraak) en in zaak B onder 2 en 3 (veroordelingen).

Het voorgaande brengt mee dat het in zaak A onder 2 (veroordeling ter zake ‘Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard’ ) en 3 (vrijspraak van het medeplegen van diefstal met geweld en/of afpersing op 6 september 2013) niet meer aan het oordeel van het hof is onderworpen en dat de ter zake in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissingen met betrekking tot het bewijs, de kwalificatie, de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte vaststaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 en 19 oktober 2016, 2 maart 2017, 8 juni 2017, 7 en 13 juli 2017, 12, 22 en 23 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Zaak A (met parketnummer 13-654296-13)
onder 1

hij in of omstreeks de periode van 12 december 2013 tot en met 13 december 2013 te Amsterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van de/het misdrijf/misdrijven:

- diefstal met geweld in vereniging (artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

- afpersing in vereniging (artikel 317 Wetboek van Strafrecht) in elk geval van een of meer misdrijf/misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk voorwerpen, bestemd tot het begaan van die/dat misdrijven/misdrijf, te weten (onder meer):

- een bivakmuts, althans een voor vermomming geschikt voorwerp en/of een kogelvrij vest en/of (een) vuurwapen(s) en/of (diverse) munitie en/of een patroonhouder en/of een plattegrond van een woning en/of een (vlucht)auto,

heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

onder 4 primair:
hij op of omstreeks 06 september 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet eenmaal of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gestoken en/of gesneden;

onder 4 subsidiair:
hij op of omstreeks 06 september 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gestoken en/of gesneden;

onder 5 primair:
hij op of omstreeks 06 september 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij, verdachte, en/of (een of meer) van zijn mededader(s) - tegen voornoemde [slachtoffer 1] gezegd: "die jongens willen je wat vragen, daar in de auto" en/of "stap

even in", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (aldus) voornoemde [slachtoffer 1] in een (personen)auto gelokt en/of vervolgens met die (personen)auto is/zijn weggereden en/of die [slachtoffer 1] tegen diens wil meegenomen in voornoemde (personen)auto

- en/of in voornoemde (personen)auto tegen [slachtoffer 1] gezegd (in de Engelse taal): "je hebt mij gedisrespect" en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] dreigend een vuurwapen getoond en/of (vervolgens) een geluidsdemper op dat vuurwapen gedraaid

- en/of (vervolgens) in aanwezigheid van voornoemde [slachtoffer 1] (in de Engelse taal) tegen één of meer van zijn mededader(s) gezegd: "We gaan hem ( [slachtoffer 1] ) afmaken, we gaan hem in de bosjes gooien", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking

- en/of (vervolgens) in voornoemde (personen)auto die [slachtoffer 1] een of meermalen (met kracht) tegen/in het gezicht geslagen en/of gestompt

- en/of (met kracht) voornoemde ketting van de hals van voornoemde [slachtoffer 1] (los) getrokken en/of gerukt

- en/of de broekzakken van voornoemde [slachtoffer 1] doorzocht en/of afgetast

- en/of met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, eenmaal of meermalen tegen/in gezicht (onder zijn rechteroog) van voornoemde [slachtoffer 1] gestoken en/of gesneden

- en/of (aldus) die [slachtoffer 1] gedurende enkele tijd belet om voornoemde (personen)auto te verlaten;

onder 5 subsidiair:
Hij op of omstreeks 06 september 2013 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door een vuurwapen aan die [slachtoffer 1] te tonen en (tegen die [slachtoffer 1] ) te zeggen: ‘je hebt me gedisrespect’ en/of ‘we gaan hem afmaken, we gaan hem in de bosjes gooien’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Zaak B (met parketnummer 13-659280-14 (gevoegd)

onder 1:
hij op of omstreeks 7 september 2013 te Amsterdam Zuidoost, binnen de gemeente Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet met een vuurwapen (op korte afstand) drie, althans een of meer kogel(s) afgevuurd op het hoofd en/of lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] , tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

onder 2:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 september 2013 tot en met 14 september 2013 te Amsterdam en/of te Zoetermeer, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een wapen van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistool (merk FEG, kaliber 7.65mm, voorzien van de valse merkaanduiding "Carl Walther PP")

en/of

munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten één of meer patro(o)n(en) (van het kaliber 7.65mm Browning), zijnde voor eerdergenoemd pistool geschikte munitie, voorhanden heeft gehad;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 14 september 2013 tot en met 18 september 2013 te Amsterdam, althans (elders) in Nederland, een wapen van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistool (merk FEG, kaliber 7.65mm, voorzien van de valse merkaanduiding "Carl Walther PP") en/of

munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten één of meer patro(o)n(en) (van het kaliber 7.65mm Browning), zijnde voor eerdergenoemd pistool geschikte munitie, heeft overgedragen aan [medeverdachte] ;

onder 3:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 september 2013 tot en met 14 september 2013 te Amsterdam en/of te Zoetermeer, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een wapen van categorie I onder 3 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een geluidsdemper voor een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van de verdachte is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 4 primair en subsidiair en onder 5 primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Vooropgesteld wordt, zoals hieronder nader wordt overwogen, dat het hof de verklaringen van [slachtoffer 1] voldoende geloofwaardig en betrouwbaar acht. Gelet daarop staat, naar het oordeel van het hof, dan ook vast dat [slachtoffer 1] in die auto in zijn bewegingsvrijheid is beperkt. Het hof waardeert het opzet van de verdachte echter als te zijn gericht op de bedreiging van de verdachte en niet op het wederrechtelijk van de vrijheid beroven en/of beroofd houden, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet, terwijl evenmin vaststaat dat de verdachte op enigerlei wijze een bijdrage aan het plegen van geweld jegens [slachtoffer 1] heeft geleverd, zodat de verdachte van het onder 4 primair en subsidiair en onder 5 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Bewijsuitsluiting

