Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1084

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
19-04-2018
Zaaknummer
23-004851-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderopvangtoeslagfraude. Medeplegen oplichting, medeplegen valsheid in geschrift en deelneming aan een criminele organisatie. Vrijspraak witwassen voor opbrengsten onmiddellijk afkomstig uit eigen misdrijf omdat geen sprake is van verbergen of verhullen. Benadelingsbedrag ruim € 380.000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004851-14

datum uitspraak: 27 maart 2018

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-845045-10 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

adres: [adres] [woonplaats] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken van de volgende onderdelen van wat aan haar is ten laste gelegd:

Feit 1:

Voor zover de oplichting betrekking heeft op de aanvraag van [aanvrager 1] (A-242).

Feit 2:

Voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op:

1. drieënveertig), althans een (groot) aantal jaaropgaven van [kinderopvang A] en

2. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2010 (A-277-D-03) en/of een jaaropgave (kinderopvang) 2010 van [kinderopvang B] (A-277-D-04).

Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze beslissingen tot vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2016, 4 maart 2016, 18 maart 2016, 19 september 2016, 21 september 2016, 22 september 2016, 27 september 2016, 16 februari 2018, 19 februari 2018, 20 februari 2018, 23 februari 2018, 26 februari 2018 en 13 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging, en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Feit 1:

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 maart 2007 tot en met 31 januari 2012 te Amsterdam en/of te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand, te weten de Belastingdienst, heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, tot het ter beschikking stellen van gegevens met geldswaarde in het handelsverkeer, tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) - ter verkrijging van Kinderopvangtoeslag - een document, te weten (een) valselijk opgemaakte of vervalste (elektronische) aanvra(a)g(en) en/of wijziging(en) Kinderopvangtoeslag (te weten D/115, pag. 3355 en/of D/116, pag. 3358-3364 en/of D/118 pag. 3368-3372 en/of A-132-D-03/D-09/D-10/D-11/D-12 en/of A-099-D-01/D-02/D-03 en/of A-279-D-01 en/of A-242-D-01 en/of A-175-D-02 en/of A-063-D-01 en/of A-176-D-02/D-03 en/of A-279-D-01/D-02 en/of A-201-D-02 en/of A-038-D-02 en/of A-191-D-01 en/of A-220-D-02 en/of A-246-D-02) bij de Belastingdienst ingediend, inhoudende (onder meer) dat de in de aanvra(a)g(en) en/of wijziging(en) genoemd(e) kind(eren) gedurende een in de aanvra(a)g(en) en/of wijziging(en) genoemd aantal uren per maand per een in de aanvra(a)g(en) en/of wijziging(en) genoemde ingangsdatum kinderopvang genieten, althans dat (onder meer)

(eigen aanvraag/aanvraag [medeverdachte 1] )

[kind 1A] gedurende 160 uur per maand vanaf 1 april 2007 kinderopvang geniet bij [kinderopvang C] (D/1 15, pag. 3355) en/of [kind 1A] gedurende 218 uur per maand vanaf 1 april 2007 kinderopvang geniet bij [kinderopvang C] (D/116, pag. 3358-3364) en/of [kind 1B] gedurende 135 uur per maand vanaf 1 augustus 2007 kinderopvang geniet bij [kinderopvang A] (D/118 pag. 3368-3372) en/of

(aanvraag [aanvrager 2] A-132)

[kind 2A] gedurende 200 uur per maand vanaf 1 juni 2008 kinderopvang geniet bij [kinderopvang A] (A-132-D-03) en/of [kind 2B] gedurende 200 uur per maand en/of [kind 2A] gedurende 135 uur per maand vanaf 1 januari 2010 (beiden) kinderopvang geniet(en) bij [kinderopvang E] (A-132-D-09) en/of [kind 2B] gedurende 200 uur per maand en/of [kind 2A] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2010 (beiden) kinderopvang genieten bij [kinderopvang F] (A-132-D-10) en/of [kind 2B] gedurende 200 uur per maand en/of [kind 2A] gedurende 200 uur per maand vanaf 1 januari 2011 (beiden) kinderopvang genieten bij [kinderopvang G] (A-132-D-011) en/of [kind 2A] gedurende 100 uur per

maand en/of [kind 2B] gedurende 100 uur per maand vanaf 1 januari 2011 (beiden) kinderopvang genieten bij [kinderopvang H] (A-132-D-12) en/of

(aanvraag [aanvrager 3] A-099)

