Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1181

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
23-000773-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens overtreding art. 6 WVW, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht. In hoger beroep gevoerde verweren verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000773-17

datum uitspraak: 11 april 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 28 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-710258-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2017 en 28 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij:

primair:
op of omstreeks 29 april 2014 te Rijsenhout, gemeente Haarlemmermeer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Porsche, kenteken [kenteken 1]), daarmede rijdende over de weg, de Aarbergerweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, ter hoogte van de kruising of splitsing van die Aarbergerweg en de toegangsweg naar een parkeerterrein van een aldaar gevestigd bedrijf ([bedrijf]) onvoldoende rechts heeft gehouden bij het nemen van de bocht naar links en terecht is gekomen op de weghelft van die toegangsweg bestemd voor het tegemoetkomende verkeer en (vervolgens) is opgebotst of aangereden tegen een op die weghelft rijdende motorfiets (merk BMW, kenteken [kenteken 2]), waardoor aan de bestuurder van die motorfiets (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, (te weten vier gebroken rugwervels), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair:
op of omstreeks 29 april 2014 te Rijsenhout, gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een personenauto (merk Porsche, kenteken [kenteken 1]) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Aarbergerweg, ter hoogte van de kruising of splitsing van die Aarbergerweg en de toegangsweg naar een parkeerterrein van een aldaar gevestigd bedrijf ([bedrijf]) niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden bij het nemen van de bocht naar links en terecht is gekomen op de weghelft van die toegangsweg bestemd voor het tegemoetkomende verkeer en (vervolgens) is opgebotst of aangereden tegen een op die weghelft rijdende motorfiets (merk BMW, kenteken [kenteken 2]), waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht, en/of door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de verdachte van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het insnijden van de bocht zoals de verdachte heeft gedaan, gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval, geen schuld oplevert aan het ontstane ongeval. Daarbij heeft de raadsman met name aandacht gevraagd voor de volgende feiten en omstandigheden: het gaat om een afgeronde bocht die haaks wordt genomen; de verdachte reed in een zeer grote, brede, lage auto met een lange neus, die men nauwelijks hoort wegens de hybride uitvoering; er stond een grote groene boom vol in blad, precies op de hoek van de T-splitsing, die het zicht van beide zijden belemmerde; het slachtoffer naderde de splitsing vanaf links (vanuit de verdachte, die van rechts kwam, bezien) zonder zijn snelheid te matigen en in de bocht aan de rechterzijde van de weg (bezien vanaf de positie van de verdachte) rijden of staan regelmatig bestelbusjes en vrachtwagen(s) geparkeerd, waardoor het slachtoffer gewaarschuwd had moeten zijn voor een (te) krappe bocht.

Er is derhalve volgens de verdediging geen sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW noch van gevaarzetting in de zin van artikel 5 WVW.

Subsidiair heeft de raadsman nog verzocht om een rechterlijk pardon, indien het hof tot een bewezenverklaring mocht komen, welke slechts mogelijk zou kunnen zijn ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

Het hof komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 29 april 2014 rijdt de verdachte in een personenauto van het merk Porsche over de Aarbergerweg in Rijsenhout. De verdachte is goed bekend met de verkeerssituatie aldaar, omdat hij daar dagelijks rijdt, dit in verband met zijn werk op het aldaar gelegen bedrijventerrein.2 Hij rijdt op de Aarbergerweg en slaat bij een T-splitsing3 die zich bevindt bij het terrein van het bedrijf [bedrijf], linksaf in de richting van het parkeerterrein dat aldaar is gelegen voor het gebouw van [bedrijf]. Het is de verdachte bekend dat er op dit punt niet veel zicht is vanwege een boom, geplaatst in de bocht aan de linkerzijde van de weg, bezien vanuit verdachtes rijrichting.4 Terwijl de verdachte deze T-splitsing nadert, gaat hij met zijn auto steeds meer naar links en komt hij bij het insnijden van de bocht op de linker weghelft.5 Op de T-splitsing neemt de verdachte aldus de binnenbocht richting [bedrijf].6 Hierdoor ontstaat er in deze bocht een aanrijding met de bestuurder van een BMW-motor, [slachtoffer], die vanaf het parkeerterrein van Zantingh B.V. wegrijdt en bij deze T-splitsing rechtsaf wenst te slaan, de Aarbergerweg op.7 Het slachtoffer loopt door de aanrijding zwaar lichamelijk letsel op, onder meer fracturen in vier werveluitsteeksels.8 Hij zit vanaf zijn stuitje tot aan zijn tepels in het gips, is voor verzorging en het gewassen worden volledig afhankelijk van andere mensen en kan gedurende langere tijd niet werken.9