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat onrechtmatig onderzoek aan de onder de verdachte in beslaggenomen telefoons heeft plaatsgevonden. In het bijzonder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat inbreuk is gemaakt op het recht op privacy als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) door het onderzoek aan de inbeslaggenomen ‘smartphone’ van de verdachte. Het uitlezen van die ‘smartphone’ is onrechtmatig nu dit is geschied zonder voldoende wettelijke basis, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim oplevert in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het te constateren vormverzuim zal dienen te leiden tot uitsluiting van het uit het onderzoek aan de ‘smartphone’ verkregen bewijsmateriaal, met als gevolg dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het in zaak A onder 4 primair en subsidiair en 5 primair en subsidiair (13Putt1) ten laste gelegde en het in zaak B onder 1, 2 en 3 (13Wakasa) ten laste gelegde, bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat door het ontbreken van toestemming van de officier van justitie of rechter-commissaris weliswaar sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, maar dat de inbreuk dermate gering is geweest dat met de enkele constatering van het vormverzuim kan worden volstaan.

Oordeel van het hof

Reikwijdte van het verweer

Op 13 december 2013 zijn onder de verdachte in het kader van zijn aanhouding voor voorbereidingshandelingen met betrekking tot een gewapende woningoverval ten behoeve van de waarheidsvinding drie telefoons inbeslaggenomen; een Samsung GT E 1180 telefoon, een LG KF 750 Secret telefoon en een HTC Sensation XE ‘smartphone’.

De LG telefoon speelt in de bewijsvoering van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten geen rol en zal dientengevolge bij de bespreking van het verweer buiten beschouwing blijven. Aan de Samsung telefoon – niet zijnde een ‘smartphone’ – heeft een onderzoek door de politie plaatsgevonden, dat een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich bracht; er is een contactenlijst met 15 contacten gegenereerd. Het onderzoek aan de Samsung telefoon wordt gelegitimeerd door de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren neergelegd in artikel 94, in verbinding met artikel 95 en 96 Sv.

Aan de HTC ‘smartphone’ heeft een uitgebreid onderzoek plaatsgevonden waarbij onder meer de foto-, film-, geluidsbestanden en Whatsapp en Skype gegevens zijn veiliggesteld en opgeslagen.

Nu de raadsvrouw verweer heeft gevoerd met betrekking tot onderzoek aan een ‘smartphone’ begrijpt het hof het verweer aldus dat dit uitsluitend ziet op het onderzoek aan de HTC ‘smartphone’, welk onderzoek volgens de raadsvrouw een bijna compleet beeld heeft gegeven van verdachtes doen en laten.

‘Smartphone’

De Hoge Raad heeft in het arrest van 4 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:584) het toetsingskader uiteengezet voor het doen van onderzoek aan een smartphone door de politie. In dit arrest wordt overwogen: “voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd. Dat geldt ook voor in andere inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, opgeslagen of beschikbare gegevens. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd. Voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in artikel 94, in verbinding met artikel 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen.”

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat, nu het hier een uitgebreid onderzoek betrof naar de gegevens in de inbeslaggenomen ‘smartphone’ en sprake was van het ontsluiten van een belangrijk deel van het privéleven van de verdachte, er sprake is van een onrechtmatig onderzoek en daarmee van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Het onderzoek aan de HTC ‘smartphone’ van de verdachte is niet beperkt gebleven tot het enkel raadplegen van een gering aantal bepaalde gegevens. Met de raadsvrouw is het hof van oordeel dat het onderzoek aan de HTC ‘smartphone’ van de verdachte een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte heeft gemaakt. In zoverre is er naar het oordeel van het hof dan ook sprake van een vormverzuim, nu hierdoor het in artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is geschonden en het onderzoek niet is voorafgegaan door een rechterlijke toetsing of tussenkomst van een officier van justitie.

In hoeverre dat vormverzuim tot sancties moet leiden hangt af van het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat hierdoor is veroorzaakt. Het belang van de verdachte dat er geen belastend bewijsmateriaal ten aanzien van strafbare feiten die door hem gepleegd zouden zijn wordt ontdekt, kan niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang en kan niet gelden als nadeel in de zin van artikel 359a lid 2 Sv. Het geleden nadeel bestaat voor de verdachte daaruit dat verbalisanten kennis hebben kunnen nemen en hebben genomen van privégegevens die de verdachte op zijn telefoon had staan, terwijl hij recht had op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer.

Met betrekking tot de ernst van het verzuim houdt het hof rekening met het gegeven dat de verbalisanten ten tijde van het thans voorliggende onderzoek nog geen kennis hadden van de uitspraak van de Hoge Raad als voormeld en het onderzoek dat plaatsvond in het kader van de verdenking van een zeer ernstig misdrijf (voorbereiding van een overval in een woning), hebben vormgegeven zoals op dat moment uit beschikbare regelgeving en jurisprudentie mocht worden afgeleid. Voorts kan nog worden opgemerkt dat de, gelet op genoemd arrest van de Hoge Raad, te verzoeken toestemming aan de officier van justitie dan wel aan de rechter-commissaris tot een onderzoek zoals uitgevoerd aan de HTC ‘smartphone’ - gelet op die gerezen verdenking jegens de verdachte - zonder twijfel zou zijn verleend.

