Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1071

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
16/00558 ev
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:9126, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is na een verzoek van de Duitse justitiële autoriteiten op 12 maart 2009 tijdens een inval in een huurwoning aangehouden in Nederland. Dit in verband met het onderzoek na een gepleegde meervoudige moordaanslag in Duitsland. Uiteindelijk is belanghebbende na uitlevering aan Italië in dat land in 2011 veroordeeld voor het plegen van de moordaanslag(en). Hij is sinds zijn uitlevering gedetineerd in Italië. Het Hof volgt de inspecteur niet in zijn opvatting dat er sprake is van binnenlandse belastingplicht in de periode waarop de onderhavige aanslagen betrekking hebben (2007 tot en met 2009). Evenmin heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in de jaren 2007 tot en met 2009 als buitenlands belastingplichtige Nederlands inkomen heeft genoten. Volgt bevestiging oordeel rechtbank (vernietiging aanslagen en bijbehorende beschikkingen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1030
V-N 2018/32.18.3
Viditax (FutD), 16-05-2018
FutD 2018-1337
NTFR 2018/1249
NLF 2018/1094 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 16/00558 tot en met 16/00560

20 maart 2018

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en het incidenteel hoger beroep van

[belanghebbende] , te [woonplaats] , Italië, belanghebbende,
gemachtigde: mr. S.J. van der Woude (Van der Woude De Graaf Advocaten) te Amsterdam,

tegen de uitspraak van 2 november 2016 in de zaken met kenmerken HAA 13/3879, 16/4161 en 16/4162 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur

1 Ontstaan en loop van het geding

Procedurenummer: Hof 16/00558, rechtbank HAA 13/3879

1.1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 31 december 2010 aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) 2007 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 660.875 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 636.875. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen een vergrijpboete opgelegd, heffingsrente in rekening gebracht en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: iab zvw) 2007 opgelegd.

Procedurenummer: Hof 16/00559, rechtbank HAA 16/4161

1.1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 31 december 2010 aan belanghebbende een definitieve aanslag ib/pvv 2008 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 612.875 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 586.700. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen een vergrijpboete opgelegd, heffingsrente in rekening gebracht en is een aanslag iab zvw 2008 opgelegd.

Procedurenummer Hof 16/00560, procedurenummer rechtbank HAA 16/4162

1.1.3.

De inspecteur heeft met dagtekening 31 december 2012 aan belanghebbende een aanslag ib/pvv 2009 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 560.525 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 280.262.
Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen een vergrijpboete opgelegd, heffingsrente in rekening gebracht en is een aanslag iab zvw 2009 opgelegd.

In alle zaken:

1.2.

Na daartegen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken, gedagtekend 27 augustus 2013, de hiervoor onder 1.1.1 tot en met 1.1.3 genoemde aanslagen en beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 2 november 2016 de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar, de aanslagen ib/pvv en iab zvw, de vergrijpboeten en de beschikkingen heffingsrente vernietigd, alsmede de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep van de inspecteur is bij het Hof ingekomen op 13 december 2016 en is aangevuld bij brief van 11 januari 2017. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend, tevens inhoudende incidenteel hoger beroep.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2018. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende is hierbij aangeduid als ‘eiser’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“1. Eiser is geboren te [geboorteplaats] (Italië) en heeft de Italiaanse nationaliteit. Hij en zijn echtgenote [naam] (geboren te [geboorteplaats] , Italië, hierna: de echtgenote) hebben samen een kind, [naam] , geboren te [geboorteplaats] , Italië op [geboortedatum] .

2. Eiser heeft tot medio 2007 in [plaats] , Duitsland, een pizzeria geëxploiteerd onder de naam [naam bedrijf 1] .

3. Naar aanleiding van een zesvoudige moord gepleegd in [plaats] in de nacht van [datum] , waarvan eiser verdacht werd (tezamen met zijn zwagers [verdachte 1] en [verdachte 2] ), en een verzoek van de Duitse justitiële autoriteiten om uitlevering vindt op 12 maart 2009 een inval (hierna: de inval) plaats in de huurwoning [adres 1] (hierna: [adres 1] ). Daar is eiser samen met zijn zwager [verdachte 1] aangetroffen en aangehouden. In [adres 1] zijn ook de echtgenote en het kind van eiser aanwezig. Bij die inval vindt tevens huiszoeking plaats en worden naast onder meer een vuurwapen en vervalste identiteitsbewijzen, een bedrag aan contanten van in totaal € 546.275, horloges en een plastic tas met aankoopbonnen gevonden en in beslag genomen. Bovendien worden een huurcontract betreffende een appartement [adres 2] (hierna: [adres 2] ) en kwitanties van huurbetalingen betrekking hebbend op [adres 2] aangetroffen. Uit de op de aanhouding van eiser gevolgde politieverhoren wordt duidelijk dat eiser met echtgenote en kind verblijft in slaapkamer 3 en zijn zwager in slaapkamer 1 van de door verweerder overgelegde plattegrond van [adres 1] . Zowel eiser als [verdachte 1] bevestigt dat de in elk van de als zodanig door verweerder geduide slaapkamers gevonden contanten en horloges toebehoren aan degene die in de betreffende kamer verbleef.

4. Bij de in onderdeel 3 genoemde huiszoeking wordt tevens aangetroffen een visitekaartje van [naam 1] . Zij is verhoord door de politie. Uit haar verhoor blijkt dat zij bemiddeld heeft in de verhuur van [adres 1] aan een onbekende man. De huur is ingegaan op 1 februari 2009. De huur is contant betaald. Er is geen huurcontract.

5. Het in onderdeel 3 genoemde huurcontract [adres 2] staat op naam van [naam 2] . De huur is ingegaan op 1 december 2005. Van de contant betaalde huur zijn verscheidene kwitanties bij de in onderdeel 3 genoemde huiszoeking gevonden.

6. Uit Italiaanse rechtshulpverzoeken van 15 en 18 november 2008 volgt dat de zusters van eiser, [zus 1 belanghebbende] , [zus 2 belanghebbende] (echtgenote van [verdachte 1] ) en [zus 3 belanghebbende] (echtgenote van [verdachte 2] ) samen met een neef op 14 november 2008 vanuit Italië zijn vertrokken en na een lange reis door Italië, Frankrijk en België in Nederland zijn aangekomen. Naar aanleiding van de rechtshulpverzoeken is de verblijfplaats van de zussen ontdekt: [adres 3] . Op 23 november 2008 is de zwager van eiser, [verdachte 2] , aangehouden op [adres 4] . De zussen van eiser zijn aangehouden aan de [adres 3] , eveneens op 23 november 2008.

7. Op 11 juni 2009 is eiser uitgeleverd aan Italië. Op 12 juli 2011 is hij in Italië tot levenslang veroordeeld voor de moorden in [plaats] . Hij is sinds zijn uitlevering gedetineerd in Italië.

8. Op 14 mei 2009 laat het Openbaar Ministerie weten eiser niet strafrechtelijk in Nederland te vervolgen. Aanvankelijk was eiser verdacht van witwassen en het in het bezit hebben van een vals document. Beiden verdenkingen zijn geseponeerd wegens onvoldoende nationaal belang en de verdenking van witwassen is voorts geseponeerd omdat een ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleerde. Uit de brief van het Openbaar Ministerie blijkt verder dat “onder hem” in beslag zijn genomen een horloge en € 40.100 aan contanten.

9. Tegen eiser was een Europees Arrestatiebevel uitgevaardigd. In verband met een uitleveringsverzoek heeft het Italiaanse Ministerie van Justitie op 8 april 2009 informatie verstrekt over onder meer de periode eind 2006 tot en met 29 augustus 2007, waaruit blijkt dat eiser van 29 december 2006 tot 29 juni 2007 gedetineerd was in Italië, tot 4 augustus 2007 huisarrest had in Italië, vervolgens naar Duitsland is gegaan en in ieder geval tot 29 augustus 2007 in Duitsland heeft verbleven.

Ten aanzien van de aanslagen

10. Verweerder heeft op 28 april 2009 voorlopig aanslagen ib/pvv voor (onder meer) de jaren 2007 tot en met 2009 aan eiser opgelegd. Bij brief van eveneens 28 april 2009 worden eiser aangiftebiljetten ib/pvv voor de jaren 2007 en 2008 uitgereikt en worden vragen gesteld op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) met betrekking tot zijn woonplaats, [naam bedrijf 1] en het bij de inval aangetroffen geld. De aangiftebiljetten 2007 en 2008 zijn niet ingediend door eiser. Het aangiftebiljet ib/pvv voor het jaar 2009 is op 10 juni 2011 uitgereikt. Dit biljet is door verweerder (met begeleidend schrijven van de gemachtigde van eiser) oningevuld retour ontvangen op 10 augustus 2011.

