Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1161

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
200.220.712/01 GDW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TGDKG:2017:145
Oorspronkelijk arrest: ECLI:NL:GHAMS:2018:3208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenbeslissing. Klacht tegen twee gerechtsdeurwaarders. Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarders dat deze niet ertoe zijn overgegaan op het bankbeslag een beslagvrije voet toe te passen, hoewel klaagster de gerechtsdeurwaarders daarom heeft verzocht en hun daartoe alle benodigde gegevens heeft verstrekt. De kamer heeft de gerechtsdeurwaarders de maatregel van berisping opgelegd. Het hof ziet aanleiding om partijen (nog) schriftelijk te laten reageren op stukken. Elke verdere beslissing is aangehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.220.712/01 GDW

nummer eerste aanleg : C/13/614473/ DW RK 16/941

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 10 april 2018

inzake

1. mr. [naam],

2. [naam],

gerechtsdeurwaarders te [plaats],

appellanten,

gemachtigde: [naam] te [plaats],

tegen

[naam],

wonend te [plaats],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. S.B. Epozdemir, advocaat te Den Haag.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellanten (hierna: de gerechtsdeurwaarders) hebben op 4 augustus 2017 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 7 juli 2017 (ECLI:NL:TGDKG:2017:145).

1.2.

De kamer heeft in de bestreden beslissing het verzet van geïntimeerde (hierna: klaagster) tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de kamer van 16 augustus 2016 op één onderdeel gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. De kamer heeft in de bestreden beslissing de gerechtsdeurwaarders de maatregel van berisping opgelegd.

1.3.

Klaagster heeft op 4 oktober 2017 een verweerschrift bij het hof ingediend.

1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 8 februari 2018. De gemachtigde van klaagster is verschenen en heeft het woord gevoerd. De gerechtsdeurwaarders en hun gemachtigde zijn, met berichtgeving vooraf, niet verschenen. Klaagster is evenmin verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

In deze zaak gaat het – kort gezegd – om het volgende. De gerechtsdeurwaarders hebben op 6 augustus 2014 een vonnis aan klaagster betekend met gelijktijdig bevel om aan de inhoud te voldoen. Op 24 juli 2015 hebben de gerechtsdeurwaarders ten laste van klaagster onder [naam bank] (verder: [naam bank]) executoriaal beslag gelegd op een bankrekening van klaagster. Het beslag heeft voor een bedrag van € 1.029,- doel getroffen.

4 Standpunt van klaagster

4.1.

In hoger beroep is van de oorspronkelijke drie klachtonderdelen van klaagster nog slechts het volgende als klacht aan de orde.

4.2.

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarders dat deze niet ertoe zijn overgegaan op het bankbeslag een beslagvrije voet toe te passen, hoewel klaagster de gerechtsdeurwaarders daarom heeft verzocht en hun daartoe alle benodigde gegevens heeft verstrekt. Op de beslagen bankrekening was een dag voor het beslag haar maandelijkse bijstandsuitkering bijgeschreven, zodat deze uitkering onder het beslag is gevallen. Klaagster is door het beslag in financiële problemen gekomen.

5 Standpunt van de gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarders hebben verweer gevoerd. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

6.1.

In hoger beroep hebben de gerechtsdeurwaarders het volgende aangevoerd.

6.1.1.

Blijkens het Centraal Insolventieregister is klaagster met ingang van 31 mei 2016 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) en heeft zij een WSNP-bewindvoerder toegewezen gekregen. Op 29 augustus 2016 heeft klaagster zelfstandig verzet ingediend bij de kamer. Ingevolge artikel 316 lid 2 van de Faillissementswet (Fw) dient echter de bewindvoerder als procespartij te worden aangemerkt en moet er daarnaast toestemming zijn van de rechter-commissaris. De beslissing van de kamer kan dan ook niet in stand blijven, aldus de gerechtsdeurwaarders.

6.1.2.

