Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1172

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
K17/230404
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beklagzaak. Beklag ex artikel 12 Sv over politiegeweld met ernstig letsel als gevolg.

Beroep op noodweer(exces) zal naar verwachting slagen; beklaagde kon en mocht overgaan tot het schieten op klagers benen, nadat eerdere geweldsmiddelen met oplopende intensiteit geen enkel effect op klagers handelen hadden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER

Beschikking op het beklag met het rekestnummer K17/230404 van

[klager] ,

klager,

woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde:

mr. M.P.J. Appelman, advocaat te Hoorn.

1 Het beklag

Het klaagschrift is op 10 oktober 2017 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Holland om geen strafvervolging in te stellen tegen [beklaagde], brigadier van politie, (hierna: beklaagde) ter zake van buitenproportioneel politiegeweld waardoor sprake is van een strafbaar feit.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 1 december 2017 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3 De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift;

- het verslag van de advocaat-generaal;

- de in deze zaak door de politie opgemaakte processen-verbaal;

- het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket

Noord-Holland van 25 oktober 2017;

- de op 19 december 2017 bij het gerechtshof binnengekomen reactie van de gemachtigde

op het ambtsbericht en het verslag.

4 De behandeling in raadkamer

Het hof heeft klager in de gelegenheid gesteld op 14 februari 2018 het beklag toe te lichten. Klager is, bijgestaan door de gemachtigde, in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd.

Voorts heeft het hof beklaagde in de gelegenheid gesteld op 14 februari 2018 op een ander tijdstip te worden gehoord. Beklaagde is, daarbij bijgestaan door mr. J.S. Dallinga, advocaat te Alkmaar, in raadkamer verschenen en heeft het hof verzocht de klacht af te wijzen. De advocaat heeft het woord gevoerd overeenkomstig de door hem aan het hof overgelegde pleitaantekeningen.

De advocaat-generaal is bij de behandelingen in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft hij geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5 De beoordeling van het beklag

- Inleiding

Bij politieoptreden op 28 mei 2016 in Hoogkarspel heeft beklaagde, politieambtenaar, met zijn dienstwapen op de benen van klager geschoten. Klager is daardoor zo ernstig gewond geraakt dat een deel van zijn rechterbeen geamputeerd moest worden.

- Onderzoek

Het onderzoek in deze zaak is verricht door de Rijksrecherche. In het kader daarvan is klager – na een periode van ziekenhuisopname en revalidatie – op 6 september 2016 als getuige gehoord. Ook beklaagde en andere betrokken politiemensen zijn gehoord alsmede de bewoonster van het huis waar een en ander zich had voorgedaan. In het dossier zijn verder andere onderzoeksgegevens vastgelegd.

- Aangifte

Op 16 januari 2017 heeft klager aangifte gedaan van buitensporig politiegeweld gepleegd door beklaagde.

- Sepot

De officier van justitie heeft besloten om geen vervolging te beginnen. In de uitgebreid gemotiveerde sepotbrief heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat uit de verschillende verklaringen blijkt dat sprake was van een zeer bedreigende en beangstigende situatie. Klager had al flinke schade aangericht en was niet voor rede vatbaar; het door hem uitgeoefende geweld leek niet te stoppen. Het gericht schieten op zijn benen teneinde hem te stoppen was proportioneel. Omdat dat doel evenmin met een minder ingrijpend middel kon worden bereikt en de situatie verder dreigde te escaleren, is ook voldaan aan het vereiste van subsidiariteit. Het door beklaagde aangewende geweld was daarom gerechtvaardigd. Naar het oordeel van de officier van justitie komt beklaagde een beroep op noodweer toe.

- Het klaagschrift

Volgens klager heeft de politie de situatie laten escaleren en geen rekening gehouden met zijn psychische en fysieke gesteldheid. Klager woog maar 50 kilogram en was in een verwarde toestand. De politie is op veilige afstand van klager gebleven terwijl ook geprobeerd had kunnen worden om klager te overmeesteren door hem in een houdgreep te nemen en vervolgens af te voeren. Inzet van een minder zwaar middel dan schieten was mogelijk en had ook voor de hand gelegen. Om die reden, aldus klagers gemachtigde, dient het schieten op klager aangemerkt te worden als onrechtmatig handelen dat vervolgd dient te worden .