11. De onderhavige aanslagen ib/pvv en Zvw zijn opgelegd op 31 december 2010 (2007 en 2008), respectievelijk 31 december 2012 (2009). De aanslagen ib/pvv zijn opgelegd naar de volgende bedragen:

Jaar 2007 2008 2009

Belastbaar inkomen box 1 € 660.875 € 612.875 € 560.525

Belastbaar inkomen box 3 € 636.875 € 586.700 € 280.262

Bij de aanslagen ib/pvv zijn vergrijpboetes opgelegd van 100% tot bedragen van € 340.751 (2007), € 315.054 (2008) en € 284.068 (2009). Bij de aanslag ib/pvv voor het jaar 2009 is een bedrag van € 25.512 aan heffingsrente in rekening gebracht.

12. Verweerder heeft de aanslagen ib/pvv 2007 en 2008, alsmede de daarbij opgelegde vergrijpboetes toegelicht bij brief van 23 december 2010. Daarin is vermeld:

“Aanleiding opleggen aanslagen

Naar aanleiding van een verzoek om uitlevering van de Duitse justitiële autoriteiten bent u samen met uw zwager [verdachte 1] op 12 maart 2009 door opsporingsmedewerkers van de Nationale Recherche aangehouden op het adres [adres 1] , alwaar ook uw echtgenote en uw kind verbleven. Bij deze aanhouding zijn diverse zaken en vermogensbestanddelen in beslag genomen. Naar aanleiding van uw aanhouding is door de Nationale Recherche een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. De resultaten van dit onderzoek zijn met toestemming van de Officier van Justitie aan de Belastingdienst ter beschikking gesteld. Aan de hand van deze onderzoeksresultaten zijn uw belastbare inkomens voor de jaren 2007 en 2008 als volgt vastgesteld:

Jaar 2007 2008

Belastbaar inkomen (box 1) € 660.875 € 612.875

Belastbaar inkomen (box 3) € 24.567 € 22.546

Motivering aanslagen

Bij de doorzoeking van de woning [adres 1] zijn diverse zaken en vermogensbestanddelen aangetroffen, waaronder een groot geldbedrag in contanten
(€ 546.275). Gezien de wijze van verpakking van het geld en de manier waarop het geld in de woning verstopt was, zijn er sterke aanwijzingen dat het geld een illegale herkomst heeft.
Dit vermoeden wordt versterkt door de volgende feiten en omstandigheden:

- het overgrote deel van het geld (€ 420.800) was verstopt in een kartonnen verpakking van een
luchtbed;

- het geldbedrag bestond voor het grootste gedeelte uit gebundelde grote coupures;

- in de woning is tevens een geldtelmachine aangetroffen;

- in de woning is verder nog een vals geld-detectieapparaat aangetroffen;

- uw eveneens in de woning aanwezige zwager [verdachte 1] is in het verleden strafrechtelijk veroordeeld voor betrokkenheid bij de handel in cocaïne en lidmaatschap van een criminele organisatie en hij dient ter zake van deze veroordeling nog een gevangenisstraf van 7,5 jaar te zitten, reden waarom hij uit Italië is gevlucht;

- u wordt verdacht van het (mede)plegen van een zesvoudige moord in [plaats] (Dld.) in de nacht van [datum] waarvoor uw uitlevering is verzocht door de Duitse justitiële autoriteiten;

- in uw eerste verklaring verklaart u dat u problemen in Italië heeft en daar aangehouden bent geweest in verband met de vondst van een vuurwapen waardoor u niet meer terug kon naar Duitsland;

- verder verklaarde u dat u een probleem heeft in Duitsland omdat daar goede bekenden en plaatsgenoten van u zijn vermoord, dat een van de vermoorde personen dezelfde naam heeft als uzelf en dat u gezocht wordt voor deze moorden;

- u en uw zwager [verdachte 1] worden verdacht van lidmaatschap van de Calabrese tak van de Italiaanse maffia, genaamd 'Ndrangheta ;

- in de schoenenkast bij de voordeur van de woning bevond zich een vuurwapen met bijbehorende munitie;

- er is in de woning een vervalst Italiaans identiteitsbewijs aangetroffen ten name van een persoon genaamd [naam 4] , met daarop een foto met uw beeldtenis;

- in uw slaapkamer is een Duitse identiteitskaart aangetroffen met de foto van uw echtgenote erop;

- in uw slaapkamer zijn verschillende stempels aangetroffen die bestemd zijn voor de vervaardiging van officiële documenten zoals Italiaanse paspoorten en identiteitsbewijzen;

- in de woning is een identiteitsbewijs aangetroffen ten name van [naam 3] welke voorzien is van een foto waarop de in november 2008 eveneens in Nederland aangehouden [verdachte 2] afgebeeld staat. [Verdachte 2] , ook een zwager van u, wordt er eveneens van verdacht lid te zijn van de `Ndrangheta ;

- in de woning die bij u in gebruik was, zijn voorts een kogel(steek)werend vest alsmede een elftal GSM-toestellen, en in het washok van de woning zijn een drietal pruiken aangetroffen;

- u heeft verklaard dat u in [plaats] . Duitsland tot 2006 een pizzeria heeft gehad onder de naam [naam bedrijf 1] en dat u deze pizzeria kwijt bent geraakt en hier geen vergoeding voor heeft gekregen;

- u heeft verklaard dat de in uw slaapkamer aangetroffen horloges uw eigendom zijn.

Opbouw belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1)

Belastingplicht

Uit het ingestelde strafrechtelijke onderzoek is verder naar voren gekomen dat u vermoedelijk al sinds december 2005 in Nederland verblijft. Dit blijkt onder andere uit het feit dat in de woning een plastic tas is aangetroffen met daarin een aantal aankoopbonnen betreffende uitgaven die hebben plaatsgevonden in de omgeving van [plaats] alsmede een huurcontract, gedateerd 1 december 2005 voor de huur van het appartement [adres 2] . De verhuurder is ene [naam 1] . Ook zijn een aantal kwitanties betreffende de afdracht van de huur voor het adres [adres 2] aangetroffen in uw woning. Op basis hiervan stel ik mij op het standpunt dat u in de jaren 2006 tot en met heden in Nederland woonachtig bent geweest en derhalve binnenlands belastingplichtig bent.

Aankoop horloges

Bij de doorzoeking zijn in uw kamer kostbare horloges aangetroffen. Uit de aangetroffen aankoopbonnen blijkt dat deze onder andere zijn aangeschaft in 2008. Het aankoopbedrag van deze horloges zal door mij bij uw inkomen uit werk en inkomen worden bijgeteld. De correctie voor 2008 is:

Jaar 2007 2008

Correctie € 0 € 4.350

Huur woningen

Tijdens uw verblijf in Nederland heeft u meerdere woningen gehuurd. Dit blijkt onder meer uit de inbeslaggenomen kwitanties ter zake van betaalde huur. De huisvestingskosten worden door mij gesteld op € 2.000 per maand. De correcties voor de jaren 2007 en 2008 zijn:

Jaar 2007 2008

Correctie € 24.000 € 24.000

Uitgaven in verband met de kosten van levensonderhoud

Om tijdens uw verblijf in Nederland in uw levensonderhoud te voorzien, heeft u uitgaven verricht. Voor de jaren 2007 en 2008 worden de kosten voor uw levensonderhoud door mij op € 2.000 per maand geschat. De correcties voor de jaren 2007 en 2008 zijn:

Jaar 2007 2008

Correctie € 24.000 € 24.000

Aangetroffen contant geldbedrag

Bij uw aanhouding is in totaal een geldbedrag van € 546,275 in contanten aangetroffen.
Over het geld dat in uw slaapkamer is aangetroffen, heeft u in uw eerste verhoor aangegeven dat u dit gespaard heeft, terwijl uw echtgenote verklaard heeft dat het geld afkomstig is van haar grootouders. Tijdens uw tweede verhoor heeft u verklaard dat het afkomstig is uit uw pizzeria en dat uw vrouw het geld heeft meegenomen uit Italië. Op verdere vragen over het in de woning aangetroffen geld beroept u zich op uw zwijgrecht. Nu uit uw tegenstrijdige verklaringen en de verklaring van uw echtgenote niet valt op te maken wat de herkomst is van het aangetroffen geldbedrag, zal ik voor de jaren 2007 en 2008 de volgende bedragen tot uw inkomen rekenen:

Jaar 2007 2008

Correctie € 612.875 € 560.525

De bedragen zijn herleid uit het aangetroffen geldbedrag, vermeerderd met de vermoedelijk gedane (geschatte) uitgaven die u in de betreffende jaren heeft verricht.

