Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1155

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
23-002514-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeeld voor diefstal in vereniging d.m.v. braak. Verdachte en medeverdachte herkend door verbalisanten. Veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraf en forse taakstraf. Vordering BP ex BTW toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002514-16

datum uitspraak: 9 april 2018

TEGENSPRAAK (na aanhouding niet verschenen)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 29 juni 2016 in de strafzaak onder parketnummer

15-800089-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

11 januari 2017 en 26 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de politierechter toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 januari 2016 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit cafe/restaurant " [naam 1] ", althans een bedrijfspand (gelegen op/aan het [adres 2] ]) heeft/hebben weggenomen twee kluizen en/of een kassalade en/of twee flessen "Bacardi" en/of twee flesjes "Coca-Cola" en/of een hoeveelheid drank en/of een contant geldbedrag van euro 3000,=, in elk geval enig(e) goed(eren)/geld(bedragen), geheel of ten dele toebehorende aan firma " [naam 1] " en/of [naam 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen kluizen en/of kassalade en/of flessen en/of geldbedrag onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Beoordeling van een gevoerd bewijsverweer en een verzoek tot nader onderzoek

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft mede aan de hand van een betoog over de chronologie van de herkenningen gewezen op het risico van onderlinge beïnvloeding door de betrokken politieambtenaren en zich op het standpunt gesteld dat de herkenningen die zijn neergelegd in zich in het politiedossier bevindende processen-verbaal van het bewijs moeten worden uitgesloten. Subsidiair heeft de raadsman verzocht door een deskundige nader onderzoek te laten doen naar de (mogelijkheid van) gezichtsherkenning aan de hand van de in deze zaak beschikbare beelden.

Het hof overweegt als volgt.

Het verweer behoeft geen bespreking voor zover dat ziet op de processen-verbaal van herkenning van de verdachte in het politiedossier, omdat het hof deze niet voor het bewijs zal bezigen. Het hof maakt voor het bewijs wel gebruik van de ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2018 afgelegde verklaringen van de daar als getuigen gehoorde politieambtenaren [getuige 1] en [getuige 2] . In die verklaringen hebben zij beiden de verdachte en zijn mededader herkend op camerabeelden die van de inbrekers in (en/of aan de achterzijde van) café-restaurant [naam 1] zijn gemaakt en op gemeentelijke cameratoezichtbeelden van personen die niet lang voorafgaand aan die inbraak lopen over het Ritsevoort te Alkmaar waaraan [naam 1] is gelegen. Deze herkenning hebben zij gemotiveerd, zowel wat betreft hun bekendheid met de verdachte en zijn mededader voorafgaand aan het ten laste gelegde feit, als wat betreft de kenmerken waaraan zij de verdachte en zijn mededader op voormelde beelden herkennen. Niet is aannemelijk geworden dat de kwaliteit van de voormelde (ter terechtzitting bekeken) camerabeelden of de wijze waarop de daarop zichtbare personen in beeld komen, in de weg zou staan aan het betrouwbaar komen tot deze gemotiveerde herkenningen. Immers, die personen komen op een deel van de beelden prominent met hun gezicht in beeld. Mede tegen die achtergrond is het hof niet de noodzaak gebleken van het verzochte nader onderzoek, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

Het tot vrijspraak strekkende verweer kan de verdachte niet baten; het hof acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op de wijze als na te melden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 januari 2016 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit café-restaurant [naam 1] (gelegen aan het [adres 2] ), heeft weggenomen twee kluizen en een kassalade en twee flessen Bacardi en twee flesjes Coca-Cola en een contant geldbedrag, toebehorende aan firma “ [naam 1] ”, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen kluizen, kassalade, flessen en dat geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het hof acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat.

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2016017457-1 van 23 januari 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 9-10).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 januari 2016 tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [naam 2] :

Naam benadeelde rechtspersoon : [naam 1]

Adres : [adres 2]

Plaats : Alkmaar

Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte.