Bewijsoverwegingen

Uit de redengevende feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte op de Aarbergerweg bij het nemen van de bocht van zijn rechter weghelft is afgeweken naar links en vervolgens bij het afslaan naar links deze bocht te krap heeft genomen, waardoor hij op de linkerkant van de weg is komen te rijden. Door deze manoeuvre is er een aanrijding ontstaan met een hem op die weghelft tegemoetkomende motorrijder, [slachtoffer], die hierdoor zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

Het hof is van oordeel dat de rijstijl van de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest en dat dit gedrag ook verwijtbaar is. Immers, indien de verdachte op de Aarbergerweg bij nadering van de splitsing voldoende rechts, op zijn eigen rechter weghelft, was blijven rijden , dan had hij de verkeerssituatie geheel kunnen overzien en had hij dus ook de hem tegemoetkomende motorrijder kunnen en moeten zien aankomen en had hij deze motorrijder gewoon kunnen passeren. Daarbij acht het hof verder van belang dat, zoals de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, het zicht in die bocht door een aldaar gesitueerde boom – in vol blad – ernstig werd belemmerd en de verdachte in een zeer grote, lage en brede auto reed die bovendien voor andere verkeersdeelnemers niet goed hoorbaar was vanwege de hybride uitvoering. Dit betekent dat de verdachte deze splitsing, waarmee hij goed bekend was, juist met de daartoe vereiste oplettendheid en voorzichtigheid had dienen te benaderen en dat hij bedacht had moeten zijn op hem tegemoetkomend verkeer. Dit heeft de verdachte nagelaten en in plaats van voorzichtig te rijden, heeft hij deze bocht afgesneden door op de voor hem – de verdachte – verkeerde weghelft te gaan rijden waardoor dit ongeval heeft plaatsgevonden.

Het hof merkt daarbij nog op dat de door de verdediging geschetste situatie10 zich in casu niet voordeed – er stond of reed op het moment van het ongeval immers geen bestelbusje of vrachtwagen in de bocht.

Mede gelet op de camerabeelden die het hof ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekeken, is het hof van oordeel dat het slachtoffer geen blaam treft. Het feit dat hij van links kwam is niet relevant omdat de vraag wie van de twee er voorrang had daar bij de T-splitsing niet aan de orde is. Het slachtoffer ging immers naar rechts en is niet van zijn weghelft afgeweken. Er was geen enkele reden waarom hij bedacht diende te zijn op een tegemoetkomende medeweggebruiker op zijn eigen weghelft.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

primair:
op 29 april 2014 te Rijsenhout, gemeente Haarlemmermeer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Porsche, kenteken [kenteken 1]), daarmede rijdende over de weg, de Aarbergerweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, ter hoogte van de splitsing van die Aarbergerweg en de toegangsweg naar een parkeerterrein van een aldaar gevestigd bedrijf ([bedrijf]), onvoldoende rechts heeft gehouden bij het nemen van de bocht naar links en terecht is gekomen op de weghelft van die toegangsweg bestemd voor het tegemoetkomende verkeer en zonder tijdig te remmen vervolgens is aangereden tegen een op die weghelft rijdende motorfiets (merk BMW, kenteken [kenteken 2]), waardoor aan de bestuurder van die motorfiets (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, (te weten vier gebroken rugwervels) werd toegebracht.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op de Aarbergerweg in Rijsenhout door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag een aanrijding veroorzaakt met motorrijder [slachtoffer], die hierbij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De aanrijding heeft voor [slachtoffer] ernstige gevolgen gehad. Uit zijn slachtofferverklaring blijkt dat hij fysiek, emotioneel en financieel gebroken is. De houding van de verdachte tegenover het slachtoffer is naar het oordeel van het hof, zeker in het begin, weinig meelevend te noemen. Deze opstelling rekent het hof de verdachte aan. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 maart 2018 is de verdachte vóór de datum van het ongeval niet ter zake verkeersdelicten onherroepelijk veroordeeld.

Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte zal het hof daarmee in strafmatigende zin rekening houden.

Alles afwegende is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten

van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. Het hof is voorts met de rechtbank van oordeel dat de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen dient te worden ontzegd voor na te noemen duur. Het hof zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren zodat de verdachte ervan wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

Een rechterlijk pardon is volgens het hof volstrekt niet passend, temeer nu het hof het primair tenlastegelegde bewezen acht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 14.004,33. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.371,54. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Het hof is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 6.676,54 rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit, te weten een bedrag van € 2.350,- aan zorgkosten en een bedrag van € 4.195,- aan schade van de motor aangevuld met € 131,54 aan taxatiekosten. Tevens komt het hof vergoeding van de gestelde immateriële schade van € 5.000,- billijk voor, gelet op de onderbouwing van

de vordering en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep. Uit de slachtofferverklaring blijkt hoe groot de impact van het letsel is op het leven van betrokkene. Hij heeft thans bijna vier jaar na het ongeluk nog steeds pijnklachten. Zijn hobby’s kan hij niet meer uitoefenen en zijn kleinkinderen kan hij niet optillen. Ook heeft hij een uitkering moeten aanvragen omdat hij zijn werkzaamheden niet meer volledig kon verrichten. Zijn leven, maar ook dat van zijn vrouw, is na het ongeluk totaal veranderd. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Ten aanzien van de door de benadeelde gemaakte proceskosten van in totaal € 2.327,79 komen slechts de reiskosten en de parkeerkosten van in totaal € 101,79 voor vergoeding in aanmerking, nu de kosten van juridische bijstand niet in de onderhavige procedure zijn gemaakt, maar een voorschot betreffen in verband met een nog te voeren civiele procedure. Voor het overige is het hof van oordeel dat de benadeelde partij in de vordering niet dient te worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 11.676,54 (elfduizend zeshonderdzesenzeventig euro en vierenvijftig cent) bestaande uit € 6.676,54 (zesduizend zeshonderdzesenzeventig euro en vierenvijftig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 101,79 (honderdéén euro en negenenzeventig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 11.676,54 (elfduizend zeshonderdzesenzeventig euro en vierenvijftig cent) bestaande uit € 6.676,54 (zesduizend zeshonderdzesenzeventig euro en vierenvijftig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 93 (drieënnegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

- 29 april 2014 over een bedrag van € 4.195,00 ter zake van schade motor;

- 10 maart 2015 over een bedrag van € 131,54 ter zake van taxatiekosten schade motor;

- 1 september 2015 over een bedrag van € 2.350,00 ter zake van zorgkosten;

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 29 april 2014.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M.H.P. Houben, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van mr. K. Sarghandoy, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 april 2018.

[…]

1 De door het hof in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Deze bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

2 Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep.

3 Proces-verbaal verhoor [slachtoffer] d.d. 5 mei 2014.

4 Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep.

5 Eigen waarneming van het hof (bekijken camerabeelden ter terechtzitting in hoger beroep).

6 Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep.

7 Proces-verbaal verhoor [slachtoffer] d.d. 5 mei 2014.

8 Medische informatie huisartsenpraktijk Oostzaan d.d. 2 juni 20I4; proces-verbaal verhoor benadeelde d.d. 7 juli 2014.

9 Proces-verbaal verhoor verdachte (R [slachtoffer]) d.d. 5 mei 2014, proces-verbaal verhoor benadeelde d.d. 7 juli 2014.

10 Pleitnota van de raadsman, eerste blad (ongenummerd) onderdaan en tweede blad bovenaan.