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1)

Uw belastbare inkomens uit werk en woning (box 1) zijn door mij vastgesteld aan de hand van de bovenstaande gegevens. De inkomsten zijn als winst uit onderneming dan wel als resultaat uit overige werkzaamheden aangemerkt en als volgt becijferd:

Jaar 2007 2008

Horloges € 0 € 4.350

Huur € 24.000 € 24.000

Levensonderhoud € 24.000 € 24.000

Correctie inkomen € 612.875 € 560.525

Belastbaar inkomen € 660.875 € 612.875

Uit strafrechtelijke onderzoek is naar voren gekomen dat u een leidinggevende rol vervult binnen de [naam] clan van de 'Ndrangetha en dat uw zwager [verdachte 1] betrokken is bij de handel in cocaïne. Het is een feit van algemene bekendheid dat de belangrijkste economische activiteit van de 'Ndrangetha de grootschalige handel in cocaïne is en dat hiermee grote (contante) geldbedragen gemoeid zijn en hoge winsten behaald worden. Dit wordt bevestigd door het feit dat in uw woning een grote hoeveelheid contant geld, een geldtelmachine en een vals gelddetectie-apparaat zijn aangetroffen. De verklaringen over de herkomst van dit geld zijn tegenstrijdig en ongeloofwaardig. De hierboven opgesomde feiten en omstandigheden duiden erop dat Nederland in ieder geval sinds eind 2005 de uitvalsbasis voor de [naam] clan is en dat (vanuit) hier te lande illegale activiteiten werden geëntameerd. lk stel mij op het standpunt dat u in ieder geval sedert 2006, doch vermoedelijk al eerder, grote bedragen aan inkomsten uit in Nederland verrichte wederrechtelijke activiteiten heeft genoten. Het op 12 maart 2009 in uw woning aangetroffen geldbedrag is naar alle waarschijnlijkheid de verkoopopbrengst van of de aankoopsom voor een partij verdovende middelen en indicatief voor de omvang van de verdiensten uit die wederrechtelijke activiteiten.

Opbouw rendementsgrondslag belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3)

Jaar 2007 2008

Grondslag 1-1 € 660.875 € 612.845

Grondslag 31-12 € 612.875 € 560.525

Gemiddelde grondslag € 636.875 € 586.700

Motivering boete

Aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2007 en 2008

Naast de gevolgen voor de belastingheffing is gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag een boete opgelegd. Het betreft een vergrijpboete ingevolge artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna AWR) juncto hoofdstuk 1 en 3 van het Besluit Bestuurlijke Boete Belastingdienst (hierna BBBB. Deze boete bedraagt 50% van het bedrag van de aanslag.

Mij zijn de volgende feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan ik deze boete opleg: Uit onderzoek is het vermoeden gerezen dat u lid bent van en leiding geeft aan de Calabrese tak van de Italiaanse maffia, genaamd 'Ndrangheta, dat u sedert 2006 in Nederland verblijft en zich hier te lande bezig hebt gehouden met de handel in verdovende middelen, waarschijnlijk cocaïne. Omtrent de herkomst van de op 12 maart 2009 in uw woning aangetroffen contante geldsommen, kostbare horloges en andere voorwerpen (waaronder een vuurwapen, een geldtelmachine, een vals geld-detectieapparaat, (ver)vals(t)e identiteitsbewijzen, een kogel(steek)werend vest alsmede een elftal GSM-toestellen, een drietal pruiken en een grote hoeveelheid betalingsbewijzen) heeft u tegenstrijdige en ongeloofwaardige verklaringen afgelegd.

U heeft sedert uw verblijf in Nederland nooit om uitreiking van een aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen verzocht.

Aan u zijn op 28 april 2009 door de inspecteur vragen gesteld over uw woonplaats, de herkomst van de in uw woning aangetroffen gelden en goederen, hoe u in uw levensonderhoud heeft voorzien, uw zakelijke activiteiten en uw verdiensten daarmee. Door u zijn niet alle gevraagde gegevens en inlichtingen verstrekt dan wel is onjuiste informatie verstrekt.

Verder heeft u de op 28 april 2009 aan u uitgereikte aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2007 en 2008 niet retourgezonden.

lk ben van oordeel dat u (binnenlands) belastingplichtig bent en substantiële inkomsten heeft genoten uit illegale activiteiten, vermoedelijk de handel in verdovende middelen (cocaïne) U heeft over de jaren 2007 en 2008 opzettelijk geen aangifte gedaan van uw inkomsten en vermogensbestanddelen. U wist, dan wel behoorde te weten, dat deze inkomsten en vermogensbestanddelen op de aan u uitgereikte aangiftebiljetten verantwoord dienen te worden,

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden ben ik van mening dat er sprake is van het bewust, of ook wel met opzet, nalaten om de uitgereikte aangiftebiljetten in te dienen, dan wel dat u zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de geenszins te verwaarlozen kans dat, door het niet indienen van deze aangiftebiljetten te weinig belasting zou worden geheven.
Op grond hiervan ben ik van mening dat er sprake is van (voorwaardelijke) opzet.

Nadere motivering van de vergrijpboete; strafverzwarende factoren

De feiten die aan de correcties ten grondslag liggen, zijn van een zodanige aard dat u wist of behoorde te weten dat er als gevolg van het niet doen van aangifte geen dan wel te weinig belasting zou worden geheven. Dit betekent dat er sprake is van opzet. Op grond van paragraaf 26 van het Besluit Bestuurlijke Boete Belastingdienst (hierna BBBB) leidt dat gedrag in principe tot een boete van 50%. Daarom heb ik naast de aanslag over de correctie van het inkomen uit werk en woning een vergrijpboete opgelegd.

De vergrijpboete ex artikel 67d Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) juncto de paragrafen 25 en 26 BBBB is van toepassing op de aanslagen over het belastingjaar 2007 en 2008.

Gezien de aard en omvang van de bedoelde feiten is er echter tevens sprake van strafverzwarende omstandigheden als bedoeld in paragraaf 8 van het BBBB, meer in het bijzonder gelegen in het feit dat u geen dan wel tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, dat u de door de inspecteur gestelde vragen niet dan wel onvolledig dan wel onjuist heeft beantwoord en dat u de aan u uitgereikte aangiftebiljetten niet heeft geretourneerd. Vanwege de ernst van deze gedragingen, af te leiden uit de hierboven vermelde feiten en omstandigheden zoals gebleken uit het onderzoek, ben ik van mening dat op grond van paragraaf 8 BBBB de boete verhoogd dient te worden tot 100%.

Daarenboven is het bedrag van de te weinig geheven belasting - zowel in absolute als in relatieve zin - een groot bedrag, waardoor er sprake is van ernstige, omvangrijke en tevens ook verhoudingswijs omvangrijke fraude, zodat in beginsel geen kwijtschelding wordt verleend van de wettelijke boete van 100%.

Mij zijn geen verzachtende of financiële omstandigheden bekend die een verdergaande kwijtschelding rechtvaardigen en tot een matiging van de opgelegde boete leiden (paragraaf 7 BBBB).

Ingevolge artikel 67k, tweede lid, AVVR juncto paragraaf 11 van het BBBB heeft u het recht om de in deze kennisgeving vermelde gronden gemotiveerd te betwisten.

In verband met de spoed waarmee de aanslagen moesten worden opgelegd, kon ik u niet vooraf in de gelegenheid stellen om de gronden die mij aanleiding hebben gegeven de aanslag met boete op te leggen gemotiveerd te betwisten voordat de belastingaanslag en de vergrijpboete daadwerkelijk waren opgelegd. U wordt hiermee echter niet in uw rechten geschaad,

Deze mededeling is gebaseerd op artikel 67g van de AWR alwaar geregeld is dat de inspecteur uiterlijk bij het opleggen van de belastingaanslag bij een voor bezwaar vatbare beschikking de belastingplichtige in kennis stelt van de gronden waarop de oplegging van de boete berust.