Van enig moedwillig handelen met veronachtzaming van de te respecteren belangen van de verdachte is het hof niet gebleken.

Gelet hierop acht het hof de onderhavige schending niet een dermate grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, dat die schending ertoe moet leiden dat dient te worden overgegaan tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging of de door de raadsvrouw bepleite bewijsuitsluiting. Gesteld noch gebleken is dat de kennisneming door de verbalisanten van privégegevens van de verdachte, anders dan in het kader van de onderzochte strafzaak, heeft geleid tot enige verdere verspreiding van privégegevens of enig ander concreet nadeel.

Evenmin acht het hof om die reden strafvermindering passend en gerechtvaardigd. Het hof zal, alles afwegende, volstaan met constatering van het verzuim.

Hetgeen de raadsvrouw voor het overige naar voren heeft gebracht, heeft het hof niet gebracht tot een ander oordeel. Daarbij merkt het hof ten slotte nog op dat het hof niet is gebleken dat de sanctie van bewijsuitsluiting noodzakelijk is ter voorkoming van herhaling van dit soort vormverzuimen, noch dat sprake is van een structureel karakter van dit vormverzuim waarbij de verantwoordelijke autoriteiten zich onvoldoende hebben ingespannen om herhaling ervan te voorkomen.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van zaak A onder 5 subsidiair

De raadsvrouw heeft - kort gezegd - betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het in zaak A onder 5 subsidiair ten laste gelegde, omdat de verklaringen van aangever [slachtoffer 1] onbetrouwbaar zijn waar het de diefstal van zijn goederen betreft, en die verklaringen overigens op belangrijke onderdelen, waar het het jegens [slachtoffer 1] gebruikte geweld en de aanwezigheid van wapens in die auto betreft, onvoldoende steun vinden in het dossier.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ter beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring staan in het algemeen diverse wegen open. Zo kan worden gekeken of hetgeen met betrekking tot een bepaalde verdachte of overigens is verklaard overeenkomt met of steun vindt in - zo te noemen - objectieve feitelijke gegevens, of de betreffende verklaring ‘uit zichzelf’ (dat wil zeggen, zonder wetenschap vooraf van hetgeen uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens.

In het onderhavige geval kan aan de raadsvrouw worden toegegeven dat de verklaringen van [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende dat hij in die auto van zijn bezittingen is beroofd, geen steun vinden in andere stukken in het dossier. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, brengt dit echter niet mee dat daarom alle overige onderdelen van die verklaringen en dus de verklaringen in hun geheel, wegens onbetrouwbaarheid terzijde moeten worden gesteld. Voor zover onderdelen in die verklaringen ondersteuning vinden in onderdelen van andere verklaringen of ander bewijsmateriaal acht het hof het verantwoord daaruit bewijs te putten dat de gang van zaken ook aldus is geweest.

Het hof overweegt dat [slachtoffer 1] meerdere verklaringen heeft afgelegd, dat hij in al die verklaringen over de aanwezigheid van het vuurwapen (en de demper) bij de verdachte heeft verklaard en dat zijn verklaringen (anders dan ten aanzien van de beroving) eenduidig en consistent zijn en steun vinden in ander objectief bewijsmateriaal.

Zo heeft [slachtoffer 1] – kort gezegd – verklaard dat hij op 6 september 2013 op straat heeft gesproken met [betrokkene] , [medeverdachte] en [verdachte] en dat er toen afspraken zijn gemaakt over het afmaken van een tatoeage. Dit deel van zijn verklaring vindt steun in diverse verklaringen, onder andere in die van [verdachte] en [medeverdachte] . Volgens [slachtoffer 1] heeft [verdachte] hem tijdens dit gesprek op straat een pistool, een magazijn en een kogelvrij vest laten zien. [verdachte] heeft dit bevestigd ten aanzien van het kogelvrije vest en het magazijn. [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep ontkend op dat moment een wapen aan [slachtoffer 1] te hebben getoond, volgens hem heeft hij [slachtoffer 1] alleen een foto van een wapen getoond.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat [betrokkene] later die avond bij hem heeft aangebeld, waarna hij naar beneden is gegaan en in een auto is ingestapt. [slachtoffer 1] is op de achterbank gaan zitten, naast [medeverdachte] , [verdachte] zat voorin op de bijrijdersstoel. Er is een stukje met de auto gereden. Ook dit deel van zijn verklaring vindt steun in diverse verklaringen, te weten in die van [getuige] , [verdachte] en [medeverdachte] .

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat [medeverdachte] hem heeft geslagen en met een mes net onder zijn oog heeft gestoken, waarna [slachtoffer 1] heftig bloedend uit de auto is gestapt en naar huis is gerend.1 Dat [slachtoffer 1] is geslagen en gewond is geraakt, vindt steun in diverse verklaringen, onder andere in die van [medeverdachte] en [getuige] .2 Dat die wond is ontstaan door een mes, vindt steun in ander betrouwbaar bewijsmateriaal, te weten de door een huisarts opgemaakte letselverklaring inhoudende de constatering van een snijwond van 3 cm op het jukbeen van [slachtoffer 1] .3 [slachtoffer 1] heeft ook verklaard dat [verdachte] in die auto een demper op een vuurwapen heeft gedraaid en heeft gezegd dat ze hem gingen afmaken en in de bosjes gingen gooien. Ondanks de ontkenning van de verdachte acht het hof de verklaring van [slachtoffer 1] ook op dit punt betrouwbaar. Het hof betrekt hierbij dat de verdachte in een op 9 maart 2014 opgenomen telefoongesprek met zijn moeder spreekt over een kidnapping en dat diegene hem heeft gezien met dat wat ze gebruiken om te tirer (schieten) en silencieux (geluiddemper). Ook betrekt het hof hierbij dat [slachtoffer 1] (foto’s van) het door de politie op 3 oktober 2013 aangetroffen wapen heeft herkend als zijnde het wapen dat de verdachte op 6 september 2013 bij zich droeg.

