Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1064

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-03-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
23-002597-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

belediging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002597-17

datum uitspraak: 30 maart 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 12 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-070869-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 maart 2018.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 14 april 2017 te Beverwijk, opzettelijk een persoon genaamd [naam 1] (beveiligingsmedewerker van het Rode Kruisziekenhuis), in het openbaar mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "Kankerracisten, altijd hetzelfde!", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsmiddelen

In afwijking van het betoog van de raadsman, voor zover inhoudende dat de aangifte van [naam 1] toereikend steunbewijs ontbeert, is het hof van oordeel dat op grond van onderstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan:

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2017076304-1 van 14 april 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [naam 1]:

Ik ben werkzaam als medewerker van het interventieteam [het hof begrijpt: beveiligingsmedewerker] van het Rode Kruis Ziekenhuis, gevestigd te Beverwijk.

Het Rode Kruis Ziekenhuis heeft een patiënt in behandeling. De zoon van de patiënt is het niet eens met de behandeling. Bij mij zijn meldingen binnengekomen dat hij bedreigend en intimiderend was over de telefoon tegen medewerkers van het Rode Kruis Ziekenhuis. Op 14 april 2017 meldde de zoon van de patiënt zich bij de receptie van het Rode Kruis Ziekenhuis. Ik heb de zoon ontvangen bij de receptie om met hem in gesprek te gaan. Daarbij was tevens [naam 2], ook werkzaam bij het interventieteam, aanwezig. Wij wilden een normaal, rustig gesprek voeren. Ik heb met hem vervolgens in een aparte ruimte een gesprek gevoerd. Hierbij hebben wij duidelijk gemaakt dat hij niet de behandeling kon bepalen maar dat de arts daar uiteindelijk een beslissing in neemt. Uit het verhaal van de zoon begreep ik dat hij boos was omdat zijn moeder medicatie kreeg die niet werkte. Tevens vond hij dat bloedafname telkens overbodig was en enkel geld kostte, daar er verder niets nieuws uit voortkwam.

Helaas kwamen wij er niet uit in dit gesprek. Ik hoorde hem vervolgens zeggen dat zijn moeder in Turkije bij een arts was geweest en dat daar tevens onderzoek was gedaan waarbij andere uitslagen naar voren kwamen. Ik hoorde [naam 2] vervolgens zeggen: “Wat doe je hier dan nog?” Dit schoot bij de zoon in het verkeerde keelgat en hij werd direct kwaad. Omdat wij de opmerking niet verkeerd bedoelden, wilden wij het gesprek voortzetten. [naam 2] vertelde mij dat hij bedoelde dat hij desnoods een ander ziekenhuis zou moeten raadplegen als hij het niet eens was met de behandeling van het Rode Kruis Ziekenhuis. De zoon wilde geen gesprek meer voeren en liep naar de receptie en vertelde dat hij het hoofd van het bestuur wilde spreken. Ik ben vervolgens naar de zoon toegelopen. Ik hoorde hem vervolgens zeggen: “Ik sla je op je smoel” en “Ik ga mijn vuist op je gezicht zetten.” Tevens hoorde ik hem zeggen: “Kanker racisten, altijd hetzelfde.” Ik voelde mij door deze uitspraak beledigd. Deze uitspraak is gedaan in de openbare centrale ruimte van het ziekenhuis en kon door meerdere patiënten en bezoekers gehoord worden.

2. Een proces-verbaal met nummer 2017076304-4 van 14 april 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 april 2017 afgelegde verklaring van

[naam 3] :

Vandaag werd ik gebeld door de telefoniste. Zij vertelde dat een man had gebeld en enorm aan het schreeuwen was geweest. Hij wilde de leidinggevende van gynaecologie spreken. Zij had aangegeven dat hij naar het ziekenhuis moest komen en zich moest melden bij de balie. Rond 13.00 uur kwam de bewuste man bij mij aan de balie. Hij vroeg naar de leidinggevende van gynaecologie. Hierop belde ik het Interventie Team (IT). Zij kwamen vervolgens naar de balie. Hierop nam [naam 1] het gesprek over en nam hem mee naar vleugel G. Na ongeveer15 minuten zag ik het IT en de man terugkomen. Bij de balie begon de man luidruchtig te praten. Hierbij hoorde ik meermalen het woord ‘discriminatie’.