(…)”

13. Verweerder heeft de aanslag ib/pvv 2009, alsmede de daarbij opgelegde vergrijpboete toegelicht bij brief van 21 december 2012. De toelichting komt in grote lijnen overeen met die voor de jaren 2007 en 2008.”

Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank zijn door partijen geen bezwaren aangevoerd, behoudens dat de inspecteur heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat de uitlevering van belanghebbende heeft plaatsgevonden op 20 mei 2009 in plaats van 11 juni 2009. Voorts heeft de inspecteur erop gewezen dat de rechtbank onder 4 ten onrechte heeft vastgesteld dat er geen huurcontract is aangegroffen ter zake van [adres 1] , terwijl in onderdeel 21 van de uitspraak van de rechtbank (naar het Hof begrijpt: met juistheid) is vermeld dat wel een huurcontract ter zake van deze woning is aangetroffen, maar dat dit contact niet op naam stond van belanghebbende. Het Hof zal – met inachtneming van deze corecties – ook uitgaan van die feiten en voegt hier nog het volgende aan toe.

2.2.

In een tot de stukken behorend proces-verbaal ‘Aanvraag vordering verstrekking historische gegevens’ is onder meer het volgende vermeld:


Aanleiding
Op [datum] , omstreeks [tijdstip] zijn in [plaats] , Duitsland een zestal Italiaanse mannelijke inwoners (…) doodgeschoten.
(…)
Naar aanleiding van het bovengenoemde voorval is direct door de Duitse autoriteiten een onderzoek ingesteld (…).
Uit het Duitse onderzoek kwam naar voren dat één van de daders genaamd is:
[belanghebbende], (…) verblijvende op het adres [adres 5] te [plaats] , Duitsland. Sinds [datum] is de verdachte [belanghebbende] voortvluchtig.
Op 31 augustus 2007 heeft de Duitse autoriteit, een internationaal arrestatie bevel doen uitgaan waarin wordt verzocht tot de aanhouding en uitlevering van [ belanghebbende] (…).”

2.3.

Tot de stukken behoort een onderzoeksrapport (Ermittlungsbericht) betreffende de inzet van Duitse speurhonden. Volgens een begeleidend proces-verbaal van 7 oktober 2009 gaat het hier om honden die in staat zijn menselijke geursporen te volgen die vele weken oud zijn. In het Ermittlungsbericht is onder meer het volgende vermeld:


“Am 04.12.2008 wurde den Hunden eine Geruchsprobe von [belanghebbende] voorgehalten.
Zunächst wurde die Adresse [adres 6] aufgesucht,
dort meldeten alle vier (…) Hunde die frühere Anwesenheit vom Gesuchten.”


Voorts is beschreven hoe de honden het aan belanghebbende toegeschreven geurspoor verder in [plaats] hebben gevolgd via een adres in [plaats] tot een busstation in de buurt van het [naam complex] .

2.4.

Tot de stukken behoort een proces-verbaal van 19 maart 2009 van het aantreffen in ‘slaapkamer 3’ van de woning te [adres 1] van twee horloges en aankoopnota’s daarvan.
Het gaat om een Rolex en daarvan een aankoopnota van € 4.350 met datum 26 oktober 2008, en een Breitling en daarvan een aankoopnota van € 2.250 met datum 17 februari 2009.

2.5.

Tot de stukken behoort een proces-verbaal van 26 maart 2009 betreffende het aantreffen van onder meer € 545.575 in contanten en een geldtelmachine in ‘slaapkamer 1’ van de woning te [adres 1] . In dit stuk is vermeld dat deze kamer in gebruik was bij [verdachte 1] .

2.6.

Tot de stukken behoort een proces-verbaal van 26 maart 2009 betreffende het aantreffen van € 40.100 in contanten in ‘slaapkamer 3’ van de woning te [adres 1] . In dit stuk is vermeld dat deze kamer in gebruik was bij belanghebbende en dat bij de contante gelden een identiteitsbewijs is aangetroffen van [naam] (de echtgenote van belanghebbende).

2.7.

Op 15 april 2009 is [naam 5] , werkzaam bij [naam bedrijf 2] te [plaats] , als getuige gehoord. Volgens dit proces-verbaal zijn [naam 5] enkele foto’s voorgehouden. In verband daarmee is in het proces-verbaal het volgende vermeld:


“Alleen het fotoblad met de vier foto’s met daarop (…) de persoon genaamd [verdachte 1] herkende de getuige als iemand die mogelijk een keer bij de getuige in zijn bedrijf (…) is geweest.”

2.8.

In de vragenbrief aan belanghebbende van de inspecteur van 28 april 2009 is onder meer het volgende vermeld:


“Woonplaats
(…)
1. Ik verzoek u mij een overzicht te geven van alle adressen war u vanaf 1 januari 2006 heeft verbleven;
2. Een overzicht van de door u betaalde verblijfskosten zoals huur, energie, water enz., en uit welke bron zijn deze uitgaven door u betaald;
3. Heeft u in de betreffende periode altijd samengewoond met uw vrouw, zo nee, dan verzoek ik [u] mij een overzicht te geven van adressen waar u verbleef en een overzicht te geven van de adressen waar uw vrouw verbleef. Indien er ook derden bij [u] verbleven dan verzoek ik [u] mij aan te geven wie die derden zijn en wat de reden is dat zij (…) bij u verbleven?
4. Op welke wijze zijn u en uw vrouw naar Nederland gekomen en wat is daar de reden van?
5. Waarom hebben u en uw vrouw zich nimmer ingeschreven in Nederland?”

2.9.

In een brief van gemachtigde van 26 mei 2009 is onder meer het volgende vermeld:


“Op 28 april 2009 is aan cliënt een groot aantal stukken betekend; blijkens bijgaande akte van die datum ook: “Aangiftebiljetten W 2007 en 2008 en verzoek om informatie”. Het verzoek om informatie is aangetroffen, de aangiftebiljetten evenwel niet. (…) Ik verzoek u mij de aangiftebiljetten alsnog toe te zenden”.

2.10.

Op 26 mei 2009 heeft gemachtigde bezwaarschriften ingediend tegen de aanslag ib/pvv 2006 en de voorlopige aanslagen ib/pvv 2007, 2008 en 2009 ten name van belanghebbende. In deze bezwaarschriften is onder meer het volgende vermeld:


“Cliënt heeft tot medio 2007 een pizzeria in [plaats] , Duitsland, geëxploiteerd. Eind 2006 is cliënt gedetineerd in Italië. Hij is op 29 juni 2007 vrij gekomen en, na een korte periode van justitieel toezicht, op 8 augustus 2007 naar Duitsland gegaan. Op [datum] is in [plaats] een zesvoudige moord gepleegd. Cliënt werd al spoedig verdacht van het medeplegen van die moord. Uit angst voor vervolging is cliënt gevlucht, en ondergedoken in Italië met zijn vrouw [naam] en zijn pas geboren zoontje [naam] .
Cliënt is niet in staat om te verklaren, op welke adressen hij sedertdien heeft verbleven (…). Hij heeft niet op Nederlandse adressen verbleven tot 2009.
Cliënt is begin 2009 naar Nederland gekomen met vrouw en kind.
(…)
Cliënt woonde en werkte van 1997 tot en met augustus 2007 in Duitsland, waar hij ook belasting betaalde. Ik zend u hierbij de financiële overzichten van 2006 en van het eerste halfjaar 2007 (…).
Cliënt had in de jaren 1997-2007 jaarlijks enkele duizenden euro’s gespaard in zijn pizzeria. Deze bedragen heeft hij in contanten meegenomen en gezonden naar Italië. Het bij hem aangetroffen bedrag van € 40.100,- is voornamelijk spaargeld uit deze periode;
(…)
Cliënt heeft afgezien van een korte periode van ruim één maand voorafgaand aan zijn aanhouding op 13 maart 2009 niet in Nederland verbleven behalve voor zeer korte bezoeken. Cliënt heeft nimmer gewerkt in Nederland. Hij is ook niet anderszins economisch actief geweest in Nederland.”

2.11.