Uit de stukken in het dossier kan worden afgeleid dat het op 3 oktober 2013 aangetroffen wapen door [medeverdachte] is gehanteerd en tevens blijkt dat de verdachte op 4 september 2013 een vuurwapen met geluiddemper van/via [medeverdachte] in bezit heeft gekregen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bekend dat hij op 4 september 2013 in het bezit is gekomen van een wapen met geluiddemper. De verklaring van de verdachte op diezelfde terechtzitting dat hij dat wapen op 6 september 2013,

’s ochtends, dus voor de ontmoeting met [slachtoffer 1] , aan een ander heeft overgedragen, is niet aannemelijk geworden. Deze verklaring vindt geen steun in het dossier. Bovendien is dit ‘alternatieve scenario’, dat pas in een zeer laat stadium – namelijk tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – naar voren is gebracht, op geen enkel punt verifieerbaar, terwijl het wel op de weg van de verdachte had gelegen om gegevens van personen die zijn verklaring konden bevestigen, aan te leveren en hij daartoe ook in staat moet worden geacht. De verdachte heeft echter geweigerd, ook ter terechtzitting in hoger beroep, ter zake openheid van zaken te geven.

Het hof komt dan ook tot de slotsom dat de verklaringen van [slachtoffer 1] voldoende geloofwaardig en betrouwbaar zijn om deze te bezigen voor het bewijs.

Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van zaak B onder 1

De raadsvrouw heeft – kort gezegd – betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het wapen dat op foto’s in de telefoon van de verdachte is afgebeeld, het wapen is dat de politie op 3 oktober 2013 heeft gevonden en waarmee [slachtoffer 2] is doodgeschoten. De conclusies in het fotovergelijkend onderzoek bieden daarvoor onvoldoende houvast. Bovendien is dit onderzoek niet verricht door een wapendeskundige, waardoor het niet betrouwbaar is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof herhaalt hier hetgeen de rechtbank ter zake op pagina 6 in haar vonnis heeft overwogen, inhoudende dat het foto vergelijkend onderzoek een visuele beschouwing en vergelijking van foto’s betreft. Het enkele feit dat het hier om foto’s van een vuurwapen gaat, maakt niet dat een dergelijk onderzoek is voorbehouden aan een wapendeskundige. In het onderhavige geval zijn aan [verbalisant 1] foto’s ter beschikking gesteld van het op 3 oktober 2013 (in de zaak 13Olpe) in beslag genomen vuurwapen alsmede foto’s uit de telefoon van de verdachte waarop vuurwapens zijn afgebeeld. [verbalisant 1] heeft deze foto’s met elkaar vergeleken en heeft, zoals blijkt uit bewijsmiddel 18 (behorend bij zaak B), overeenkomsten waargenomen in de karakteristieke vorm van de krasbeschadigingen en van het serienummer. Op basis van die bevindingen concludeert hij dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het op 3 oktober 2013 door de politie in beslag genomen vuurwapen het wapen is dat is afgebeeld op de foto’s in de telefoon van de verdachte. Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van deze door [verbalisant 1] gedane waarnemingen.

Het hof verweer wordt verworpen.

De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat het dossier hoogstens aanwijzingen bevat voor verdachtes betrokkenheid bij het in zaak B onder 1 ten laste gelegde, maar dat geen sprake is van enig (direct) bewijs dat redengevend is voor zijn betrokkenheid, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 7 september 2013 omstreeks 22.22 uur is [slachtoffer 2] bij het willen openen van de toegangsdeur van de woning op het [adres] in Amsterdam neergeschoten. Hij is vrijwel direct aan zijn verwondingen overleden. Ter plekke zijn hulzen en kogels aangetroffen. Op 3 oktober 2013 is in het Olpe-onderzoek (betreffende het slachtoffer [slachtoffer 3] ) een vuurwapen aangetroffen. [medeverdachte] is in dat onderzoek als verdachte aangehouden. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de hulzen en kogels die bij [plaats delict] zijn aangetroffen afkomstig zijn uit het op 3 oktober 2013 aangetroffen wapen dan uit een ander wapen. In dit verband kan worden opgemerkt dat volgens de NFI-Vakbijlage ‘De reeks waarschijnlijkheidstermen van het NFI en het Bayesiaanse model voor de interpretatie van bewijs’ de waarschijnlijkheidsterm ‘zeer veel waarschijnlijker’ de op één na hoogste waarschijnlijkheidsterm is.