[kind 3] gedurende 219 uur per maand vanaf 1 januari 2008 kinderopvang geniet bij [kinderopvang I] (A-099-D-0l) en/of [kind 3] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang J] (A-099-D-02) en/of [kind 3] gedurende 150 uur per maand per 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang K] (A-099-D-03) en/of

(aanvraag [aanvrager 4] A-279)

[kind 4] gedurende 219 uur per maand vanaf 1 maart 2008 kinderopvang geniet bij [kinderopvang A] (A-279-D-01) en/of

(aanvraag [aanvrager 5] A-175)

[kind 5] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang L] (A-175-D-02) en/of

(aanvraag [aanvrager 6] A-063)

[kind 6A] gedurende 150 uur per maand en/of [kind 6B] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2009 (beiden) kinderopvang geniet bij [kinderopvang M] (A-063-D-0l) en/of

(aanvraag [aanvrager 7] A-176)

[kind 7] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang N] (A-176-D-02) en/of [kind 7] gedurende 216 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang O] (A-176-D-03) en/of

(aanvraag [aanvrager 8] A-279)

[kind 8] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang L] (A-279-D-01) en/of dat [kind 8] gedurende 130 uur per maand vanaf 1 januari 2011 kinderopvang geniet bij [kinderopvang A] (A-279-D-02) en/of

(aanvraag [aanvrager 9] A-201)

[kind 9] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang Q] (A-201-D-02) en/of

(aanvraag [aanvrager 10] A-038)

[kind 10A] gedurende 135 uur per maand en/of [kind 10B] gedurende 135 uur per maand vanaf 1 januari 2010 (beiden) kinderopvang geniet(en) bij [kinderopvang A] (A-038-D-02) en/of

(aanvraag [aanvrager 11] A-191)

[kind 11] gedurende 219 uur per maand vanaf 1 juni 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang A] (A-191-D-01) en/of

(aanvraag [aanvrager 12] A-220)

[kind 12] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang A] (A-220-D-02) en/of

(aanvraag [aanvrager 13] A-246)

[kind 13A] gedurende 150 uur per maand en/of [kind 13B] gedurende 215 uur per maand vanaf 1 april 2010 (beiden) kinderopvang geniet(en) bij [kinderopvang A] (A-246-D-02)

waardoor verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) de suggestie heeft/hebben gewekt dat de persoon genoemd op de aanvraag Kinderopvangtoeslag recht had op deze toeslag, waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemd(e) toeslag(en) (tot (een) geldbedrag(en) van in totaal circa 561.938, althans 228.952 euro althans circa 95.940 euro);

Feit 2:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2009 tot en met 1 december 2011 te Amsterdam en/of te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

3. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-279-D-03) en/of een jaaropgave (kinderopvang) 2009 van [kinderopvang A] (A-279-D-05) en/of een Bezwaarformulier kinderopvangtoeslag 2010 (A-279-D-04) en/of een jaaropgave (kinderopvang) 2010 van [kinderopvang A] (A-279-D-06) en/of

4. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-099-D-04) en/of een jaaropgave (kinderopvang) 2009 van [kinderopvang A] (A-099-D-05) en/of

5. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-132-D-06) en/of (een) jaaropgave(n) (kinderopvang) 2009 van [kinderopvang A] (A-132-D-07 en D-08) en/of

6. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2008 (A-297-D-24) en/of een jaaropgave (kinderopvang) 2008 van [kinderopvang B] (A-297-D-25) en/of een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-297-D-26) en/of een jaaropgave (kinderopvang) 2009 van [kinderopvang A] (A-297-D-27) en/of een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2010 (A-297-D-20) en/of (een) jaaropgave(n) (kinderopvang) 2010 van [kinderopvang A] (A-297-D-21 en D-22)

valselijk heeft/hebben opgemaakt of heeft/hebben vervalst, (telkens) met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, bestaande die valsheid hierin dat verdachte en/of haar mededader(s) op dit/deze Antwoordformulier(en) kinderopvangtoeslag en/of deze jaaropgave(n) (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid (onder meer) heeft/hebben vermeld dat