[naam 1] is een café-restaurant. Het bedrijf was deugdelijk afgesloten. Het alarm was niet ingeschakeld. Op 23 januari 2016 08.10 uur ontdekte een medewerker van het bedrijf

een inbraak. Het bedrijf was zichtbaar doorzocht. Op 23 januari 2016 tussen 07.05 uur en

08.10

uur heeft iemand via het dak zich de toegang verschaft tot het bedrijf. De dader is het bedrijf binnengekomen door middel van een deur en kennelijk door gebruik te maken van een steen/katapult. De dader is het bedrijf kennelijk binnengekomen door middel van

indrukken/slaan/gooien. De dader heeft alle ruimtes en lades en kasten doorzocht. De dader heeft een geldcassette opengebroken. Uit het bedrijf is 2.500 euro weggenomen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer PL1100-2016017457-3 van 23 januari 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 15-16).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 januari 2016 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [naam 2] :

Ik heb op 23 januari 2016 aangifte gedaan van diefstal. Ik wil nog het volgende verklaren. Het bedrijf was afgesloten middels een sleutel. Er is bij de inbraak een tweetal kluizen weggenomen. Daarbij is ook een kassalade weggenomen. Tevens zijn twee andere kassalades vernield. Tevens zijn er twee flessen Bacardi en twee flesjes Coca Cola weggenomen. Ik had in eerste instantie een bedrag opgegeven van 2.500 euro, maar ik denk eerder dat het rond de 3.000 euro moet zijn. Naast de weggenomen goederen zijn er ook veel vernielingen gepleegd. Ik heb camerabeelden op een USB-stick. Deze geef ik af om bij de aangifte te voegen.

3. Een geschrift, te weten een niet ondertekend proces-verbaal sporenonderzoek met nummer PL1100-2016017457-2 van 24 januari 2016, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 37-38).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de voornoemde verbalisant:

Op 23 januari 2016 te 10.00 uur werd door mij als forensisch onderzoeker onderzoek verricht in een horecabedrijf aan de [adres 2] te Alkmaar in verband met een diefstal gepleegd op die datum te [het hof begrijpt: tussen] 07.05 uur en 08.10 uur. Daarbij werd door mij het volgende bevonden. Het bedrijf was voorzien van een camerasysteem dat ten tijde van de inbraak naar behoren functioneerde. Ik zag dat de vaste ruit in de buitendeur van ‘ [naam 1] ’ op de bovenste verdieping vernield was. Ik zag een gat in de ruit, waardoor het mogelijk was middels handreiking de buitendeur te ontsluiten. Via deze buitendeur waren alle vertrekken in het bedrijfspand onbelemmerd te betreden. Achter de bar in de achterste ruimte van het restaurant hadden twee kleine kluizen gestaan volgens de eigenaar van het bedrijf [het hof begrijpt: [naam 2] ]. De tweede kluis is niet teruggevonden.

4. De verklaring van de getuige [getuige 1] afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2018.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik ken [medeverdachte] ambtshalve al vanaf het moment dat ik in Alkmaar bij de politie ging werken, vanaf februari 2003. Hij stond bekend als lid van een criminele jeugdhanggroep in Alkmaar-Noord waarmee ik ambtshalve veel te maken heb gehad. [verdachte] ken ik ook ambtshalve omdat hij als veelpleger stond gesignaleerd.

U toont mij de cameratoezichtbeelden van de gemeente Alkmaar van de camera op de hoek van de Lindegracht met het Ritsevoort die filmde in de richting van de Koorstraat. U toont mij de beelden van 23 januari 2016 vanaf 06:29:45 uur. Van de drie personen die om 06:29:53 uur de hoek met de Laat om komen en het Ritsevoort oplopen herken ik twee personen meteen aan het gelaat. De voorste is [medeverdachte] en de achterste [verdachte] . Ik ken hun gezichten heel goed, die spreken boekdelen voor mij.

U toont mij de door aangever [naam 2] aangeleverde camerabeelden van camera 2 die filmde in het café-restaurant [naam 1] . U toont mij de beelden van 23 januari 2016 vanaf 07.41.30 uur. Ik zie twee mannen heen en weer lopen in het café-restaurant. Dit zijn [medeverdachte] en [verdachte] . Ik herken [medeverdachte] en [verdachte] aan hun gezicht. De gezichten zijn goed te zien.