Het wapen

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte dit wapen met munitie op 4 september 2013 (uit handen van [medeverdachte] ) in bezit heeft gekregen en dat hij in ieder geval op 14 september 2013 nog over dit wapen kon beschikken. Het hof leidt dit onder meer af uit de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, inhoudende dat met zijn telefoon op 4, 6 en 14 september 2013 foto’s van het wapen zijn gemaakt en dat hij op die dagen over het wapen kon beschikken.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, gaat het hof voorbij aan verdachtes verklaring dat hij het wapen in de ochtend van 6 september 2013, vóór de ontmoeting met [slachtoffer 1] , aan een ander heeft overgedragen en dat hij het enkele dagen later pas weer terug heeft gekregen, en het verwijst daarbij naar hetgeen daaromtrent zojuist is overwogen. Het hof betrekt daarbij ook dat [slachtoffer 1] de verdachte op 6 september 2013 (omstreeks 18.00 uur) met dit vuurwapen (met demper) heeft gezien, waarnaar de verdachte lijkt te verwijzen in een telefoongesprek dat hij op 9 maart 2014 met zijn moeder voert. De verdachte zegt dan: “Dat (het hof begrijpt: de kidnapping) is niets. De situatie is dat hij mij heeft gezien met dat wat we gebruiken om te tirer en silencieux aan dat ding wat gebruikt wordt om te tirer”, zoals weergegeven in bewijsmiddel 5 (behorend bij zaak B).

Uit de bewijsmiddelen kan verder nog worden afgeleid dat [medeverdachte] op 10 september 2013 tegen de verdachte zegt een wapen nodig te hebben en dat de verdachte aangeeft het de volgende dag mee te nemen. Aangezien de verdachte er op 14 september 2013 nog een foto van heeft gemaakt, lijkt dat niet te zijn gebeurd. Dat alles ondersteunt dat het wapen in de periode van 4 tot en met 14 september 2013 in handen van de verdachte was; er zijn geen aanwijzingen in het dossier dat de verdachte er in die periode niet over kon beschikken noch dat het zich in andere handen bevond. Dat het wapen niet in zijn bezit is blijkt pas bij – kort gezegd – de beroving van [slachtoffer 3] op 18 september 2013, ter zake waarvan [medeverdachte] op 18 september 2013 als verdachte is aangehouden. Niet is komen vast te staan wanneer en op welke wijze het wapen in handen van [medeverdachte] is geraakt, zodat het hof de verdachte zal vrijspreken van het overdragen van dat wapen aan [medeverdachte] .

Het hof leidt hieruit af dat de verdachte in de periode van 4 tot en met 14 september 2013 in het bezit was van het wapen waarmee [slachtoffer 2] naar alle waarschijnlijkheid is doodgeschoten.

Historische verkeersgegevens

In het dossier bevinden zich historische verkeersgegevens van de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte] . Aan de hand daarvan kan worden vastgesteld waar die toestellen zich op diverse momenten op 7 september 2013 hebben bevonden.

Zo blijkt dat de telefoon van de verdachte met [telefoonnummer] (hierna: #817) op 7 september 2013 om 20.18 uur een mast aanstraalt op de Hoogoorddreef 12 in Amsterdam en op 8 september om 00.09 uur een mast op de Frankemaheerd 12 in Amsterdam.

De telefoon van de verdachte met [telefoonnummer] (hierna: #267) straalt op 7 september 2013 om 21.39 uur, 21.40 uur, 21.41 uur en 21.45 uur telkens een mast aan op de Florijn 101 in Amsterdam en om 21.57 uur een mast op de Frankemaheerd 12 in Amsterdam. De telefoon straalt daarna om 01.30.14 uur een mast aan op de Elsrijkdreef 201 in Amsterdam.

De telefoon van [medeverdachte] met [telefoonnummer] (hierna: #513) straalt op 7 september 2013 de navolgende masten in Amsterdam aan:

  • -

    om 20.22 uur, Frankemaheerd 12

  • -

    om 20.22 uur, 1101 AX nummer 1

  • -

    om 22.07 uur, Bijlmerplein 888

  • -

    tussen 22.08 en 22.16 uur, Bijlmerplein 888.

  • -

    nà 23:17 uur, Frankemaheerd 12, Florijn 101-910 en Elsrijkdreef 201.

Uit de historische verkeersgegevens blijkt ook dat er geen telefoonverkeer is tussen 22:16 uur en 23:17 uur.

Aldus blijkt dat de telefoons van de verdachte en van [medeverdachte] in de uren rondom het schietincident bij [plaats delict] masten aanstralen in de nabijheid van [plaats delict] .

Uit de inhoud van opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het schietincident een ‘erg vuil ding’ heeft en dat er ‘iets goeds’ te doen is.4 In een op 8 september 2013 door de verdachte gevoerd gesprek merkt deze op dat hij de avond ervoor in een ‘hit and run’-stemming was en dat hij in de late avonduren niet bereikbaar was geweest (zijn telefoon niet had beantwoord) omdat hij werk te doen had.5

Het hof leidt hieruit af dat de verdachte en [medeverdachte] in de periode rondom het schietincident in de directe nabijheid van [plaats delict] zijn, alwaar [slachtoffer 2] omstreeks 22.24 uur is doodgeschoten, en daar kennelijk met iets bezig zijn.

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat hij vanaf ongeveer 20.00 uur tot laat in de avond in een woning boven een winkelcentrum in de Bijlmer was bij een aantal vrouwen, dat [medeverdachte] daar ook was en dat hij vrijwel de hele avond met een vrouw aan het skypen was.