Ad 3. [kind 8] in 2009 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 8] in 2009 9.315 euro bedroeg en/of dat de kinderopvang van [kind 8] in 2009 bij [kinderopvang A] heeft plaatsgevonden en/of (kind) [kind 8] in 2010 in totaal 1800 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan opvangkosten van (kind) [kind 8] in 2010 10.350 euro bedroeg en/of dat de kinderopvang van [kind 8] in 2010 bij [kinderopvang A] heeft plaatsgevonden en/of

ad 4. [kind 3] in 2009 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 3] in 2009 9.315 euro bedroeg en/of dat de kinderopvang van [kind 3] in 2010 bij [kinderopvang D] heeft plaatsgevonden en/of

ad 5. [kind 2B] in 2009 in totaal 2604 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 2B] in 2009 15.884,04 bedroeg en/of dat [kind 2A] in 2009 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 2A] in 2009 9.315 euro bedroeg en/of dat de kinderopvang van [kind 2B] in 2009 bij [kinderopvang P] heeft plaatsgevonden en/of dat de kinderopvang van [kind 2A] in 2009 bij [kinderopvang P] heeft plaatsgevonden en/of

ad 6. [kind 4] in 2008 in totaal 200 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 4] in 2008 6,10 euro betrof en/of dat de kinderopvang van (kind) [kind 4] in 2008 bij [kinderopvang B] , vestiging aan de [adres] te [plaats] heeft plaatsgevonden en/of [kind 4] in 2009 in totaal 1800 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 4] in 2009 10.350 euro bedroeg en/of dat de kinderopvang van [kind 4] in 2009 bij [kinderopvang A] heeft plaatsgevonden en/of dat [kind 4] in 2010 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan

opvangkosten van [kind 4] in 2010 9.315 euro bedroeg en/of dat [kind 4] in 2010 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 4] in 2010 9.315 euro bedroeg en/of dat de kinderopvang van [kind 4] in bij [kinderopvang R] heeft plaatsgevonden en/of dat de kinderopvang van [kind 4] in 2010 bij [kinderopvang R] heeft plaatsgevonden.

en/of

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2009 tot en met 1 december 2011 te Amsterdam en/of te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk van een vals en/of vervals geschrift gebruik heeft/hebben gemaakt

en/of heeft/hebben afgeleverd en/of voorhanden heeft/hebben gehad, als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededaders

3. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-279-D-03) en/of een jaaropgave (kinderopvang) 2009 van [kinderopvang A] (A-279-D-05) en/of een Bezwaarformulier kinderopvangtoeslag 2010 (A-279-D-04) en/of een jaaropgave (kinderopvang) 2010 van [kinderopvang A] (A-279-D-06) en/of

4. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-099-D-04) en/of een jaaropgave (kinderopvang) 2009 van [kinderopvang A] (A-099-D-05) en/of

5. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-132-D-06) en/of (een) jaaropgave(n) (kinderopvang) 2009 van [kinderopvang A] (A-132-D-07 en D-08) en/of

6. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2008 (A-297-D-24) en/of een jaaropgave (kinderopvang) 2008 van [kinderopvang B] (A-297-D-25) en/of een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-297-D-26) en/of een jaaropgave (kinderopvang) 2009 van [kinderopvang A] (A-297-D-27) en/of een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2010 (A-297-D-20) en/of (een) jaaropgave(n) (kinderopvang) 2010 van [kinderopvang A] (A-297-D-21 en D-22)

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

opgestuurd naar de Belastingdienst Toeslagen te Heerlen, en bestaande die valsheid of vervalsing daarin dat bestaande die valsheid hierin dat verdachte en/of haar mededader(s) op dit/deze Antwoordformulier(en) kinderopvangtoeslag en/of Antwoordformulier(en) kinderopvanggegevens en/of deze factu(u)r(en) en/of jaaropgave(n) (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid (onder meer) heeft/hebben vermeld dat

Ad 3. [kind 8] in 2009 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 8] in 2009 9.315 euro bedroeg en/of dat de kinderopvang van [kind 8] in 2009 bij [kinderopvang A] heeft plaatsgevonden en/of (kind) [kind 8] in 2010 in totaal 1800 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan opvangkosten van (kind) [kind 8] in 2010 10.350 euro bedroeg en/of dat de kinderopvang van [kind 8] in 2010 bij [kinderopvang A] heeft plaatsgevonden en/of

ad 4. [kind 3] in 2009 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 3] in 2009 9.315 euro bedroeg en/of dat de kinderopvang van [kind 3] in 2010 bij [kinderopvang D] heeft plaatsgevonden en/of

ad 5. [kind 2B] in 2009 in totaal 2604 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 2B] in 2009 15.884,04 bedroeg en/of dat [kind 2A] in 2009 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 2A] in 2009 9.315 euro bedroeg en/of dat de kinderopvang van [kind 2B] in 2009 bij [kinderopvang P] heeft plaatsgevonden en/of dat de kinderopvang van [kind 2A] in 2009 bij [kinderopvang P] heeft plaatsgevonden en/of