Ook zie ik dat de kleding en het signalement van [medeverdachte] en [verdachte] op deze beelden overeenkomt met hoe zij er uit zien op de beelden die u me zojuist liet zien van de toezichtcamera.

5. De verklaring van de getuige [getuige 2] afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2018.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik ben de broer van de vrouw met wie de vader van [verdachte] is getrouwd. Ik ken [verdachte] van familiaire omgeving. Ik heb drie of vier jaar geleden ook een week met hem in een vakantiehuis verbleven. [medeverdachte] is de halfbroer van [verdachte] .

Ik ken [verdachte] en [medeverdachte] ook ambtshalve, zij stonden allebei gesignaleerd als veelpleger en stonden regelmatig op briefings [het hof begrijpt dat op politiebriefings aan de hand van foto’s de aandacht op hen werd gevestigd].

U toont mij de door aangever [naam 2] aangeleverde camerabeelden van camera 2 die filmde in het café-restaurant [naam 1] . U toont mij de beelden van 23 januari 2016 vanaf 07.41.30 uur. Dit is [verdachte] die met zijn gezicht in beeld is om 07.41.40 uur. Ik herken [verdachte] aan zijn spitse muizenkoppie. Ik herken hem honderd procent zeker.

Dit is [medeverdachte] die zijn capuchon afdoet en met zijn gezicht goed in beeld is om 07.43.30 uur, dat weet ik zeker. Ik ken [medeverdachte] ambtshalve van foto’s en aandachtsvestigingen. Ik herken [medeverdachte] aan zijn kaaklijn.

Ik heb [verdachte] en [medeverdachte] meermalen gezien, in verschillende situaties.

U toont mij de door aangever [naam 2] aangeleverde camerabeelden van camera 5 die filmde in de steeg achter het café-restaurant [naam 1] . U toont mij de beelden van 23 januari 2016 vanaf 07.53.00 uur. De twee personen die ik zie lopen in de richting van de camera zijn [medeverdachte] en [verdachte] . [medeverdachte] loopt voorop en [verdachte] er achteraan. Ik herken [medeverdachte] en [verdachte] aan hun gezicht.

U toont mij de cameratoezichtbeelden van de gemeente Alkmaar van de camera op de hoek van de Lindegracht met het Ritsevoort die filmde in de richting van de Koorstraat. U toont mij de beelden van 23 januari 2016 vanaf 06:29:45 uur. Ik zie om 06:29:53 uur drie personen komen aanlopen vanaf de Laat het Ritsevoort op. De persoon die links heen en weer waggelt is [verdachte] . De persoon in het midden herken ik als [medeverdachte] .

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien het tot een bewezenverklaring komt, verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en hem geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan twee weken, de periode die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Hij heeft daarbij de aandacht gevestigd op de inhoud van het rapport van Reclassering Nederland van 20 februari 2018. Tot slot heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verdachte bereid is om een taakstraf uit te voeren.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een bedrijfsinbraak in een café-restaurant. De ter terechtzitting in hoger beroep getoonde camerabeelden hebben duidelijk gemaakt dat de verdachten zich doodgemoedereerd en op zeer brutale wijze meester hebben gemaakt van goederen die niet hen, maar die horecagelegenheid toebehoorden. Daarbij hebben zij een grote ravage achtergelaten en forse schade veroorzaakt. Door dit alles is de bedrijfsvoering in het café-restaurant verstoord geweest. Bovendien hebben de verdachte en zijn medeverdachte veel frustratie en ongemak bezorgd aan de gedupeerde ondernemer, die aan het opruimen van de ontstane chaos en de verdere afhandeling van de inbraak de nodig tijd kwijt moet zijn geweest. Met hun handelwijze hebben verdachte en zijn mededader er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van een ander. Meer in het algemeen veroorzaken dergelijke misdrijven in de samenleving gevoelens van onrust en onveiligheid.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 maart 2018 is hij eerder ter zake van gekwalificeerde diefstal onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt in het nadeel van de verdachte.