In een brief van gemachtigde aan de inspecteur van 24 juni 2009 is onder meer het volgende vermeld:


“Ik verzocht u bij brief van 26 mei 2009 (…) mij alsnog twee ontbrekende aangiftebiljetten toe te zenden. Ik mocht nog niet van u vernemen. Graag hoor ik spoedig van u.
(…)
Op de meeste door u gestelde vragen vindt u het antwoord in de bezwaarschriften. Ik doe thans een poging om op grond van de mij thans beschikbare informatie (…) te antwoorden op uw vragen.
woonplaats
1. In 2006 en 2007 woonde cliënt op het adres (…) te (…) [plaats] , Duitsland. Hij is van 29 december tot 29 juni 2007 gedetineerd geweest in Italië en heeft daarna tot 4 augustus 2007 wegens huisarrest verbleven in het dorp (…) in Italië. Vervolgens is cliënt op 4 augustus 2007 naar Duitsland teruggegaan om zaken te regelen. Na de moorden in [plaats] (…) is hij ondergedoken. (…)
2. Deze informatie is mogelijk nog eschikbaar met betrekking tot het Duitse adres (…) maar nog niet in mijn bezit. Met betrekking tot de verblijfadressen beschikt cliënt in het geheel niet over dergelijke informatie.

3. Voorzover ik weet heeft cliënt tot zijn detentie in 2006-2007 met zijn vrouw gewoond en ook gedurende het grootste deel van de periode [naar het Hof leest: van] zijn vluchtperiode was dit het geval;
4. In het kader van het onderduiken zijn zij in Nederland gekomen, naar ik begrijp per auto omdat zij hoopten hier veilig te zijn voor de Italiaanse/Duitse justitie;
5. Omdat hij voor de Duitse en Italiaanse Justitie op de vlucht was heeft cliënt zich niet ingeschreven in Nederland met zijn vrouw en kind.”

2.12.

Bij brief van 5 augustus 2011 heeft gemachtigde het voorblad van het aangiftebljet ib/pvv 2009 oningevuld geretourneerd en het standpunt ingenomen dat belanghebbende niet in Nederland belastingplichtig is. Ter motivering van dit standpunt heeft gemachtigde onder meer het volgende vermeld:

“[Belanghebbende] verbleef slechts enkele weken in Nederland toen hij op 13 maart 2009 werd aangehouden (…). [Belanghebbende] had niet de intentie lang in Nederland te blijven, omdat hij internationaal gezocht werd voor een zesvoudig(e) moord in 2007 in [plaats] en zijn verblijfplaats daarom frequent wisselde. (…) [Belanghebbende] heeft slechts zeer kort verblijf en geen woonplaats gehad in Nederland en hij stelt zich daarom op het standpunt dat hij niet belastingplichtig is in Nederland, zodat hij ook geen aangifte behoeft te doen.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in geschil of belanghebbende in de jaren 2007 tot en met 2009 als binnenlands belastingplichtige kan worden aangemerkt, en – indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord – of belanghebbende in die jaren Nederlands inkomen heeft genoten als bedoeld in art. 7.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet).

3.2.

Voorts is – evenals bij de rechtbank – in geschil of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 8 van de AWR, of hij heeft voldaan aan zijn informatie-plicht en of de inspecteur zich terecht op het standpunt stelt dat – bij ontkennende beantwoording van een van deze vragen – de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is.

3.3.

Met betrekking tot de door de rechtbank toegekende vergoeding voor proceskosten is in geschil – het incidenteel hoger beroep ziet hierop – of de juiste wegingsfactor voor de zwaarte van de zaak is toegepast als bedoeld in de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

3.4.

Indien er geen grond is voor het opleggen van een aanslag ib/pvv voor de jaren 2007 tot en met 2009 is, naar het Hof de standpunten van partijen verstaat, niet in geschil dat in dat geval niet alleen de aanslagen ib/pvv moeten worden vernietigd, maar ook de aanslagen iab zvw voor die jaren, de beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikkingen.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“17. De rechtbank stelt voorop dat vast staat dat verweerder geen informatiebeschikkingen heeft genomen ten aanzien van de onderhavige aanslagen dan wel uitspraken op bezwaar, zodat omkering en verzwaring van de bewijslast (artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, hierna: Awr) op de grond dat eiser niet heeft voldaan aan de wettelijke informatieplicht, niet aan de orde is.

18. Voorts geldt dat alvorens de rechtbank toekomt aan de vraag of terecht een beroep wordt gedaan op de omkering van de bewijslast op de grond dat de vereiste aangifte niet is gedaan (zoals verweerder stelt en eiser weerspreekt), verweerder in ieder geval zijn stelling dat eiser gedurende de jaren 2007 tot en met 2009 inwoner van Nederland was, aannemelijk zal moeten maken. Indien binnenlandse belastingplicht van eiser niet aanwezig wordt geacht, zal verweerder de buitenlandse belastingplicht van eiser aannemelijk moeten maken.

19. Allereerst zal de rechtbank oordelen over de vraag of eiser in de jaren 2007 tot zijn uitlevering aan Italië op 20 mei 2009 zijn woonplaats in Nederland had. Bepalend hierbij is of op grond van artikel 4 Awr naar de feiten en omstandigheden beoordeeld eiser zijn woonplaats in Nederland had. Verweerder voert daartoe onder meer aan dat:

- eiser vanaf half augustus 2007 tot aan zijn uitlevering in Nederland verbleef;

- eiser beschikking had over duurzame woongelegenheden in Nederland;

- eisers echtgenote en kind en zijn zwagers [verdachte 1] en [verdachte 2] eveneens langdurig in Nederland verbleven;

- eiser economische binding met Nederland had, aangezien hij vermoedelijk in Nederland criminele activiteiten verrichtte;

- uiterlijk waarneembare omstandigheden erop duiden dat eiser de intentie had om hier gedurende langere tijd te verblijven.

20. Eiser stelt daartegenover dat hij vanwege de zesvoudige moord in [plaats] voortvluchtig was en in ieder geval - afgezien van korte bezoeken - tot die moord in het geheel niet in Nederland heeft verbleven, doch in Duitsland een pizzeria exploiteerde, vervolgens in Italië gedetineerd is geweest en daarna teruggekeerd in Duitsland en dat hij na de moord in [plaats] ondergedoken is in diverse landen doch niet in Nederland en pas eind februari 2009 met vrouw en kind naar [adres 1] , als onderduikadres, is gegaan. Eiser is ook niet herkend als huurder van [adres 1] en had niets te maken met [adres 2] , omdat hij toen in [plaats] , Duitsland, woonde. De echtgenote van eiser heeft blijkens een akte van 29 mei 2009 voorts in Italië onder ede verklaard dat zij pas op 25 februari 2009 tezamen met eiser in Nederland is aangekomen en dat zij samen maar 15 dagen op Nederlands grondgebied hebben doorgebracht, zo vervolgt eiser.

21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser gedurende de jaren 2007 (vanaf half augustus) tot zijn uitlevering naar Italië inwoner was van Nederland. Daartoe acht zij de volgende factoren redengevend. Eiser heeft niet de Nederlandse nationaliteit, was niet ingeschreven in het Nederlandse bevolkingsregister, had geen bankrekening in Nederland, was geen lid van enige vereniging en niet aannemelijk is dat eiser in Nederland werkzaam was (zie ook overweging 22). Noch het huurcontract van [adres 1] noch dat van [adres 2] stond op zijn naam. Voor de vaststelling dat deze woningen dan wel de woningen [adres 3] en [adres 7] te [plaats] duurzaam aan eiser ter beschikking stonden bestaan geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten. Ook voor de vaststelling dat eiser kon beschikken over garageboxen in [plaats] en [plaats] bestaat onvoldoende bewijs. Voorts kan niet worden vastgesteld dat de bij de huiszoeking aangetroffen aankoopbonnen ter zake van levensonderhoud (waarop enkele uitgaven voor een baby zijn vermeld) aan eiser toebehoorden, temeer niet omdat een deel van deze bonnen ziet op de periode 29 december 2006 tot 29 juni 2007 waarin eiser gedetineerd was in Italië. De feiten dat tijdens de inval zijn echtgenote en kind aanwezig waren in [adres 1] en dat eiser erkend heeft dat de in slaapkamer 3 gevonden horloges van hem zijn (of waren) en aantoonbaar zijn aangekocht in Nederland gedurende de periode 2008 en 2009, zijn onvoldoende om daarmee binnenlandse belastingplicht aan te nemen. Dit geldt eveneens voor het gegeven dat er op het adres [adres 6] op 4 december 2008 door vier verschillende speurhonden een positieve herkenning plaatsvond van een geurmonster van eiser. Het voorgaande blijft gelden indien de overige door verweerder genoemde factoren in aanmerking worden genomen. Verweerder heeft niet, dan wel onvoldoende, weersproken dat eiser tot de zesvoudige moord in [plaats] in Duitsland woonachtig was en dat eiser sindsdien voortvluchtig was. Verweerder heeft onvoldoende aangevoerd ter ondersteuning van zijn vermoeden van binnenlandse belastingplicht. De rechtbank verwerpt dan ook het standpunt van verweerder dat sprake is van binnenlandse belastingplicht van eiser.