ad 6. [kind 4] in 2008 in totaal 200 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 4] in 2008 6,10 euro betrof en/of dat de kinderopvang van (kind) [kind 4] in 2008 bij [kinderopvang B] , vestiging aan de [adres] te [plaats] heeft plaatsgevonden en/of [kind 4] in 2009 in totaal 1800 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 4] in 2009 10.350 euro bedroeg en/of dat de kinderopvang van [kind 4] in 2009 bij [kinderopvang A] heeft plaatsgevonden en/of dat [kind 4] in 2010 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan

opvangkosten van [kind 4] in 2010 9.315 euro bedroeg en/of dat [kind 4] in 2010 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en/of dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 4] in 2010 9.315 euro bedroeg en/of dat de kinderopvang van [kind 4] in bij [kinderopvang R] heeft plaatsgevonden en/of dat de kinderopvang van [kind 4] in 2010 bij [kinderopvang R] heeft plaatsgevonden;

Feit 3:

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2007 tot en met 2 maart 2013 te Amsterdam, althans in Nederland, en/of België en/of Suriname tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans heeft/hebben witgewassen immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) (totaal circa 561.938, althans circa 228.952, althans 95.940 euro) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dat/die voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat het/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Feit 4:

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2008 en met 7 mei 2012 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland en/of België en/of Suriname, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit onder andere [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- valsheid in geschrifte (artikel 225 lid 1 en/of 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- oplichting (artikel 326 lid 1 van het wetboek van Strafrecht) en/of

- witwassen (artikel 420ter/bis van het Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Geldigheid van de dagvaarding

De tenlastelegging strekt er toe voor de procesdeelnemers – zowel voor het openbaar ministerie en de rechter als voor de verdachte en eventueel de benadeelde partij – de inzet van het geding en de te volgen beslissingsstructuur met de vereiste duidelijkheid vast te leggen. Met het oog daarop dient de dagvaarding ingevolge artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering een opgave te bevatten van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse alsmede de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan. In het verlengde daarvan ligt het doel dat de verdediging zich concreet op de strafzaak moet kunnen voorbereiden.

Het hof stelt vast dat in de tenlastelegging een groot aantal concrete gedragingen is beschreven. De tenlastelegging voldoet in zoverre aan de eisen die artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan een tenlastelegging stelt. Dit geldt echter niet voor zover in de tenlastelegging telkens de woorden ‘onder meer’ zijn vermeld. Met de woorden ‘onder meer’ zijn aan de verdachte, naast de concreet benoemde gedragingen, ook andere niet benoemde gedragingen ten laste gelegd. Niet duidelijk is welke gedragingen dat zijn. Het hof is van oordeel dat de tenlastelegging dan ook nietig is voor zover telkens in de tenlastelegging de woorden ‘onder meer’ zijn genoemd.

Vrijspraak

Feiten 1 en 2

Het hof is op grond van het beschikbare bewijs niet tot de overtuiging gekomen dat de verdachte betrokken was bij het indienen van de aanvragen om kinderopvangtoeslag ten behoeve van [aanvrager 4] (A297) en het opstellen en gebruik van de documenten die in verband daarmee in een later stadium zijn gezonden naar Belastingdienst/Toeslagen. Het hof houdt voor mogelijk dat [aanvrager 4] de verdachte heeft belast om medeverdachte [medeverdachte 1] te ontzien. Het hof zal de verdachte vrijspreken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op de aanvragen en documenten ten aanzien van [aanvrager 4] .

Het hof is evenmin aan de hand van de inhoud van wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen dat de verdachte betrokken was bij de oplichting die betrekking had op [aanvrager 7] (A-176). Het hof acht daartoe van belang dat de wijze waarop deze oplichting is gepleegd, afwijkt van de wijze waarop andere bewezen verklaarde oplichtingen zijn gepleegd. Daarbij komt dat de personen die hebben erkend deze oplichting te hebben gepleegd, medeverdachte [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 1] , in hoger beroep hebben verklaard dat de verdachte niet betrokken was bij deze aanvragen kinderopvangtoeslag.

Het hof zal de verdachte ook vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde, voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op de aanvraag ten behoeve van [aanvrager 13] (A-246). Uit het procesdossier volgt dat medeverdachte [medeverdachte 1] , de echtgenoot van de verdachte, op de computer in de gezamenlijke woning aanvragen heeft ingediend voor kinderopvangtoeslag. Uit het beschikbare bewijs ten aanzien van de aanvraag van [aanvrager 13] volgt slechts dat op de computer van de verdachte een incomplete aanvraag ten aanzien van [aanvrager 13] is aangetroffen. Enig bewijs dat de verdachte contact heeft gehad met deze persoon of op een andere manier bij deze aanvraag betrokken is, ontbreekt. Het hof zal de verdachte ook van dat onderdeel vrijspreken.