Het hof heeft gelet op de straf die door rechters in soortgelijke bedrijfsinbraken aan recidivisten pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden genoemd. Nu de bedrijfsinbraak in deze zaak in vereniging is gepleegd en in aanmerking genomen de schade die de verdachte met zijn mededader heeft veroorzaakt, zou het hof normaliter een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden passend en geboden hebben geacht. Het hof ziet in dit geval echter een goede aanleiding om daarvan in het voordeel van de verdachte af te wijken en wel op grond van het volgende.

De verdachte kent een fors belaste voorgeschiedenis. Hij groeide in eerste instantie op in een gebroken gezin waarin één van zijn ouders kampte met een alcoholverslaving. Er was sprake van vroegkinderlijke verwaarlozing waardoor hechtingsproblemen zijn ontstaan. Dit heeft er (mede) toe geleid dat de verdachte uithuisgeplaatst moest worden. Hij heeft langdurig verbleven in instellingen voor (gesloten) jeugdzorg. Onder invloed van die voorgeschiedenis heeft de verdachte een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken ontwikkeld. Gedurende zijn adolescentie heeft hij lange tijd geen stabiele woonsituatie gehad; hij leidde soms zelfs een min of meer zwervend bestaan. Evenmin had hij een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk of scholing. Behandelingen bij (forensische) gedragskundige instellingen weerde hij af. Verder had hij een, gezien zijn beperkte inkomenspositie, aanzienlijke schuldenlast opgebouwd.

Bij vonnis van 2 oktober 2017 is de verdachte onherroepelijk veroordeeld tot een goeddeels voorwaardelijke gevangenisstraf van serieus te nemen omvang. Daarbij zijn, kort gezegd, als bijzondere voorwaarden gesteld dat de verdachte (a) zich houdt aan een meldplicht bij de reclassering en (b) meewerkt aan een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek.

Uit de rapporten van Reclassering Nederland van 22 januari 2018 en 20 februari 2018 komt naar voren dat de verdachte inmiddels geruime tijd beschikt over zelfstandige woonruimte. Ook heeft hij betaalde arbeid gevonden en is voor zijn schuldenlast een betalingsregeling getroffen; een substantieel deel van de schulden is zelfs al afbetaald. Verder heeft hij zich onder behandeling gesteld bij de forensische polikliniek (FPA) van de GGZ te Alkmaar; daarbij stelt hij zich coöperatief op. Om praktische zaken in goede banen te leiden krijgt hij ondersteuning van het forensisch ACT-team. In afgelopen periode is hij alle afspraken bij de reclassering nagekomen. De toezichthouder heeft de overtuiging dat de verdachte oprecht en op volwassen wijze werkt aan zijn toekomst en zijn criminele leven achter zich wil laten. Zijn leven is in een stabiele fase gekomen en hij ervaart dat werk, inkomen en huisvestiging hem de nodige rust geeft. Dat alles laat onverlet dat de toezichthouder de continuering van het lopende reclasseringstoezicht geïndiceerd acht.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verdachte, die ‘van ver’ gekomen is, een lijn heeft ingezet richting een stabieler en delictvrij bestaan. Het hof acht het in het belang van de verdachte én de samenleving, dat deze lijn niet wordt doorkruist door oplegging van een straf die meebrengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Daarom zal, ook in het verlengde van het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden en een taakstraf voor de duur van 120 uren worden opgelegd. Het hof is van oordeel dat op deze wijze strafdoelen als vergelding en normbevestiging enerzijds en het strafdoel van speciale preventie anderzijds op verantwoorde wijze in evenwicht worden gebracht. Hieruit spreekt dat het hof de door de politierechter opgelegde straffen, maar ook die door de advocaat-generaal zijn geëist, onvoldoende recht vindt doen aan de ernst van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder het is begaan. Het hof ziet geen aanleiding om in de voorliggende zaak bijzondere voorwaarden te stellen; de verdachte zal zich in ieder geval tot 16 oktober 2019 moeten houden aan de bij vonnis van 2 oktober 2017 gestelde voorwaarden.

Vordering van de benadeelde partij Restaurant Café [naam 1] C.V.

