Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1190

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
001730-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Verzoek ex artikel 89 Sv

De forfaitaire bedragen ter vergoeding van schade door preventieve detentie na niet-veroordeling, zoals die in de oriëntatiepunten en aanbevelingen van het LOVS zijn opgenomen, worden beschouwd als een vergoeding voor zowel materiële als immateriële schade. In bijzondere gevallen en voor zover die gesteld en deugdelijk onderbouwd zijn, kunnen hogere bedragen worden toegekend.

Gesteld is dat de detentie voor appellante naar verhouding ingrijpender is geweest en dat appellante om die reden een vergoeding van tweemaal de forfaitaire vergoeding dient te krijgen. Daartoe is aangevoerd a) dat appellante een maand zwanger was en de inverzekeringstelling heeft doorgebracht op de ‘bolletjes afdeling’ van het detentiecentrum te Schiphol waardoor zij een hygiënerisico heeft gelopen en

b) dat appellante van haar driejarige dochtertje, met wie zij reisde, bij de aanhouding werd gescheiden wat in het onderhavige geval heeft geleid tot zorgen omtrent haar dochtertje gedurende de inverzekeringstelling.

In het feit dat appellante op dat moment, volgens haar eigen verklaring een maand, zwanger was, ziet het hof geen aanleiding een hogere dan de forfaitaire vergoeding toe te kennen, terwijl voorts niet is onderbouwd dat appellante een verhoogd hygiëne-risico heeft gelopen. In het feit dat appellante van haar dochtertje is gescheiden ziet het hof in de gegeven omstandigheden wel aanleiding de forfaitaire vergoeding met een factor anderhalf te vermeerderen, zoals ook door de rechtbank is gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling strafrecht

rekestnummers: 001730-17 (89 Sv) en 000276-18 (591a Sv)

parketnummer in eerste aanleg: 15-8200748-16

Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 6 november 2017 op het verzoekschrift op de voet van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat,

mr. L.E. Janszen, [adres].

1 Inhoud van het verzoekschrift

Het verzoekschrift van 7 februari 2017 strekt tot het verkrijgen van een vergoeding op de voet van artikel 89 Sv tot een bedrag van € 320,00, ter zake van schade die verzoekster stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer, als volgt gespecificeerd: 2 dagen verzekering in het detentiecentrum Schiphol à € 160,00 per dag. Er wordt om tweemaal de standaardvergoeding verzocht, om de reden - kort gezegd - dat de detentie voor appellante ingrijpend is geweest nu verzoekster toentertijd zwanger was en zij bij aanhouding op Schiphol werd gescheiden van haar driejarige dochtertje.

2 Procesverloop

Het hoger beroep is op 28 november 2017 ingesteld door verzoekster (hierna appellante).

Op 28 november 2017 is een schriftuur houdende grieven ingekomen.

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 9 maart 2018 de advocaat-generaal en mr. V.M. Janszen, waarnemend advocaat van appellante, ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellante is niet verschenen.

3 Beoordeling van het hoger beroep

Het verzoek is door de rechtbank in zoverre toegewezen, dat anderhalf maal de standaardvergoeding is toegekend.

Het hiertegen gerichte hoger beroep is tijdig ingesteld.

Het inleidende verzoek is tijdig ingediend.

De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd na een kennisgeving sepot van 8 december 2016 met als reden dat appellante ten onrechte als verdachte is aangemeld. De strafzaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.

Appellante is op 1 december 2016 in verzekering gesteld op verdenking van - kort gezegd - overtreding van de Opiumwet. Appellante is op 3 december 2018 in vrijheid gesteld.

Ingevolge het bepaalde in artikel 90, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De forfaitaire bedragen ter vergoeding van schade door preventieve detentie na niet-veroordeling, zoals die in de oriëntatiepunten en aanbevelingen van het LOVS zijn opgenomen, worden beschouwd als een vergoeding voor zowel materiële als immateriële schade. In bijzondere gevallen en voor zover die gesteld en deugdelijk onderbouwd zijn, kunnen hogere bedragen worden toegekend.

Gesteld is dat de detentie voor appellante naar verhouding ingrijpender is geweest en dat appellante om die reden een vergoeding van tweemaal de forfaitaire vergoeding dient te krijgen. Daartoe is aangevoerd a) dat appellante een maand zwanger was en de inverzekeringstelling heeft doorgebracht op de ‘bolletjes afdeling’ van het detentiecentrum te Schiphol waardoor zij een hygiënerisico heeft gelopen en

b) dat appellante van haar driejarige dochtertje, met wie zij reisde, bij de aanhouding werd gescheiden wat in het onderhavige geval heeft geleid tot zorgen omtrent haar dochtertje gedurende de inverzekeringstelling.

In het feit dat appellante op dat moment, volgens haar eigen verklaring een maand, zwanger was, ziet het hof geen aanleiding een hogere dan de forfaitaire vergoeding toe te kennen, terwijl voorts niet is onderbouwd dat appellante een verhoogd hygiëne-risico heeft gelopen. In het feit dat appellante van haar dochtertje is gescheiden ziet het hof in de gegeven omstandigheden wel aanleiding de forfaitaire vergoeding met een factor anderhalf te vermeerderen, zoals ook door de rechtbank is gedaan.

Gelet op het voorgaande acht het hof net als de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding van € 240,00.

4 Beslissing

Het hof:

Wijst het hoger beroep af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellante.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, P.C. Römer en A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 23 maart 2018.

De voorzitter beveelt:

de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank van 6 november 2017 door overmaking van € 240,00 (tweehonderdveertig euro) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [naam].

Amsterdam, 23 maart 2018,

mr. R.D. van Heffen, voorzitter.