- Uit het dossier en het in raadkamer besprokene komt het volgende naar voren

Klager verkeerde op 28 mei 2016, na een nacht lang cocaïne te hebben gebruikt, in een psychose. Na een melding bij de politie over een verwarde man die in Hoogkarspel langs de spoorlijn liep troffen twee surveillerende politiemensen (waaronder beklaagde) daar een man aan die met snelle pas zigzaggend over de straat liep: klager. De politie zag dat klager iets in zijn hand had en kreeg de indruk dat het op een mes leek. Toen klager werd aangesproken rende hij ervandoor. Beklaagde ging achter hem aan. Via het spoor, een sloot en een grasveld kwamen zij bij een huis terecht. Met een stuk stoeptegel begon klager ruiten aan de zijkant van het huis in te slaan. Beklaagde hoorde in het huis een vrouw gillen. Intussen waren er ook andere politiemensen ter plaatse gekomen. Toen beklaagde “Politie” riep, riep klager terug dat zij nepagenten waren. Er werd met pepperspray in de richting van klager gespoten; dat had geen effect. Klager leunde op de glasscherven in de ramen en er ontstonden grote sneden in zijn arm. Op een gegeven moment hield klager glasscherven in zijn hand. Beklaagde sloeg met zijn (korte) wapenstok tegen klagers lichaam en toen klager weer niet reageerde, gooide hij eerst een stuk trottoirband tegen de buikstreek en daarna een tegel tegen klager aan. Ook dat had geen effect: klager pakte een tegel, maar liet die ook weer vallen. Beklaagde trok toen zijn dienstpistool. Klager ging door een poort naar de achterzijde van het huis en sloeg daar opnieuw ruiten in.

Omdat beklaagde de indruk kreeg dat klager door het raam naar binnen wilde klimmen en in het huis de vrouw iets aan zou kunnen doen, loste beklaagde een schot; op een afstand van circa drie meter richtte hij op klagers benen. Er kwam geen reactie van klager. Kort daarna vuurde beklaagde een tweede schot af op klagers benen.

Klager heeft verklaard dat hij niet weet waarom hij de ruiten insloeg en er niet mee stopte. Hij verkeerde in een psychose.

In raadkamer heeft hij toegelicht dat niet alleen zijn been boven de knie is geamputeerd, maar dat hij door het inslaan van de ruiten ernstige verwondingen en blijvend (spier- en zenuw)letsel aan zijn vingers en onderarmen heeft opgelopen. Door de psychose voelde hij geen pijn van deze verwondingen, noch van de geweldsmiddelen die door de politie tegen hem werden ingezet.

In raadkamer heeft beklaagde toegelicht dat klager ondanks door de politie gebruikte geweldsmiddelen door bleef gaan met het inslaan van ramen en dat hij bang was dat klager naar binnen zou gaan waardoor beklaagde geen controle meer op de situatie zou hebben. Beklaagde zou door de in het raamkozijn uitstekende glasscherven klager niet snel naar binnen kunnen volgen. Ook had klager een glasscherf in zijn handen. Op de vraag waarom beklaagde en zijn twee collega’s niet op klager zijn gesprongen om hem te overmeesteren, heeft beklaagde geantwoord dat er daarvoor te weinig ruimte en teveel gevaar voor hun eigen veiligheid was. Verder was hij niet steeds samen met zijn twee collega’s. Nadat klager en beklaagde door de poort waren gegaan, was hij alleen met klager aan de achterkant van het huis; zijn collega’s probeerden op dat moment via de andere kant van het huis naar achteren te komen.

- De verklaring van beklaagde vindt steun in die van zijn collega’s.

- De bewoonster van de woning heeft verklaard dat zij, toen zij glasgerinkel hoorde, naar de garage liep. Haar dochter lag boven en haar man was even weg. In de garage zag zij van buiten een elleboog door het raam komen; een hand haalde glasstukken uit het raam. Zij hoorde een man schreeuwen: “je bent niet eens een politie, je bent een nepagent.” De politie probeerde de man te kalmeren maar deze reageerde nauwelijks. Zij had de indruk dat de man verward was of onder invloed. Ze was doodsbang dat hij via het raam naar binnen zou komen.