22. Voor wat betreft de subsidiaire stelling van verweerder dat eiser in de onderhavige jaren buitenlands belastingplichtige was, overweegt de rechtbank dat verweerder op geen enkele wijze zijn vermoeden aannemelijk heeft gemaakt dat in die jaren door eiser winsten zijn behaald met de handel in cocaïne in Nederland en dat om die reden van inkomsten uit werk en woning sprake zou zijn geweest. De stellingen van verweerder dat het een feit van algemene bekendheid is dat de belangrijkste economische activiteit van de ‘ Ndrangheta de grootschalige handel in cocaïne is en dat daarmee grote contante geldbedragen zijn gemoeid en hoge winsten worden behaald acht de rechtbank onvoldoende om anders te oordelen. Gesteld noch gebleken is van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in Nederland, zodat het betoog van verweerder ook in zoverre faalt.

23. Gelet op het vorenoverwogene is niet aannemelijk geworden dat eiser in de onderhavige jaren belastingplichtig was in Nederland, zodat de aanslagen ib/pvv en Zvw en de bijbehorende beschikkingen dienen te worden vernietigd. De beroepen zijn derhalve in zoverre gegrond.

Voor zover de beroepen zijn gericht tegen het uitblijven van uitspraken op bezwaar, zijn deze niet-ontvankelijk, aangezien verweerder alsnog (lopende het beroep) uitspraak heeft gedaan.

Proceskosten

24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Daarbij is uitgegaan van drie samenhangende zaken in de zin van artikel 3 Bpb.”


Standpunt inspecteur
4.2.1. In hoger beroep heeft de inspecteur gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende geen inwoner was van Nederland. In dat verband heeft de rechtbank betekenis toegekend aan omstandigheden die, aldus de inspecteur, het ‘minst relevant’ zijn voor de beoordeling van het inwonerschap, zoals het beschikken over de Nederlandse nationaliteit, inschrijving in de Gemeentelijke Basisregistratie Persoonsgegevens (GBA) en het beschikken over een bankrekening in Nederland. Volgens de inspecteur wijzen de bij de inval op 12 maart 2009 in beslag genomen hoeveelheid contant geld en voorwerpen onmiskenbaar in de richting van het verwerven van inkomsten uit criminele activiteiten in Nederland, aan welke omstandigheden de rechtbank ten onrechte geen (doorslaggevende) betekenis heeft toegekend. Voor dit standpunt voert de inspecteur meer specifiek het volgende aan.

4.2.2.

De omstandigheid dat het huurcontract van de woning [adres 2] niet op naam van belanghebbende staat, betekent volgens de inspecteur niet dat belanghebbende daar niet heeft gewoond; zo zijn huurkwitanties van dat appartement in het appartement [adres 1] (hierna: het appartement) aangetroffen. In dit verband wijst de inspecteur voorts op de getuigenis van [naam 5] en op Duitse en Italiaanse onderzoeksinformatie (waaronder afgeluisterde telefoongesprekken tussen [verdachte 2] , zwager van belanghebbende, en diens echtgenote). Volgens de inspecteur stonden vermoedelijk ook de woningen [adres 7] , [adres 3] en [adres 6] ter beschikking van (onder meer) belanghebbende. De inspecteur heeft er in dit verband op gewezen dat het appartement en de genoemde woningen op relatief geringe afstand van elkaar zijn gelegen in een bepaald gebied in [plaats] , [plaats] en [plaats] . Het vermoeden betreffende de [adres 6] wordt volgens de inspecteur ondersteund door aldaar aangetroffen geursporen van belanghebbende (zie onder 2.3). Voorts betwist de inspecteur dat belanghebbende eerst vanaf 1 februari 2009 zijn intrek in het appartement zou hebben genomen.

4.2.3.

Daarnaast wijst de inspecteur op de in het appartement aangetroffen bonnen van aankopen van (met name) babyspullen in de periode 20 juli 2007 - 10 augustus 2007, welke aankopen volgens de inspecteur bestemd waren voor het op [geboortedatum] geboren zoontje van belanghebbende (hierna: het kind). Deze bonnen vormen volgens de inspecteur een aanwijzing voor verblijf in Nederland van de echtgenote en het kind reeds vóór de moorden in [plaats] die hebben plaatsgevonden in de nacht van [datum] .

4.2.4.

Volgens de inspecteur blijkt uit aankoopbewijzen van horloges dat belanghebbende dan wel zijn echtgenote op 26 oktober 2008 en op 17 februari 2009 in Nederland was. Uit bij [verdachte 2] aangetroffen strippenkaarten voor het openbaar vervoer in Nederland blijkt volgens de inspecteur dat [verdachte 2] in Nederland met meerdere personen tegelijk heeft gereisd. Tot die personen behoren, aldus de inspecteur, vermoedelijk belanghebbendes zwager, [verdachte 1] en belanghebbende zelf. Aanwezigheid van belanghebbende op 26 november 2008 in Nederland leidt de inspecteur af uit telefonische instructies – van die datum – van [verdachte 2] aan zijn echtgenote [zus 3 belanghebbende] . Voorts konden belanghebbende en zijn zwagers in de onderhavige jaren over garageboxen beschikken, aldus de inspecteur.

4.2.3.

Voorts stelt de inspecteur dat belanghebbende de vragen die hem bij brief van 28 april 2009 zijn gesteld niet dan wel onvolledig heeft beantwoord en dat geen gegevens zijn aangetroffen die duiden op een door belanghebbende in het buitenland aangehouden duurzame woongelegenheid.

4.2.4.

Aan al de door de inspecteur relevant geachte feiten en omstandigheden dient – in samenhang met hetgeen overigens is gesteld en komen vast te staan – het vermoeden te worden ontleend dat belanghebbende in de jaren 2007 – 2009 in Nederland heeft gewoond. Dit vermoeden is volgens de inspecteur niet door belanghebbende weerlegd.

4.2.5.

De hoogte van de vastgestelde inkomens heeft de inspecteur gebaseerd op de bij de inval aangetroffen geldtelmachine en bedragen aan contant geld.

Standpunt belanghebbende
4.3.1. Belanghebbende heeft ook in hoger beroep het standpunt van de inspecteur dat belanghebbende in de onderhavige jaren inwoner van Nederland was in de zin van artikel 4, eerste lid, AWR gemotiveerd betwist. Van een duurzame band van persoonlijke aard tussen belanghebbende en Nederland is geen sprake. Nergens blijkt uit dat hij economische, sociale en/of juridische banden met Nederland had en op of omstreeks 1 februari 2009 als voortvluchtige zijn intrek nam in het appartement, aldus belanghebbende.

4.3.2.

In de periode tot en met augustus 2007 kon belanghebbende – zo stelt hij voorts – niet in Nederland zijn, omdat hij toen in [plaats] (Duitsland) verbleef als bedrijfsleider van een pizzeria respectievelijk in Italië, en voorts omdat hij vanaf 25 december 2006 tot 29 juni 2007 in dat land gedetineerd was, gevolgd door een huisarrest en zijn vertrek naar Duitsland op 8 augustus 2007.

4.3.3.

Belanghebbende is verder van mening dat de inspecteur wat betreft de hierop volgende periode slechts beschikt over vage aanwijzingen. Op grond daarvan kan weliswaar niet worden uitgesloten dat belanghebbende in de periode vanaf september 2007 wel eens in Nederland is geweest voordat hij met vrouw en kind het appartement betrok, maar op grond van die aanwijzingen kan – aldus belanghebbende – tot niet meer dan dat worden geconcludeerd.

4.3.4.