3. Een proces-verbaal van verhoor met nummer 2017076304-5 van 14 april 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 april 2017 afgelegde antwoorden (A) van de verdachte op vragen (V) van de verbalisanten:

V: Waarom was jij vandaag in het Rode Kruis Ziekenhuis in Beverwijk?

A: Ik was daar voor een gesprek met twee artsen. Dit bleken teamleiders te zijn van een onbekende afdeling. Het gesprek zou over mijn moeder gaan. Ik ben absoluut niet medisch onderlegd.

Ik heb aldaar met twee mannen gesproken. Een van de mannen heet [naam 2] [het hof begrijpt: [naam 2]]. Het gesprek verliep in het begin respectvol en op normale toon. Het was wel een discussie. Totdat die teamleider [naam 2] iets tegen mij zei. Waarom moet ik het ergens anders zoeken als die artsen hun werk niet goed doen? Ik ben naar de balie gegaan en heb gevraagd naar de directie. De teamleider, van wie ik de naam niet weet [het hof begrijpt: [naam 1]], kwam achter mij aan en ik hoorde hem zeggen: “Bel de politie”. Ik ben toen naar de uitgang gelopen en heb mijn advocaat gebeld. Ik heb mijn advocaat de zaak uitgelegd en gezegd dat de kans aanwezig was dat ik gearresteerd zou kunnen worden.

V: De man [het hof begrijpt: [naam 1]] heeft ook verklaard dat jij hebt gezegd: “Kanker racisten. Altijd hetzelfde”. Wat kan jij hierover verklaren?

A: Dat ik gefrustreerd ben gemaakt, dan zou dit voor mij een logische reactie zijn.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 april 2017 te Beverwijk opzettelijk een persoon genaamd [naam 1], beveiligingsmedewerker van het Rode Kruis Ziekenhuis, in het openbaar mondeling heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: "Kankerracisten, altijd hetzelfde!".

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van 150 euro, subsidiair 3 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een medewerker van het ziekenhuis waar zijn moeder onder behandeling stond beledigd. Na een gesprek met een voor de verdachte onbevredigende uitkomst is hij zijn zelfbeheersing verloren, waarna hij zich in de openbare ruimte van het ziekenhuis in krenkende bewoordingen heeft uitgelaten tegen de medewerker. De door de verdachte gebezigde taal is kwetsend en denigrerend. Ook wanneer de verdachte naar zijn mening onheus wordt bejegend, dient hij zich van dergelijk taalgebruik te onthouden.

Blijkens de verdachte betreffende rapporten van Reclassering Nederland van 11 oktober 2017 en 1 februari 2018 is hij snel ontvlambaar en heeft hij behandeling nodig om grip te krijgen op zijn emoties. De voortzetting van een eerder toezicht achtte de reclassering niet wenselijk vanwege het ontoelaatbare gedrag van de verdachte tegenover medewerkers van de reclassering, onder meer bestaande uit bedreigingen. Tevens heeft de verdachte, hoewel hij eerder te kennen had gegeven in te zien dat hij zich verbaal niet meer in de hand heeft wanneer hem onrecht wordt aangedaan, kenbaar gemaakt dat hij niet (langer) bereid is mee te werken aan een behandeling die is gericht op het leren omgaan met stress.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 maart 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van belediging en bedreigingen. Dit wordt in het nadeel van de verdachte gewogen. De vaststelling van het strafbare handelen van de verdachte en de navolgende straf dient de verdachte op te vatten als een aansporing het lichtgeraakte, aanmatigende en uiterst onvruchtbare gedragspatroon, waarvan bij hem sprake lijkt te zijn, te doorbreken.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 63 en 266 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 150 (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. J.J.I. de Jong en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van

mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

30 maart 2018.