Even later hoorde zij weer glasgerinkel. Zij zag dat nu aan de achterkant van de garage een raam werd ingeslagen en dat ramen en kozijnen en de armen van de man onder het bloed zaten. Op een gegeven moment zag zij dat agenten de man aan het boeien waren. Van het schieten heeft zij niets gehoord. Toen zij de man op de brancard zag liggen was zij verbaasd dat zo’n kleine man zo sterk was. Over het optreden van de politie heeft zij gezegd dat dit geduldig was. Zij kreeg de indruk dat de politie de man probeerde te kalmeren en dat er alles aan werd gedaan om te voorkomen dat de man haar woning binnen zou komen.

- Volgens de medische informatie in het dossier had klager snijwonden in zijn armen en is zijn rechterbeen boven de knie geamputeerd.

5.1

De overwegingen van het hof

Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.

Het hof constateert dat het dossier aanwijzingen bevat dat vervolging van beklaagde voor een strafbaar feit (zoals zware mishandeling) mogelijk zou zijn.

Artikel 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren luidt:

1 Het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd:

a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken;

b. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf

1°. waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en

2°. dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of

3°. dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.

c. tot het beteugelen van oproerige bewegingen of andere ernstige wanordelijkheden, indien er sprake is van een opdracht van het bevoegd gezag en een optreden in gesloten verband onder leiding van een meerdere;

d. tot het beteugelen van militaire oproerige bewegingen, andere ernstige militaire wanordelijkheden of muiterij indien de militair van de Koninklijke marechaussee in opdracht van de minister van Defensie dan wel de officier van justitie te Arnhem belast met militaire zaken in gesloten verband onder leiding van een meerdere optreedt.

2 Het gebruik van het vuurwapen in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, is slechts geoorloofd tegen personen en vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden.

3 In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt van het vuurwapen geen gebruik gemaakt, indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt.

4 Onder het plegen van een misdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede begrepen de poging en de deelnemingsvormen, bedoeld in de artikelen 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht.

Het vuurwapengebruik door beklaagde valt niet binnen de Ambtsinstructie voor de politie. Aan een veroordeling zou echter in de weg kunnen staan een geslaagd beroep op een strafuitsluitingsgrond (zoals noodweer(exces)). Het hof moet daarom in dit geval beoordelen of de strafrechter zou oordelen dat een dergelijk beroep voldoende aannemelijk is geworden.

5.2

Noodweer

Voor een geslaagd beroep op noodweer hoeft voor de strafrechter niet komen vast te staan dat een en ander is verlopen zoals beklaagde verklaart; voldoende is dat aannemelijk is dat beklaagde schoot ter verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, en dat dat schieten een noodzakelijke en proportionele verdediging was.

Uit hetgeen hiervoor is weergegeven met betrekking tot de inhoud van het dossier komt naar voren dat de politie (en beklaagde in het bijzonder) geweldsmiddelen op klager hebben toegepast met oplopende intensiteit; geen daarvan had effect op klager en hij leek met geen mogelijkheid te stoppen. Het hof acht het niet onbegrijpelijk dat beklaagde in die situatie, waarin klager doorging met het inslaan van ruiten, bang was dat klager naar binnen zou gaan en de bewoners iets ernstigs zou aandoen.

Het hof acht het aannemelijk dat sprake was van een zodanig onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding van de persoon of personen die zich in de woning bevond(en) dat de verdediging tegen deze aanranding noodzakelijk was.

Hoewel de politiemensen in getal, postuur en gewicht in de meerderheid waren, moet het hof vaststellen dat toen geen van de, in oplopende zwaarte, toegepaste geweldsmiddelen effect had en klager kennelijk ook geen pijn voelde van door glasscherven veroorzaakte wonden, het gedrag van klager alle reden gaf om ervan uit te gaan dat hij volstrekt onberekenbaar en niet zomaar te stoppen was. Daar komt bij dat klager op een of meer momenten glasscherven vast had, of binnen handbereik had. Het benaderen van klager om hem beet te pakken en te overmeesteren kon dan ook niet van de politiemensen gevergd worden.

Bij die stand van zaken, kon en mocht beklaagde redelijkerwijs overgaan tot het schieten op klagers benen.

Dat betekent dat een beroep op noodweer(exces) door beklaagde door de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen, gehonoreerd zou worden.

Het hof is dan ook van oordeel dat er goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond.

Het hof zal daarom als volgt beslissen.

6 De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

4 april 2018 door mrs. M.J.G.B. Heutink, voorzitter, P.C. Kortenhorst en N. van der Wijngaart, raadsheren, in tegenwoordigheid van J.K. Krijnen, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.