Voorts verwijst belanghebbende naar de uitspraak van het Hof in de zaken betreffende de belastingplicht in de jaren 2006 tot en met 2009 van [verdachte 1] , Hof Amsterdam 14 november 2011, nrs. 13/00153 t/m 13/00157, ECLI:NL:GHAMS:2013:4084.

4.3.5.

Omkering en verzwaring van de bewijslast is volgens belanghebbende niet aan de orde, omdat de inspecteur geen informatiebeschikking heeft genomen en – waar het betreft het doen van ‘de vereiste aangifte’ – omdat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in Nederland belastingplichtig was.

Oordeel van het Hof
4.4.1. Niet in geschil is dat de inspecteur voor de jaren 2007, 2008 en 2009 geen informatiebeschikkingen heeft genomen terwijl voor die jaren op 27 augustus 2013, dat wil zeggen na inwerkingtreding van de Wet rechtsbescherming bij controlehandelingen (Stb. 2011, 301), uitspraak op bezwaar is gedaan. Op deze grond heeft de rechtbank terecht beslist dat de in artikel 27e, eerste lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bedoelde omkering en verzwaring van de bewijslast, op de grond dat belanghebbende niet aan zijn informatieverplichtingen heeft voldaan, niet van toepassing is.

4.4.2.

Voor de jaren 2007 en 2008 is niet duidelijk of de inspecteur belanghebbende heeft aangemaand tot het doen van aangifte. De inspecteur heeft ter zitting desgevraagd verklaard niet te weten of hij belanghebbende voor het doen van aangifte voor de jaren 2007 en 2008 heeft aangemaand. Dergelijke aanmaningen behoren niet tot de gedingstukken. Op grond hiervan kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende voor de jaren 2007 en 2008 heeft verzuimd te voldoen aan de verplichting tot het doen van aangifte van artikel 8, eerste lid, AWR; zie voor wat betreft het in dit verband vereiste aanmanen HR 14 april 2017, 16/05276, ECLI:NL:HR:2017:675, BNB 2017/138. Reeds hierom kan niet worden geconcludeerd dat belanghebbende de in artikel 27e, eerste lid, AWR bedoelde vereiste aangifte niet heeft gedaan. Overigens merkt het Hof op dat uit de gedingstukken blijkt dat belanghebbende heeft betwist dat voor de jaren 2007 en 2008 aangiftebiljetten zijn ontvangen en dat belanghebbende de inspecteur daar herhaaldelijk op heeft gewezen en hem heeft verzocht alsnog of opnieuw aangiftebiljetten toe te zenden (zie onder 2.9 en 2.11). Dat dit laatste is gebeurd, is niet gesteld en blijkt ook niet uit de gedingstukken.

4.4.3.

Voor het jaar 2009 geldt dat gemachtigde met de in diens brief van 5 augustus 2011 verstrekte toelichting door middel van gronden van feitelijke aard, uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft aangegeven dat en waarom belanghebbende in dat jaar niet (binnenlands) belastingplichtig was (zie onder 2.12). In een dergelijk geval kan voor dat jaar niet worden geoordeeld dat belanghebbende, door het voor dat jaar uitgereikte aangiftebiljet oningevuld te retourneren, niet heeft voldaan aan de in artikel 8, eerste lid, AWR vermelde verplichting tot het – in formele zin – doen van aangifte (verg. HR 27 maart 1996, nr. 31.209, ECLI:NL:HR:1996:AA2004, BNB 1996/273).

4.4.4.

Voor zover de inspecteur heeft bedoeld te betogen dat belanghebbende overigens – in materiële zin – niet heeft voldaan aan de verplichting tot het doen van de in artikel 27e, eerste lid, AWR vermelde ‘vereiste aangifte’, dient in een geval als het onderhavige te worden gesteld en bewezen dat belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. De bewijslast hiervoor rust op de inspecteur. Dit zou wellicht anders zijn geweest, indien belanghebbende de door de inspecteur in zijn brief van 28 april 2009 gestelde vragen niet zou hebben beantwoord, omdat in een dergelijk geval de bewijslast ook zonder informatiebeschikking geheel of ten dele op belanghebbende kan komen te rusten.
Een dergelijke situatie doet zich in casu echter niet voor, omdat belanghebbende de onder 2.8 vermelde vragen van de inspecteur heeft beantwoord, althans in zoverre dat dit – zonder aanvullende controlehandelingen van de inspecteur (vervolgvragen bijvoorbeeld) – de hiervoor bedoelde verschuiving van de bewijslast niet rechtvaardigt.
Hierna zal het Hof beoordelen of de inspecteur ten aanzien van belanghebbende in dat bewijs is geslaagd.

4.4.5.

Het Hof stelt voorop dat de vraag waar iemand woont op grond van artikel 4, eerste lid, AWR naar de omstandigheden wordt beoordeeld. Het gaat dan om de vraag of er in het jaar waarop de aanslag betrekking heeft duurzame betrekkingen van persoonlijke aard tussen de desbetreffende persoon en Nederlands grondgebied aanwezig zijn.

4.4.6.

Tegenover de in onderdeel 2 en 9 van de uitspraak van de rechtbank en in 2.2 vermelde feiten en omstandigheden, die zijn gebaseerd op informatie van de Duitse en Italiaanse opsporingsautoriteiten en welke inhouden dat belanghebbende tot 29 augustus 2007 in [plaats] (Duitsland) verbleef, heeft de inspecteur geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan aannemelijk is te achten dat belanghebbende vóór die datum in Nederland zou hebben gewoond. De in het appartement aangetroffen bonnen van de aankoop van babyspullen in Nederland in de periode 20 juli 2007 – 10 augustus 2007 leiden op dit punt niet tot een ander oordeel. De aanwezigheid van die bonnen vormt, ook indien ervan wordt uitgegaan dat in die periode belanghebbendes echtgenote in Nederland verbleef en dat die spullen bestemd waren voor het kind (uitspraak rechtbank onder 1), geen, althans onvoldoende bewijs voor aanwezigheid destijds van belanghebbende in Nederland, terwijl, indien dat anders zou zijn, daarmee nog niet aannemelijk is te achten dat belanghebbende reeds toen in Nederland zou hebben gewoond.

4.4.7.

Voor de periode die hierop is gevolgd acht het Hof het aannemelijk dat belanghebbende voortvluchtig was wegens verdenking van betrokkenheid bij de onder 2.2 (en in onderdeel 3 uitspraak rechtbank) vermelde zesvoudige moord. In een dergelijke situatie acht het Hof het, in aanmerking nemend de ernst van het vergrijp waarvan belanghebbende werd verdacht (en waarvoor hij is veroordeeld), minder voor de hand liggend dat hij een bestendige persoonlijke relatie met een woonplaats ontwikkelt, dan in de situaties die zich (meer) in het algemeen bij de toepassing van artikel 4 AWR plegen voor te doen en waarbij het niet gaat om een voortvluchtige belanghebbende.

4.4.8.

Vaststaat dat belanghebbende op 12 maart 2009 in [een hem ter beschikking staande woning in [plaats] ] het appartement is aangehouden. Over de periode tussen 29 augustus 2007 en 12 maart 2009 is met betrekking tot de plaats waar belanghebbende verbleef weinig komen vast te staan. Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan (een vermoeden) aannemelijk is te achten dat belanghebbende in die periode in Nederland woonachtig was. De omstandigheden dat belanghebbende niet in Nederland was ingeschreven, dat van hem geen in Nederland aangehouden bankrekeningen bekend zijn en dat hij niet beschikt over de Nederlandse nationaliteit acht het Hof in dit geval overigens van ondergeschikt belang.

4.4.9.