Daarnaast heeft de kamer ten onrechte de door klaagster ter zitting van 26 mei 2017 overgelegde (aanvullende) stukken bij het dossier gevoegd en ten grondslag gelegd aan haar beoordeling. De gerechtsdeurwaarders waren niet aanwezig bij die zitting en hebben derhalve geen kennis kunnen nemen van die stukken. Ook naderhand heeft de kamer de gerechtsdeurwaarders de stukken niet opgestuurd en hun niet om een reactie gevraagd. Dit is in strijd met het geldende procesreglement en ook om die reden kan de bestreden beslissing niet in stand blijven, aldus de gerechtsdeurwaarders.

Bevoegdheid tot instellen van verzet

6.2.

Op het moment dat klaagster verzet instelde bij de kamer, was zij toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en had zij een WSNP-bewindvoerder. Een dergelijke bewindvoerder heeft de verantwoordelijkheid voor de boedel en uitgaven binnen het schuldsaneringstraject. De saniet blijft echter wel handelingsbevoegd in rechte op te treden (in dit geval: verzet in te stellen) in een tuchtzaak als de onderhavige, die immers geen betrekking heeft op een goed dat tot de boedel behoort. Het door de gerechtsdeurwaarders aangehaalde wetsartikel bepaalt enkel dat de bewindvoerder in het kader van een schuldsanering toestemming behoeft van de rechter-commissaris wanneer in rechte wordt opgetreden. Gelet op het vorenstaande kan niet worden geconcludeerd dat de kamer hier een procedurele fout heeft gemaakt, zodat het hoger beroep op dit punt faalt.

Aanvullende stukken overgelegd ter zitting bij de kamer

6.3.

Ter zitting in hoger beroep heeft de gemachtigde van klaagster niet duidelijk kunnen maken welke stukken klaagster ter zitting aan de kamer heeft overgelegd. Uit navraag bij de kamer blijkt dat het gaat om de volgende stukken:

- brief van 6 augustus 2015 van klaagster aan het kantoor van de gerechtsdeurwaarders;

- afdruk Beslagvrije voet;

- brief van 15 juni 2015 van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten aan klaagster;

- twee e-mails van 30 juli 2015;

- brief van 31 juli 2015 van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten aan klaagster;

- afschriften/overzichten [naam bank] van klaagster.

De kamer heeft deze stukken in ontvangst genomen en in het dossier gevoegd. De kamer heeft de gerechtsdeurwaarders niet in de gelegenheid gesteld nog te reageren op die aanvullende stukken.

6.4.

Gezien het feit dat de gerechtsdeurwaarders in deze procedure op bovenvermelde stukken nimmer hebben kunnen en/of mogen reageren en het hof het geschil in volle omvang dient te toetsen (zie: ECLI:NL:GHAMS:2016:4604 en ECLI:NL:GHAMS:2016:2316), ziet het hof aanleiding om partijen (nog) schriftelijk te laten reageren op die stukken. Het hof verzoekt partijen in hun schriftelijke reactie ook in te gaan op de klacht zoals hierboven onder 4.2. omschreven. In beginsel zal het hof hierna de zaak schriftelijk afdoen, tenzij een van partijen verklaart een voortzetting te verlangen van de mondelinge behandeling, in welk geval het hof daarvoor een datum zal bepalen.

6.5.

Het hof zal elke verdere beslissing aanhouden.

7 Beslissing

Het hof:

- stelt de gerechtsdeurwaarders in de gelegenheid om – binnen vier weken na heden – schriftelijk te reageren op de bij deze beslissing gevoegde stukken en daarbij ook in te gaan op de klacht zoals hierboven omschreven onder 4.2. (onder vermelding van bovenstaand zaaknummer);

- bepaalt dat klaagster binnen een termijn van vier weken daarna schriftelijk mag reageren (eveneens onder vermelding van bovenstaand zaaknummer);

- bepaalt dat een nieuwe mondelinge behandeling zal worden gehouden indien een van partijen dat verlangt;

- houdt elke verdere beslissing aan.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2018 door de rolraadsheer.