Het hof overweegt in dit verband dat op verzoek van de raadsvrouw uitvoerig onderzoek is gedaan naar vermeende Skype-contacten van de verdachte op 7 september 2013 in de periode rondom het doodschieten van [slachtoffer 2] . Van Skypegesprekken door de verdachte in die periode gevoerd is echter niet gebleken. Overigens geldt dat de verklaring van de verdachte op geen enkel onderdeel verifieerbaar is gemaakt, terwijl het wel op de weg van de verdachte had gelegen om gegevens van personen die zijn verklaring konden bevestigen aan te leveren, en hij daartoe ook in staat moet worden geacht. De verdachte heeft echter ook op dit punt geweigerd ter zake openheid van zaken te geven.

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen naar voren komen. Aldus komt het hof tot de conclusie dat hij voor de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden geen redelijke verklaring heeft gegeven die de redengevendheid van die feiten en omstandigheden voor het bewijs ontzenuwt. Het hof komt tot het oordeel dat ten tijde van het schietincident de verdachte degene was die de beschikking had over het wapen dat is gebruikt. Niet gebleken is dat op dat moment iemand anders het wapen onder zich had en heeft gebruikt.

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan doodslag op [slachtoffer 2] . Het hof slaat in dit verband in het bijzonder nog acht op een op 13 augustus 2014 door de verdachte met zijn moeder gevoerd telefoongesprek, waarin de verdachte zegt dat ‘ze voor de moord niet veel tegen hem hebben, dat hij er wel met een ander van wordt verdacht, maar dat ze niet echt kunnen weten wie de persoon heeft gedood ‘of ik dat ben of dat het mijn man (gabber) is die het gedaan heeft’.6

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat het handelen van de verdachte die avond gericht is geweest op de dood van [slachtoffer 2] . Het drie keer van korte afstand op het hoofd/hals van een persoon schieten, wijst naar de uiterlijke verschijningsvorm op een opzettelijke handeling.

Medeplegen

Het hof dient eveneens de vraag te beantwoorden of [medeverdachte] (of een ander) medepleger was van dit feit. Het hof stelt voorop dat om als medepleger te kunnen worden aangemerkt sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen ter verwezenlijking van een gezamenlijk crimineel doel. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit leidt in beginsel tot de kwalificatie ‘medeplegen’.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting staat vast dat de verdachte en [medeverdachte] zowel voor als na het moment waarop [slachtoffer 2] is doodgeschoten – rond 22.24 uur – samen waren en in de directe nabijheid van [plaats delict] . Voor betrokkenheid van derden bij het doodschieten van [slachtoffer 2] biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt. Het hof kan echter, zoals al zojuist overwogen, enkel vaststellen dat de verdachte de beschikking had over het gebruikte wapen, en dat niet gebleken is dat op het moment van de schietpartij iemand anders het wapen onder zich had en heeft gebruikt. Van [medeverdachte] kan het hof enkel vaststellen dat, nu deze nog in het gezelschap was van de verdachte nadat [slachtoffer 2] was doodgeschoten, hij zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd van de situatie. Of er een onderlinge samenwerking is geweest, en zo ja, wat deze heeft ingehouden, kan niet worden vastgesteld. Dat brengt het hof tot de conclusie dat het bestanddeel “tezamen en in vereniging met een ander of anderen” niet kan worden bewezen verklaard.

Voorbedachte raad

Hoewel uit de stukken in het dossier blijkt dat tussen het moment waarop [slachtoffer 2] bij de woning aankwam en het moment waarop hij werd neergeschoten slechts een zeer korte periode zat, bevat het dossier geen gegevens op grond waarvan met zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer 2] volgens een vooropgezet plan - na kalm beraad of rustig overleg - heeft doodgeschoten. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van het bestanddeel voorbedachte raad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 5 subsidiair en in zaak B onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A


onder 1:
hij in de periode van 12 december 2013 tot en met 13 december 2013 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van de misdrijven:
- diefstal met geweld in vereniging (artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

- afpersing in vereniging (artikel 317 Wetboek van Strafrecht),

opzettelijk voorwerpen, bestemd tot het begaan van die misdrijven, te weten: een bivakmuts en een kogelvrij vest en een vuurwapen en munitie en een patroonhouder en een plattegrond van een woning en een auto, voorhanden heeft gehad;

onder 5 subsidiair:

hij op 6 september 2013 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een vuurwapen aan die [slachtoffer 1] te tonen en tegen die [slachtoffer 1] te zeggen: ‘je hebt me gedisrespect’ en ‘we gaan hem afmaken, we gaan hem in de bosjes gooien’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Zaak B


onder 1:
hij op 7 september 2013 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen op korte afstand drie kogels afgevuurd op het hoofd en lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

onder 2:

hij in de periode van 4 september 2013 tot en met 14 september 2013 te Amsterdam een wapen van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistool merk FEG, kaliber 7.65mm, voorzien van de valse merkaanduiding “Carl Walther PP” en munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten patronen van het kaliber 7.65mm Browning, zijnde voor eerdergenoemd pistool geschikte munitie, voorhanden heeft gehad;


onder 3:

hij in de periode van 4 september 2013 tot en met 14 september 2013 te Amsterdam een wapen van categorie I onder 3 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een geluidsdemper voor een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen in zaak A onder 1 en 5 subsidiair en in zaak B onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en 5 subsidiair en in zaak B onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van voorbereiding van

diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het in zaak A onder 5 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Het in zaak B onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 5 subsidiair en in zaak B onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 3 en 4 en 5 ten laste gelegde vrijgesproken en voor het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en het beslag.

