Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1180

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-04-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
23-003737-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Telkens rijden onder invloed en rijden tijdens ingevorderd rijbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003737-17

datum uitspraak: 9 april 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 96-032726-17 en 96-132183-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

zaak met parketnummer 96-032726-17
hij op of omstreeks 11 februari 2017 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig, (tweewielige bromfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 730 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

zaak met parketnummer 96-132183-17

1.
hij op of omstreeks 15 juli 2017 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig, (snorfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 280 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
2.
hij op of omstreeks 15 juli 2017 te Amsterdam als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs was gevorderd en/of van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de Kinkerstraat, een motorrijtuig, (snorfiets), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

zaak met parketnummer 96-032726-17
op 11 februari 2017 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (bromfiets) dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 730 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

zaak met parketnummer 96-132183-17

1.
op 15 juli 2017 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (snorfiets) dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 280 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;


2.
op 15 juli 2017 te Amsterdam als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 een op zijn naam gesteld rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven op de weg, de Kinkerstraat, een motorrijtuig (snorfiets) van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Op 11 februari 2017 is naar aanleiding van hetgeen in de zaak met parketnummer 96-032726-17 is tenlastegelegd het rijbewijs van de verdachte ingevorderd, waarna de officier van justitie heeft beslist het rijbewijs voor de duur van 6 maanden niet aan de verdachte terug te geven.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep in de zaak met parketnummer 96-132183-17 ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde verklaard dat het CBR hem telefonisch had verteld dat hij mocht rijden op zijn brommer, ondanks het feit dat hij zijn rijbewijs op dat moment nog niet had terug gekregen.

Naar het oordeel van het hof treft het verweer, dat kan worden aangemerkt als een beroep op een strafuitsluitingsgrond, geen doel, reeds omdat niet is onderbouwd noch anderszins aannemelijk is geworden dat het CBR aan de verdachte heeft medegedeeld dat hij op zijn brommer mocht rijden zonder rijbewijs. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat het bij wet verboden is in of op een gemotoriseerd voertuig te rijden zonder daadwerkelijk in het bezit te zijn van een rijbewijs. In de onderhavige zaak komt daar nog bij dat het openbaar ministerie na afloop van de eerdergenoemde termijn van 6 maanden het rijbewijs van de verdachte aan het CBR heeft overgedragen, zoals ook aan hem is bericht bij brief van 9 augustus 2017, hetgeen temeer onaannemelijk maakt dat het CBR aan de verdachte zou hebben gezegd dat hij op zijn brommer mocht rijden.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak met parketnummer 96-032726-17 en in de zaak met parketnummer 96-132183-17 onder 1 bewezenverklaarde levert op, telkens:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onder a van de Wegenverkeerswet 1994.

Het in de zaak met parketnummer 96-132183-17 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van twee jaren, een voorwaardelijke geldboete van € 500, bij niet betalen te vervangen door 10 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 30 uren, bij niet betalen te vervangen door 15 dagen hechtenis en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig art. 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft, door tot tweemaal toe op de openbare weg onder invloed van alcohol een motorrijtuig te besturen, de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd. Dit zijn ernstige feiten. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het besturen van een motorrijtuig, terwijl zijn rijbewijs ingevorderd was. De verdachte heeft daarmee blijk gegeven zich weinig gelegen te laten liggen aan een jegens hem in het kader van de verkeersveiligheid uitgevaardigde maatregel. Door toch een auto te besturen heeft hij voorts een groot financieel risico voor andere weggebruikers in het leven geroepen, nu verzekeringsmaatschappijen in dergelijke gevallen veroorzaakte schade niet plegen te vergoeden.

Dergelijke feiten worden, mede gelet op het gevaarzettende karakter ervan, in de regel met een forse geldboete bestraft. Het hof acht het daarnaast, gelet op de aard en ernst van de delicten, noodzakelijk dat aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd en dat hem gedurende enige tijd de rijbevoegdheid wordt ontzegd. Het hof heeft daarbij betrokken dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 maart 2018, eerder ter zake van soortgelijke misdrijven is veroordeeld. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Bovendien heeft de proceshouding van de verdachte bij het hof de indruk gewekt dat hij hardleers is en zijn ‘kop in het zand steekt’ als hem onwelgevallige beslissingen worden meegedeeld.

Een en ander heeft het hof ertoe gebracht een langere voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan door de advocaat-generaal gevorderd. Het hof ziet evenwel af van het opleggen van een taakstraf.

Ter terechtzitting in hoger beroep is tevens de geringe draagkracht van de verdachte aan de orde gekomen. Het hof zal daarom bepalen dat de op te leggen geldboete in termijnen mag worden voldaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24a, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 96‑032726-17 en in de zaak met parketnummer 96-132183-17 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 96-032726-17 en in de zaak met parketnummer 96‑132183‑17 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 10 (tien) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 50 (vijftig euro).

Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 96-132183-17 onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 96-032726-17 onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. M.J.A. Duker en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van A.D. Renshof en mr. F. van den Brink, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 april 2018.

Mr. Van Woensel is buiten staat dit arrest te ondertekenen