Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1216

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
23-000184-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het telen van henneppplanten en diefstal van stroom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000184-17

Datum uitspraak: 10 april 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 december 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-123167-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 december 2014 tot en met 28 januari 2015 te Rozenburg, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 220 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van (telkens) meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 december 2014 tot en met 28 januari 2015 te Rozenburg, gemeente Haarlemmermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Onrechtmatig verkregen bewijs

De raadsvrouw heeft gesteld dat de resultaten van het opsporingsonderzoek moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat het onderzoek onrechtmatig zou zijn geweest. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verbalisant [verbalisant] de trailer met daarin de hennepkwekerij heeft laten openen door de medeverdachte, terwijl dit redelijkerwijs niet meer nodig was voor de vervulling van zijn taak, het opsporen van milieudelicten, aangezien hij de overtreding daarvan reeds had geconstateerd.

Het hof overweegt dat deze stelling geen steun vindt in wet of jurisprudentie. De constatering dat milieuvoorschriften zijn overtreden vormt veeleer - en zeker in casu - aanleiding nader onderzoek te verrichten, waartoe de Wet op de Economische Delicten ook de bevoegdheid geeft. Het onderzoek heeft mitsdien rechtmatig plaatsgevonden, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde is. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 3 december 2014 tot en met 28 januari 2015 te Rozenburg, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van in totaal ongeveer 220 hennepplanten.

2:
hij in de periode van 3 december 2014 tot en met 28 januari 2015 te Rozenburg, gemeente Haarlemmermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, geheel toebehorende aan [bedrijf] , waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 120 uren, met een proeftijd van twee jaren. De politierechter heeft daarnaast een geldboete van €750 opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uren.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht een straf op te leggen gelijk aan de straf die door de politierechter is opgelegd. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zal het hem veel moeite kosten om de taakstraf uit te oefenen, nu hij – naast zijn werk – de zorg draagt voor jonge kinderen en mantelzorg verleent aan zijn vader.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van hennepplanten. De aangetroffen hoeveelheid hennep is van dien aard, dat het aannemelijk is dat deze bestemd was voor verdere verspreiding en handel, waarmee, naar de ervaring leert, vaak andere vormen van criminaliteit gepaard gaan.

Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage. De verdachte heeft op illegale wijze stroom afgetapt, waardoor het energiebedrijf schade heeft opgelopen. Hij heeft zich bij dit alles kennelijk slechts laten leiden door de zucht naar financieel gewin.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 maart 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld, doch dit betreft een andersoortig feit van langere tijd geleden.

Voor de hoogte en modaliteit van de straf heeft het hof gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren en bovendien aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Het hof komt, alles afwegende, tot een hogere straf dan door de politierechter is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding een lagere of geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Senden, mr. M. Jurgens en mr. M.E. Hinskens-van Neck, in tegenwoordigheid van

mr. K. van der Togt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

10 april 2018.

[…]