De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1, 2 en 5 subsidiair en in zaak B onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negentien jaren met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht. Subsidiair - indien zaak A onder 2 niet meer aan het oordeel van het hof is onderworpen - heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de straf voor dat feit wordt bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en dat de verdachte voor de overige feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren en negen maanden met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft daarnaast gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 500,00 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De advocaat-generaal heeft ten slotte gevorderd dat het hof de onder 5 en 12 vermelde goederen verbeurd zal verklaren, de onder 23 t/m 30 vermelde goederen zal onttrekken aan het verkeer, de onder 31 en 32 vermelde goederen zal teruggegeven aan de verdachte en het onder 55 vermelde goed zal bewaren ten behoeve van de rechthebbende (Mathilda).

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft [slachtoffer 2] op 7 september 2013 van dichtbij driemaal door het hoofd/de hals geschoten, ten gevolge waarvan deze vrijwel direct op straat is overleden. Door zo te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig geweldsmisdrijf dat onomkeerbare gevolgen heeft gehad. De verdachte heeft [slachtoffer 2] het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. Het is afschuwelijk te moeten constateren dat [slachtoffer 2] , die in verband met de burgeroorlog in Somalië zijn vaderland is ontvlucht en die in Nederland als hardwerkende vader een nieuw leven had opgebouwd, door zulk bruut en zinloos geweld om het leven is gekomen. Het hof overweegt in dat verband dat niet gebleken is dat [slachtoffer 2] enige band met het criminele milieu had en enkel ter plaatse was omdat hij in de betreffende woning, waar hij niet woonde, voor de afwezige bewoner zorgdroeg voor de planten en de [verbalisant 1] , zodat de gedachte zich opdringt dat sprake is geweest van een vergissing aan de kant van de schutter, hetgeen de dood van [slachtoffer 2] nog schrijnender maakt. Het feit dat geen enkele duidelijkheid is verkregen over hetgeen de aanleiding tot dit misdrijf is geweest, moet voor de nabestaanden de dood van Hussain nog onbegrijpelijker maken. De dood van [slachtoffer 2] is zonder enige twijfel een zeer ingrijpende ervaring geweest voor diegenen met wie hij in zijn leven verbonden was. Het behoeft geen betoog dat het overlijden van [slachtoffer 2] diepe wonden heeft geslagen in de levens van zijn nabestaanden en dierbaren. Zij zullen de gevolgen van dit verlies voor altijd meedragen. Gewelddadige feiten als deze, zeker als die in de publieke ruimte plaatsvinden, schokken de rechtsorde en versterken gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

De verdachte heeft hierbij gebruik gemaakt van een wapen, munitie en een bijbehorende geluiddemper, die hij in de periode van 4 september tot en met 14 september 2013 voorhanden heeft gehad. Vooral het aanwezig hebben van een wapen in combinatie met een geluiddemper geeft de professionaliteit aan waarmee de verdachte tewerk gegaan is, hetgeen zeer te denken geeft. Dit wapen is nadien bij een ander terecht gekomen, en met dit wapen is vervolgens weer een ernstig gewelddadig feit gepleegd.

Het – zonder vergunning – voorhanden hebben van wapens en munitie is onder alle omstandigheden verboden, omdat het onaanvaardbare risico voor de veiligheid van personen met zich brengt, zoals in het geval van [slachtoffer 2] ook bewaarheid is geworden.

Daarnaast geldt dat degenen die met wapens worden geconfronteerd zich in het algemeen bedreigd zullen voelen, hetgeen in het geval van [slachtoffer 1] is gebleken.

De verdachte heeft zich toen schuldig gemaakt aan bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht door [slachtoffer 1] , die zich op dat moment al in een benarde positie bevond, de woorden “Je hebt mij gedisrespect” en “We gaan hem afmaken, we gaan hem in de bosjes gooien” of woorden van gelijke dreigende aard of strekking toe te voegen, waarbij de verdachte onderwijl de geluiddemper op het vuurwapen draaide. Dat die bedreigingen, onder die omstandigheden, bij [slachtoffer 1] de vrees hebben opgewekt dat hem daadwerkelijk het leven zou worden ontnomen, is alleszins voorstelbaar.

De verdachte heeft zich ten slotte, samen met anderen, schuldig gemaakt aan de voorbereiding van een gewapende woningoverval. De plannen hadden moeten leiden tot een woningoverval, waarbij geld buit zou worden gemaakt. Dat het bij voorbereidingshandelingen is gebleven, heeft te maken met het feit dat de politie de verdachte en die anderen in het vizier had. De verdachte is in de nabijheid van de te overvallen woning door de politie aangehouden. Hij droeg op dat moment een kogelvrij vest en was in het bezit van een bivakmuts, een patroonhouder en munitie en een plattegrond van de woning. Zijn mededaders zijn eveneens aangehouden, waarbij één van hen een geladen pistool bij zich had.

Woningovervallen behoren tot de categorie ‘zware criminaliteit’. Het is van algemene bekendheid dat een dergelijk feit vergaande psychische en andere nadelige gevolgen voor de slachtoffers kan hebben. Voorts versterkt een dergelijk feit de in de samenleving bestaande gevoelens van onrust en onveiligheid.

Dit alles acht het hof buitengewoon ernstig en rekent het de verdachte zwaar aan.