De aanwezigheid van belanghebbende op enige andere verblijfplaats in Nederland dan het adres waar hij in maart 2009 is aangehouden is, behoudens het resultaat van de onder 2.3 vermelde geurproef, niet komen vast te staan. Voor een verblijf van belanghebbende in de woning [adres 2] acht het Hof de aanwezigheid van op deze woning betrekking hebbende huurkwitanties in het appartement onvoldoende bewijs. De tot de stukken behorende – en deels hiervoor aangehaalde – verklaringen van [naam 5] , [naam 1] en [naam 6] wijzen niet dan wel onvoldoende in de richting van een verblijf van belanghebbende in [adres 2] . Het huurcontract van dat pand stond op naam van een ander en is afgesloten in een periode waarvan hiervoor is vastgesteld dat belanghebbende toen niet in Nederland woonde (zie onderdeel 5 van de uitspraak van de rechtbank).
Ook van de overige panden, alsmede garageboxen, waarvan de inspecteur heeft gesteld dat (onder meer) belanghebbende daarover kon beschikken (zie onder 4.2.2), is niet dan wel onvoldoende aannemelijk geworden dat belanghebbende bij de totstandkoming van de huur van die panden en garageboxen betrokken is geweest. Feiten en omstandigheden die duiden op een daadwerkelijk verblijf van belanghebbende in die panden zijn bovendien niet, althans niet voldoende, komen vast te staan; ook hetgeen de inspecteur ter zake voor het overige nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Wat betreft de geurproef, waarin een geurmonster van belanghebbende is gerelateerd aan aanwezigheid in de woning [adres 6] , is het Hof van oordeel dat dit bewijsmiddel weliswaar duidt op een mogelijke aanwezigheid van belanghebbende in Nederland in een periode van enige weken voorafgaand aan de datum waarop de geurproef is verricht, maar tevens dat die waarneming onvoldoende bewijs oplevert om reeds in die periode tot een (vermoeden van een) ‘wonen’ van belanghebbende in Nederland te kunnen concluderen; ook niet in samenhang met de omstandigheid dat niet lang voordat de geurproef werd verricht [verdachte 2] en drie zussen [naam belanghebbende] zijn aangehouden.

4.4.10.

Met betrekking tot de (overige) tot de stukken behorende bonnen heeft het Hof geconstateerd dat veel van die bonnen betrekking hebben op de periode vóór 29 augustus 2007 waarvan niet is komen vast te staan dat belanghebbende toen in Nederland zou hebben verbleven. De bonnen zijn voorts onvoldoende specifiek gerelateerd aan de periode na 29 augustus 2007 dan wel nader te onderscheiden perioden, terwijl bovendien niet is vast te stellen wie de aankopen heeft gedaan waarop de bonnen betrekking hebben.

4.4.11.

Dit laatste is anders met betrekking tot de bonnen die betrekking hebben op de aanschaf in Nederland, op 26 oktober 2008 en op 17 februari 2009, van horloges, welke zijn aangetroffen in de kamer waarvan belanghebbende heeft verklaard dat die op 12 maart 2009 bij hem in gebruik was (zie onder 2.2). Ook indien ervan wordt uitgegaan dat belanghebbende op 26 oktober 2008 in Nederland was, vormt dit enkele feit – ook indien beoordeeld in samenhang met andere door de inspecteur gestelde feiten en omstandigheden – onvoldoende grond om aannemelijk te achen, dan wel daaruit het bewijsvermoeden af te leiden dat belanghebbende reeds toen dan wel vanaf dat moment een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland zou hebben gehad.

4.4.12.

Indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat belanghebbende vanaf 17 februari 2009 in [plaats] verbleef, is tot het moment van de aanhouding van belanghebbende op 12 maart 2009 sprake van een zodanig korte termijn, dat op die grond – ook indien beoordeeld in samenhang met andere door de inspecteur gestelde feiten en omstandigheden, zoals inmiddels de aanwezigheid in Nederland van belanghebbendes echtgenote en kind – niet aannemelijk is te achten (en daaraan evenmin het bewijsvermoeden kan worden ontleend) dat zich toen reeds een duurzame relatie van persoonlijke aard tussen belanghebbende en Nederland heeft ontwikkeld.

4.4.13.

Samenvattend acht het Hof de aanwijzingen die duiden op belanghebbendes aanwezigheid in Nederland vanaf het najaar 2008 tot diens aanhouding in 2009 niet van voldoende gewicht om te concluderen dat sprake is geweest van een door belanghebbende gewenst en overigens redelijkerwijs aannemelijk te achten duurzame band van persoonlijke aard in Nederland in die periode, dan wel van een vermoeden daarvan. Dit geldt ook voor de onder 4.2.2 vermelde Duitse en Italiaanse onderzoeksinformatie, welke door de inspecteur onvoldoende specifiek aan het gestelde verblijf in Nederland van belanghebbende is gerelateerd. Voorts is in het bijzonder niet komen vast te staan dat belanghebbende economische activiteiten in Nederland heeft verricht dan wel ernaar heeft gestreefd in Nederland (duurzame) sociale of maatschappelijke bindingen aan te gaan. Uit de aanwezigheid in het appartement waar belanghebbende is aangehouden van onder meer een geldtelmachine, € 40.100 op de kamer die belanghebbende naar het Hof begrijpt in gebruik had, wapens, munitie en pruiken, volgt op zichzelf nog niet dat belanghebbende in Nederland (met enige duurzaamheid) economische activiteiten heeft verricht.

4.4.14.

Het Hof sluit zich ter zake van de woonplaats van belanghebbende, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, aan bij hetgeen de rechtbank onder 21 van haar uitspraak heeft overwogen. In dit verband kent het Hof (mede) gewicht toe aan de omstandigheid dat belanghebbende als voortvluchtige verdachte van een ernstig misdrijf in een onzekere situatie verkeerde die zich niet – althans minder dan in de meer gebruikelijke gevallen waarin een dergelijke omstandigheid geen rol speelt – leent voor het ontwikkelen van een duurzame band van persoonlijke aard met het land waar hij verbleef toen hij werd aangehouden, welke omstandigheid overigens bevestiging vindt in de aanhouding op 12 maart 2009.

4.4.15.

Indien ervan wordt uitgegaan dat belanghebbende in de jaren 2007 tot en met 2009, tot zijn aanhouding op 12 maart 2009, naar de maatstaf van artikel 4, eerste lid, AWR niet in Nederland woonachtig was, rijst de vraag of hij als buitenlands belastingplichtige binnenlands inkomen heeft genoten. Naar het oordeel van het Hof dient de inspecteur aannemelijk te maken dat belanghebbende in de jaren 2007 tot en met 2009 als buitenlands belastingplichtige Nederlands inkomen heeft genoten.

4.4.16.

De in het kader van de aanhouding van belanghebbende in beslag genomen gelden en goederen, zoals (in de kamer van belanghebbende) een bedrag in contanten van € 40.100, een geldtelapparaat, een aankoopbon van ‘500 x ballonnen’, een vuurwapen en munitie, stempels voor de vervaardiging van officiële documenten, vervalste Italiaanse identiteitsbewijzen, een kogel(steek)werend vest, elf gsm-toestellen, drie pruiken en aantekeningen die duiden op het administreren van grote geldbedragen, wijzen onmiskenbaar in de richting van criminele activiteiten. Dat dit economische activiteiten in Nederland zijn geweest, acht het Hof zonder nader bewijs – hetgeen ontbreekt – evenwel niet aannemelijk, ook niet indien wordt uitgegaan van de door de inspecteur als feit van algemene bekendheid beschouwde omstandigheid dat de organisatie waartoe belanghebbende kennelijk behoort, de ‘Ndrangheta, zich op grote schaal bezighoudt met de handel in cocaïne. Ook overigens is niet aannemelijk te achten dat belanghebbende Nederlands inkomen heeft genoten.

Het Hof sluit zich op dit punt aan bij hetgeen de rechtbank onder 22 heeft overwogen.

4.5.

Ter zake van de toegekende vergoeding van proceskosten in eerste aanleg - waartegen het incidenteel hoger beroep van belanghebbende is gericht - ziet het Hof geen reden om van het oordeel van de rechtbank af te wijken.


Slotsom
4.6. De slotsom is dat belanghebbende in de onderhavige jaren niet belastingplichtig was in Nederland, zodat de aanslagen ib/pvv, de aanslagen iab zvw, de beschikkingen heffingsrente en de vergrijpboeten ten onrechte zijn opgelegd. Het hoger beroep is derhalve ongegrond en dat geldt, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.5, ook voor het incidenteel hoger beroep. De uitspraak van de rechtbank dient derhalve te worden bevestigd.

5 Kosten

Nu belanghebbende zich tegen het hoger beroep van de inspecteur heeft moeten verweren, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de kosten van belanghebbende op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage van het Besluit opgenomen tarief vast op: 2 (verweerschrift in hoger beroep en verschijnen ter zitting) x € 501 x 1,5 (wegingsfactor) = € 1.503.

6 Beslissing

Het Hof:
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag € 1.503; en
- bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 503.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen als griffier.
De beslissing is op 20 maart 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.