Feit 3

Onder feit 3 is – kort gezegd – ten laste gelegd dat de verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans heeft witgewassen. Uit het beschikbare bewijs volgt dat een deel van het geld dat door Belastingdienst/Toeslagen aan aanvragers is uitgekeerd, aan de verdachte is afgegeven die dit vervolgens weer geheel of gedeeltelijk heeft doorgegeven aan medeverdachte [medeverdachte 1] .

Het verwerven of voorhanden krijgen van een opbrengst uit eigen misdrijf kan niet onder alle omstandigheden worden aangemerkt als witwassen. Wanneer het gaat om opbrengsten die onmiddellijk van eigen misdrijf afkomst zijn, moet sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.

De bedragen die in de tenlastelegging zijn genoemd, zijn geldbedragen die onmiddellijk afkomstig zijn uit misdrijven die aan de verdachte ten laste zijn gelegd. Dat de geldbedragen door de aanvragers aan verdachte zijn overhandigd, of op haar bankrekening zijn gestort, betekent niet zonder meer dat deze niet langer ‘onmiddellijk’ afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf gepleegd misdrijf. Het gaat immers om de verdeling van geld dat afkomstig is van een gezamenlijk gepleegd misdrijf. Ook het overdragen van geldbedragen aan de medeverdachte [medeverdachte 1] vond plaats ter verdeling van de opbrengst van door de verdachte en hiervoor genoemde mededaders gepleegde misdrijven. Het hof is van oordeel dat dit een situatie is die niet wezenlijk verschilt van de situatie waarin de verdachte een onmiddellijk uit eigen misdrijf verkregen voorwerp verwerft of voorhanden heeft. Het hof heeft geen bewijs aangetroffen waaruit volgt dat de verdachte de criminele herkomst van de geldbedragen daadwerkelijk heeft verborgen of verhuld.

De advocaat-generaal heeft erop gewezen dat er bij de doorzoeking geen geld bij de verdachte is aangetroffen, zodat het niet anders kan dan dat de verdachte het geld heeft uitgegeven. Volgens de advocaat-generaal moet de verdachte de geldbedragen hebben omgezet zodat er – anders dan bij het enkele voorhanden hebben en verwerven het geval is – wel gesproken kan worden van witwassen. Het hof volgt de advocaat-generaal daarin niet. Er is geen bewijs beschikbaar waaruit volgt dat de verdachte de geldbedragen heeft omgezet of gebruikt in de ten laste gelegde periode.

Uit het voorgaande volgt dat de gedragingen die door de verdachte zijn verricht niet kunnen worden gekwalificeerd als ‘witwassen’. Aangezien de term ‘witwassen’ als bestanddeel is opgenomen in de tenlastelegging, zal het hof de verdachte vrijspreken van hetgeen aan de verdachte onder 3 ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

zij in de periode van 31 maart 2007 tot en met 31 januari 2012 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, de Belastingdienst, heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, immers hebben verdachte en haar mededaders - ter verkrijging van Kinderopvangtoeslag - een document, te weten (een) valselijk opgemaakte of vervalste (elektronische) aanvra(a)g(en) of wijziging(en) Kinderopvangtoeslag, te weten en/of D/116, pag. 3358-3364 en D/118 pag. 3368-3372 en/of A-132-D-03/D-09/D-10/D-11/D-12 en/of A-099-D-01/D-02/D-03 en A-175-D-02 en/of A-063-D-01 en/of A-279-D-01/D-02 en/of A-201-D-02 en/of A-038-D-02 en/of A-191-D-01 en/of A-220-D-02, bij de Belastingdienst ingediend, inhoudende dat de in de aanvra(a)g(en) of wijziging(en) genoemd(e) kind(eren) gedurende een in de aanvra(a)g(en) en/of wijziging(en) genoemd aantal uren per maand per een in de aanvra(a)g(en) en/of wijziging(en) genoemde ingangsdatum kinderopvang genieten, te weten dat:

(eigen aanvraag/aanvraag [medeverdachte 1] )

[kind 1A] gedurende 218 uur per maand vanaf 1 april 2007 kinderopvang geniet bij [kinderopvang C] (D/116, pag. 3358-3364) en [kind 1B] gedurende 135 uur per maand vanaf 1 augustus 2007 kinderopvang geniet bij [kinderopvang A] (D/118 pag. 3368-3372) en

(aanvraag [aanvrager 2] A-132)