Vordering

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.686,73, bestaande uit materiële schade en bestaat uit de volgende schadeposten:

  1. ontzetting bar feestzaal, waterleiding/afvoer gebroken € 563,39

  2. glaswacht/glaszetter € 438,30

  3. monteren achtergelaten kluis € 110,00

  4. levering nieuwe kluis € 599,00

  5. montage videocamera € 380,85

  6. omzetderving € 500 x 0,7= € 350 ex € 423,50

  7. opgave kassa monitor serre € 1.934,79

  8. nieuwe deur jus pers € 220,83

  9. drie kassa lades € 686,07

  10. twee flessen sterke drank + frisdrank € 100,00

  11. reparatiekosten kasten van de kluizen € 430,00

  12. inhoud kluis € 2.500,00

  13. twee keer vijf uur opruim-/schoonmaakkosten € 300,00

Voorts is door de benadeelde partij gevraagd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, met dien verstande dat haar vertegenwoordiger ter terechtzitting in hoger beroep te kennen heeft gegeven dat de BTW waarvan bij een deel van de gevorderde bedragen sprake is, niet als schade kan worden aangemerkt.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat deze BTW in mindering dient te worden gebracht op de vordering en dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft hij gevorderd dat de verdachte en zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk zullen worden gesteld.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering (deels) af te wijzen bij gebrek aan voldoende onderbouwing dan wel omdat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De hoogte van de omzetderving, de opruim-/schoonmaakkosten en het weggenomen geldbedrag zijn niet nader onderbouwd. Bij (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering, dient de vordering volgens de raadsman te worden gematigd. De BTW dient in mindering gebracht dient te worden, omdat die voor de benadeelde partij te verrekenen is, maar niet voor de verdachte.

Oordeel van het hof

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot € 7757,04, bestaande uit materiële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Daarbij wordt overwogen dat het namens de verdachte ingenomen standpunt dat onduidelijk is waarop de hiervoor onder f), m) en l) genoemde schadeposten zijn gebaseerd dan wel dat daarvoor een onderbouwing ontbreekt, gelet op de gemotiveerde onderbouwing van deze posten door de benadeelde partij en de uiteenzetting daaromtrent van de vertegenwoordiger van laatstgenoemde op de terechtzitting in hoger beroep, niet als een voldoende gemotiveerde betwisting van die posten kan gelden.

Het hof is in lijn met partijen van oordeel dat de BTW in mindering gebracht dient te worden, zodat de schadeposten a) t/m i) op de volgende bedragen zullen uitkomen:

  1. ontzetting bar feestzaal, waterleiding/afvoer gebroken € 465,61

  2. glaswacht/glaszetter € 362,23

  3. monteren achtergelaten kluis € 90,91

  4. levering nieuwe kluis € 495,04

  5. montage videocamera € 314,75

  6. omzetderving € 500 x 0,7= € 350 ex € 350,00

  7. opgave kassa monitor serre € 1.599,00

  8. nieuwe deur jus pers € 182,50

  9. drie kassa lades € 567,00

De hiervoor onder j) t/m m) genoemde schadeposten zullen geheel worden toegewezen.

Het hof acht de verdachte met zijn mededader voor de gehele voormelde schade hoofdelijk aansprakelijk.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Het hof zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijk rente. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij Restaurant Café [naam 1] C.V.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Restaurant Café [naam 1] C.V. ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.757,04 (zevenduizend zevenhonderdzevenenvijftig euro en vier cent) ter zake van materiële schade, voor welk gehele bedrag de verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Restaurant Café [naam 1] C.V., ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.757,04 (zevenduizend zevenhonderdzevenenvijftig euro en vier cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 73 (drieënzeventig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op - 23 januari 2016 over een bedrag van € 5.416,00 - 2 februari 2016 over een bedrag van € 900,70 - 8 februari 2016 over een bedrag van € 465,61 - 9 februari 2016 over een bedrag van € 362,23 - 20 februari 2016 over een bedrag van € 430,00 - 8 maart 2016 over een bedrag van € 182,50.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. J.J.I. de Jong en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van

mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 april 2018.

[…]