Er is sprake van zeer ernstige feiten. Bij weging van een en ander is oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf – ook uit het oogpunt van vergelding – onontkoombaar. Het hof betrekt hierbij dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 maart 2018 sinds 2003 al diverse malen tot langdurige (onherroepelijke) gevangenisstraffen is veroordeeld, ter zake van onder meer geweldsmisdrijven. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet toe kunnen brengen zijn criminele levensstijl achter zich te laten. Uiterst zorgelijk in dit verband is de omstandigheid dat de verdachte, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangegeven, het plegen van misdrijven tot zijn enige reële mogelijkheid vindt behoren om in zijn levensonderhoud te voorzien. Verdachtes toevoeging dat hij zich daarbij in beginsel richt op (overvallen op) mensen die zich, net als hij, met criminaliteit bezighouden, waardoor de door hem gepleegde feiten minder ernstig zouden zijn, rechtvaardigt dit handelen vanzelfsprekend in het geheel niet en onderschrijft de gewetenloze houding die, gelet op zijn opstelling ter terechtzitting in hoger beroep, zijn betrokkenheid bij de thans bewezen geachte feiten en zijn strafblad, de verdachte zich al geruime tijd geleden eigen heeft gemaakt. Mede uit het oogpunt van voorkoming van het plegen van nieuwe strafbare feiten, zal het hof een gevangenisstraf van aanzienlijke duur opleggen.

In hetgeen de raadsvrouw met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren heeft gebracht, ziet het hof geen aanleiding tot matiging van de passend geachte straf.

Het hof ziet in navolging van de advocaat-generaal geen aanleiding om de passend geachte onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op verdachtes status van ongewenst vreemdeling te matigen. Zoals door de advocaat-generaal is toegelicht, is overigens ook voor de verdachte in beginsel een vorm van voorlopige invrijheidstelling na ommekomst van twee-derde deel van de opgelegde straf mogelijk.

Het hof constateert, zoals ook door de raadsvrouw van de verdachte is bepleit, dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Immers, vanaf het moment waarop de verdachte is aangehouden op 13 december 2013 tot aan het wijzen van arrest door het hof op 6 april 2018 is een periode verstreken van vier jaar en bijna vier maanden. Van belang is dat de verdachte zich steeds in voorlopige hechtenis heeft bevonden en nog bevindt. Genoemde overschrijding is deels te verklaren door de proceshouding van de verdachte, die om veel onderzoekshandelingen heeft verzocht, maar niet zodanig dat daardoor de overschrijding geen gevolgen zou moeten hebben voor de op te leggen straf.

Het hof zou zonder evengenoemde constatering, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zestien jaren en negen maanden hebben opgelegd. Gelet echter op de hiervoor vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, moet worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.

Te bepalen straf ten aanzien van het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde

Gelet op hetgeen hiervoor onder het kopje ‘omvang van het hoger beroep’ is overwogen, zal het hof de straf voor zaak A onder 2, dat door de rechtbank is gekwalificeerd als:

Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard

overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering, gelet op de aard en de ernst van dat feit, bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Beslag

Het in zaak A onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

De hierna te noemen in beslag genomen voorwerpen, die nog niet zijn teruggegeven, behoren aan de verdachte toe. Zij zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het onder in zaak A onder 1 begane misdrijf aangetroffen. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met het algemeen belang en de wet en zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.455,00. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 5 subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezen verklaarde feiten. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 46, 47, 57, 63, 285, 287, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 4 primair en subsidiair en 5 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 5 subsidiair en in zaak B onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 1 en 5 subsidiair en in zaak B onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het in zaak A onder 1 en 5 subsidiair en in zaak B onder 1, 2 en 3 bewezen geachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren en zeven maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt de straf voor het door de rechtbank bij vonnis van 18 december 2015 ten aanzien van het in zaak A onder 2 (met parketnummer 13-654296-13) bewezen verklaarde op:

een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- twee handschoenen, kleur zwart (4665789)

- bivakmuts, kleur groen (4665732)

  • -

    een plasticzak, kleur blauw (4664860)

  • -

    een holster kleur zwart (4664455)

  • -

    een papier met diverse telefoonnummers (4665709).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:- 5 stuks munitie, .38 special (4664846)

- 5 stuks munitie, Sellier & Bellt (4664868)

- 1 doos munitie, Fiocchi 9 mm (4664849)

- 1 doos munitie , Sellier & Bellot (4664854)

- 1 stuk munitie, Fiocchi 9 mm Luger (4664856)

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- twee handschoenen, kleur zwart (4665789)

- twee sleutels, kleur zilver, Dom/Silica (4665795).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- telefoon, Blackberry 9800 (4664454).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in zaak A onder 5 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 255,00 (tweehonderdvijfenvijftig euro) ter zake van immateriële schade.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in zaak A onder 5 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 255,00 (tweehonderdvijfenvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. E. Mijnsberge en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

6 april 2018.

1 Proces-verbaal van aangifte van 7 september 2013 (13Putt-1, ZD 4, deel 1, pagina 10008 e.v.) en proces-verbaal van aangifte van 20 november 2013 (13Putt-1, ZD 4, deel 2, pagina 20001).

2 Proces-verbaal van verhoor van 3 december 2013 (13Putt-1, ZD 4, deel 2, pagina 20015 e.v.).

3 De letselverklaring van 9 september 2013 (13Putt-1, ZD 4, deel 1, pagina 10013).

4 Een proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2014, inhoudende onder meer het om 21:44:05 gevoerde telefoongesprek (Wakasa, ZD 1, map 2, pagina 10230 e.v.).

5 Een tapgesprek van 8 september 2013 om 19.14.33 uur (Wakasa, ZD 1, map 5, pagina 12146 e.v.).

6 Een tapgesprek van 13 augustus 2014 om 11.35.41 uur (Wakasa, ZD 1, map 3, pagina 10895 e.v.).