[kind 2A] gedurende 200 uur per maand vanaf 1 juni 2008 kinderopvang geniet bij [kinderopvang A] (A-132-D-03) en [kind 2B] gedurende 200 uur per maand en [kind 2A] gedurende 135 uur per maand vanaf 1 januari 2010 (beiden) kinderopvang geniet(en) bij [kinderopvang E] (A-132-D-09) en [kind 2B] gedurende 200 uur per maand en [kind 2A] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2010 (beiden) kinderopvang genieten bij [kinderopvang F] (A-132-D-10) en [kind 2B] gedurende 200 uur per maand en [kind 2A] gedurende 200 uur per maand vanaf 1 januari 2011 beiden kinderopvang genieten bij [kinderopvang G] (A-132-D-011) en [kind 2A] gedurende 100 uur per

maand en [kind 2B] gedurende 100 uur per maand vanaf 1 januari 2011 beiden kinderopvang genieten bij [kinderopvang H] (A-132-D-12) en

(aanvraag [aanvrager 3] A-099)

[kind 3] gedurende 219 uur per maand vanaf 1 januari 2008 kinderopvang geniet bij [kinderopvang I] (A-099-D-0l) en [kind 3] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang J] (A-099-D-02) en [kind 3] gedurende 150 uur per maand per 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang K] (A-099-D-03) en

(aanvraag [aanvrager 5] A-175)

[kind 5] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang L] (A-175-D-02) en

(aanvraag [aanvrager 6] A-063)

[kind 6A] gedurende 150 uur per maand en [kind 6B] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2009 beiden kinderopvang genieten bij [kinderopvang M] (A-063-D-0l) en

(aanvraag [aanvrager 8] A-279)

[kind 8] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang L] (A-279-D-01) en dat [kind 8] gedurende 130 uur per maand vanaf 1 januari 2011 kinderopvang geniet bij [kinderopvang A] (A-279-D-02) en

(aanvraag [aanvrager 9] A-201)

[kind 9] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang Q] (A-201-D-02) en

(aanvraag [aanvrager 10] A-038)

[kind 10A] gedurende 135 uur per maand en [kind 10B] gedurende 135 uur per maand vanaf 1 januari 2010 beiden kinderopvang genieten bij [kinderopvang A] (A-038-D-02) en

(aanvraag [aanvrager 11] A-191)

[kind 11] gedurende 219 uur per maand vanaf 1 juli 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang A] (A-191-D-01) en

(aanvraag [aanvrager 12] A-220)

[kind 12] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang A] (A-220-D-02)

waardoor verdachte en haar mededader(s) telkens de suggestie hebben gewekt dat de persoon genoemd op de aanvraag Kinderopvangtoeslag recht had op deze toeslag, waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemd(e) toeslag(en) tot (een) geldbedrag(en) van in totaal circa € 380.000.

Feit 2:

zij in de periode van 1 juni 2009 tot en met 1 december 2011 te Amsterdam en/of te Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

3. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-279-D-03) en een jaaropgave (kinderopvang) 2009 van [kinderopvang A] (A-279-D-05) en een Bezwaarformulier kinderopvangtoeslag 2010 (A-279-D-04) en een jaaropgave (kinderopvang) 2010 van [kinderopvang A] (A-279-D-06) en

4. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-099-D-04) en een jaaropgave (kinderopvang) 2009 van [kinderopvang A] (A-099-D-05) en

5. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-132-D-06) en (een) jaaropgave(n) (kinderopvang) 2009 van [kinderopvang A] (A-132-D-07 en D-08)

valselijk hebben opgemaakt of hebben vervalst, telkens met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, bestaande die valsheid hierin dat verdachte en haar mededader(s) op dit/deze Antwoordformulier(en) kinderopvangtoeslag en deze jaaropgave(n) telkens valselijk en in strijd met de waarheid hebben vermeld dat

Ad 3. [kind 8] in 2009 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 8] in 2009 9.315 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [kind 8] in 2009 bij [kinderopvang A] heeft plaatsgevonden en (kind) [kind 8] in 2010 in totaal 1800 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van (kind) [kind 8] in 2010 10.350 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [kind 8] in 2010 bij [kinderopvang A] heeft plaatsgevonden en

ad 4. [kind 3] in 2009 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 3] in 2009 9.315 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [kind 3] in 2009 bij [kinderopvang D] heeft plaatsgevonden en

ad 5. [kind 2B] in 2009 in totaal 2604 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 2B] in 2009 15.884,04 bedroeg en dat [kind 2A] in 2009 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 2A] in 2009 9.315 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [kind 2B] in 2009 bij [kinderopvang P] heeft plaatsgevonden en dat de kinderopvang van [kind 2A] in 2009 bij [kinderopvang P] heeft plaatsgevonden

en

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2009 tot en met 1 december 2011 te Amsterdam en/of te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk van een vals en/of vervals geschrift gebruik hebben gemaakt

en/of hebben afgeleverd en/of voorhanden hebben gehad, als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, immers hebben verdachte en/of haar mededaders

3. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-279-D-03) en een jaaropgave (kinderopvang) 2009 van [kinderopvang A] (A-279-D-05) en een Bezwaarformulier kinderopvangtoeslag 2010 (A-279-D-04) en een jaaropgave (kinderopvang) 2010 van [kinderopvang A] (A-279-D-06) en

4. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-099-D-04) en een jaaropgave (kinderopvang) 2009 van [kinderopvang A] (A-099-D-05) en

5. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-132-D-06) en (een) jaaropgave(n) (kinderopvang) 2009 van [kinderopvang A] (A-132-D-07 en D-08)

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

opgestuurd naar de Belastingdienst Toeslagen te Heerlen, en bestaande die valsheid of vervalsing daarin dat bestaande die valsheid hierin dat verdachte en/of haar mededader(s) op deze Antwoordformulieren kinderopvangtoeslag en/of Antwoordformulieren kinderopvanggegevens en

deze factuur(en) en jaaropgaven valselijk en in strijd met de waarheid hebben vermeld dat

Ad 3. [kind 8] in 2009 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 8] in 2009 9.315 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [kind 8] in 2009 bij [kinderopvang A] heeft plaatsgevonden en (kind) [kind 8] in 2010 in totaal 1800 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van (kind) [kind 8] in 2010 10.350 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [kind 8] in 2010 bij [kinderopvang A] heeft plaatsgevonden en

ad 4. [kind 3] in 2009 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 3] in 2009 9.315 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [kind 3] in 2009 bij [kinderopvang D] heeft plaatsgevonden en

ad 5. [kind 2B] in 2009 in totaal 2604 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 2B] in 2009 15.884,04 bedroeg en dat [kind 2A] in 2009 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [kind 2A] in 2009 9.315 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [kind 2B] in 2009 bij [kinderopvang P] heeft plaatsgevonden en dat de kinderopvang van [kind 2A] in 2009 bij [kinderopvang P] heeft plaatsgevonden;

Feit 4:

zij in de periode van 1 november 2008 en met 7 mei 2012 te Amsterdam en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit onder andere [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- valsheid in geschrifte (artikel 225 lid 1 en/of 2 van het Wetboek van

Strafrecht) en/of

- oplichting (artikel 326 lid 1 van het wetboek van Strafrecht).

Hetgeen onder 1, 2 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Deze bewijsmiddelen zijn opgenomen in bijlage 1. De beslissing dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan, is gebaseerd op de feiten en omstandigheden die zijn opgenomen in de bijlagen 1 tot en met 3. De inhoud van de bijlagen maakt onderdeel uit van het arrest.

Bewijsoverwegingen

Bewijsmiddelen

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op de aanvraag van [aanvrager 5] . Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat een veroordeling van de verdachte voor dat deel uitsluitend gebaseerd zou zijn op de verklaring van [aanvrager 5] , terwijl het bewijs door de rechter niet uitsluitend mag worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Het hof volgt de verdediging daarin niet. Zoals volgt uit de in bijlage 1 opgenomen bewijsmiddelen, neemt het hof het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend aan op grond van de verklaring van de getuige [aanvrager 5] .

De verdediging heeft verder aangevoerd dat de verklaringen van [aanvrager 10] en [aanvrager 12] niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs, omdat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om deze getuigen te horen. Dat betoog slaagt evenmin. Het hof baseert de beslissing dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan immers niet uitsluitend of in beslissende mate op de verklaring van respectievelijk [aanvrager 10] en [aanvrager 12] .

De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat de herkenningen door [aanvrager 5] en [aanvrager 10] niet bruikbaar zijn voor het bewijs aangezien deze herkenningen niet zijn uitgevoerd overeenkomstig het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek. Ook dat betoog treft geen doel. Het tonen van de foto van de verdachte aan deze getuigen had niet tot doel om tot een identificatie te komen van een onbekende dader, maar tot doel om te komen tot de opheldering van de vraag of de bij hen bekende persoon, die door hen ’ [...] ’, ‘ [...] ’ of ‘de vriendin van [...] ’ werd genoemd, de verdachte betrof. Van een schending van het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek is geen sprake.

Medeplegen

Medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het onder 1 en 2 ten laste gelegde het volgende af.

De verdachte had gesprekken met aanvragers waarin zij aanvragers vertelde dat zij in aanmerking konden komen voor kinderopvangtoeslag. Aanvragers maakten aan de verdachte hun wens kenbaar om kinderopvangtoeslag aan te vragen en verstrekten aan haar alle benodigde gegevens. Aanvragers werd te kennen gegeven dat zij de verdachte konden bellen als zij post zouden ontvangen van Belastingdienst/Toeslagen. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat (de onder feit 2 genoemde) aanvragers ondertekende antwoordformulieren aan de verdachte hebben gegeven, waarna deze werden ingevuld en met valse of vervalste jaaropgaven aan Belastingdienst/Toeslagen werden gezonden. Aanvragers hebben geld moeten betalen dat zij aan verdachte hebben afgestaan.

Het voorleggen van de keuze om kinderopvangtoeslag aan te vragen, en het opvragen en doorgeleiden van de gegevens die daarvoor benodigd zijn aan de persoon die de aanvraag deed, zijn essentiële gedragingen voor de gepleegde oplichtingen. Hoewel op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de aanvraag zelf heeft gedaan, is haar bijdrage aan deze aanvragen van zodanig gewicht dat sprake is van de vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. Hetzelfde geldt ten aanzien van het opmaken van valse documenten en het gebruik daarvan. Daarmee acht het hof het onder 1 en 2 ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte al geruime tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en na te zijn geschorst in haar vrijheid was beperkt doordat zij niet kon beschikken over haar paspoort. De verdediging heeft erop gewezen dat de verdachte de zorg heeft voor haar kinderen en beschikt over werk en over woonruimte.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft meermalen samen met anderen de Belastingdienst opgelicht door aanvragen kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst in te dienen, terwijl zij wist dat op die toeslag geen recht bestond. De verdachte heeft door haar handelen op grove wijze misbruik gemaakt van een regeling die de overheid in het leven heeft geroepen om ouders met kinderen in de gelegenheid te stellen te (blijven) werken en hun kinderen buitenshuis te laten opvangen. De verdachte heeft in dit verband ook valsheid in geschrift gepleegd. Uit de dossierstukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat Belastingdienst/Toeslagen door de bewezen verklaarde feiten is benadeeld voor in totaal ruim € 380.000,- .

Voor fraudedelicten met een benadelingsbedrag tussen € 250.000,- en € 500.000,- wordt op grond van de zogenoemde oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht een gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 18 maanden gehanteerd als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Het hof weegt in het nadeel van de verdachte mee dat de verdachte meerdere personen bij deze oplichtingen heeft betrokken, dat de oplichtingen gedurende een langere periode hebben plaatsgevonden en dat er ten behoeve van deze oplichtingen valse stukken zijn opgemaakt en gebruikt.

Het hof weegt niet als strafverzwarend mee dat de samenwerking met de andere verdachten (ook) als een criminele organisatie kan worden aangemerkt.

Het hof is van oordeel dat de door de verdachte genoemde persoonlijke omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal leggen tegenover het gewicht dat de ernst van de bewezen verklaarde gedragingen in de weegschaal legt en het nadeel dat de samenleving daardoor heeft opgelopen. Dit brengt met zich dat het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen.

Ten aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof

als volgt. In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

Het hof stelt vast dat de verdachte op 9 april 2013 in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft op 25 november 2014 vonnis gewezen zodat in de procedure bij de rechtbank de redelijke termijn niet is geschonden.

Op 9 december 2014 heeft de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 25 november 2014. Heden, op 27 maart 2018 wijst het hof arrest. Het hof stelt dan ook vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM is overschreden met (afrondend) een jaar en vier maanden.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 16 maanden passend en geboden. Het hof zal deze gevangenisstraf, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 63, 140, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover het beroep betrekking heeft op de volgende onderdelen:

Feit 1:

Voor zover de oplichting betrekking heeft op de aanvraag van [aanvrager 1] (A-242).

Feit 2:

Voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op:

1. 43 (drieënveertig), althans een (groot) aantal jaaropgaven van [kinderopvang A] en

2. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2010 (A-277-D-03) en/of een jaaropgave (kinderopvang) 2010 van [kinderopvang B] (A-277-D-04).

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart de tenlastelegging nietig voor zover telkens in de tenlastelegging de woorden ‘onder meer’ zijn opgenomen.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. M.M. van der Nat en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 maart 2018.